Conclusie
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
verweerder in cassatie,
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
cliënt:persoon van wie uit een verklaring van een ter zake kundige arts blijkt dat hij in verband met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap is aangewezen op zorg als bedoeld in het derde lid, dan wel van wie het CIZ in een indicatiebesluit als bedoeld in de Wet langdurige zorg heeft vastgesteld dat een aanspraak op zorg bestaat als bedoeld in de Wet langdurige zorg vanwege een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap.
eerste klachthoudt in dat niet is gebleken dat ten behoeve van de indicatiestelling een onderzoek in persoon van betrokkene heeft plaatsgevonden, waardoor een rechtsgeldig indicatiebesluit ontbreekt bij het verzoek tot de machtiging tot opname en verblijf, zodat het CIZ niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in dit verzoek.
tweede klachthoudt in dat de hiervoor onder 3.26 geciteerde overweging uit de bestreden beschikking dat op grond van nadere informatie voldoende is toegelicht door het CIZ dat ten behoeve van het indicatiebesluit een onderzoek in persoon heeft plaatsgevonden en dat dit ook uit de tekst van het indicatiebesluit zelf blijkt, onbegrijpelijk is.