Conclusie
1.Overzicht
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Zes Zollner Electronic. [6] Het Hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift
vergunningmodel, maar op het
aanvraagmodel. Uit bijlage 67 volgt, aldus het middel, overigens ook niet dat de hoeveelheid een verplicht gegeven is in de vergunning bijzondere bestemming. Ook uit de wetshistorie van de regeling bijzondere bestemming volgt dat de hoeveelheid goederen nooit een beperking vormde. Dit houdt volgens het middel mede verband met het feit dat het toezicht op de regeling wordt uitgeoefend door middel van de douaneaangifte en de periodieke aanzuiveringsafrekeningen, en niet door middel van de vergunning.
middel I). Volgens de Staatssecretaris houdt dit verband met het financiële risico dat de Europese Unie loopt, totdat daadwerkelijk is vastgesteld dat is voldaan aan de verplichte bewerkingen die de goederen onder de regeling bijzondere bestemming dienen te ondergaan.
middel IIvoert de Staatssecretaris aan dat de wijziging van de vergunning geen onderwerp is van de onderwerpelijke procedure. Overigens is het volgens de Staatssecretaris niet mogelijk een vergunning met terugwerkende kracht te wijzigen tot de ingangsdatum en had belanghebbende de wijziging moeten aanvragen voordat zij de hoeveelheden overschreed.
middel IIIvoert de Staatssecretaris aan dat het arrest
Isaac Internationalvoldoende vergelijkbaar is met de onderhavige situatie, zodat het Hof terecht uit dit arrest afleidt dat art. 212 bis Pro CDW geen toepassing vindt in het geval van belanghebbende. Steun hiervoor vindt de Staatssecretaris tevens in het arrest
Krohn & Schröder [8] .
middel Vbetoogt de Staatssecretaris dat art. 220(2)b CDW reeds toepassing mist doordat de navordering als gevolg van een administratieve controle niet kan worden gezien als een vergissing van de douaneautoriteiten.
middel VIin dat het Hof terecht heeft overwogen dat de kwijtgescholden douaneschuld opnieuw wordt verschuldigd op de voet van art. 116(7) DWU.
middel IXvoert de Staatssecretaris aan dat de overwegingen van het Hof over de rente op achterstallen juist zijn en voorts nog steeds opgaan indien geen sprake zou zijn van een controle achteraf.
middel IV,
middel VIIen
middel Xbetoogt de Staatssecretaris dat het Hof terecht oordeelt dat het niet mogelijk is de douaneregeling te wijzigen op de voet van art. 173(3) DWU. Dit volgt volgens de Staatssecretaris ook genoegzaam uit het arrest
Zes Zollner Electronic.
4.Beoordeling van de middelen
Overschrijdingsproblematiek (middel I)
Isaac International [17] , omdat het ziet op een andere situatie.
Isaac International. [19] Deze zaak heeft betrekking op een importeur die in aanmerking wenste te komen voor een vrijstelling van antidumpingrechten, maar niet beschikte over de vereiste voorafgaande vergunning. Het Hof van Justitie oordeelt dat het ontbreken van de vergunning in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling van antidumpingrechten op de voet van art. 212 bis Pro CDW:
Isaac Internationalrelevant geacht voor de onderhavige situatie.
Artikel 86
6.2.2.2 Douaneschuld wegens onregelmatigheden
Artikel 220
niet is geboektovereenkomstig de artt. 218 en 219 CDW.
vergissingvan de bevoegde autoriteiten, nu de douaneautoriteiten in beginsel een ruime beoordelingsvrijheid hebben bij het afgeven van een vergunning en zodoende niet strikt gebonden zijn aan de vergunningaanvraag. [30] Indien echter wordt verondersteld dat sprake is van een vergissing, dan meen ik dat de conclusie in de onderhavige zaak niet anders kan zijn dan dat belanghebbende deze redelijkerwijs kon ontdekken. Belanghebbende is een professioneel marktdeelnemer en beschikt reeds sinds 2005 over een vergunning bijzondere bestemming. [31] Een professioneel marktdeelnemer die regelmatig goederen aangeeft voor de regeling bijzondere bestemming dient zich redelijkerwijs bewust te zijn van het belang van de vergunning voor deze regeling. Van een dergelijke marktdeelnemer mag worden verwacht dat hij kennisneemt van de gegevens in de aan hem verleende vergunning en de voorwaarden waaronder deze vergunning kan worden gebruikt. Hieruit volgt dat het op de weg van deze marktdeelnemer ligt zich ervan te vergewissen dat hij beschikt over een toereikende vergunning indien hij goederen aangeeft voor de regeling bijzondere bestemming, ook indien de hoeveelheid en/of waarde in die vergunning – al dan niet wegens een vergissing – niet overeenstemt met de hoeveelheid en/of waarde in de vergunningaanvraag. Dit brengt mee dat de stelling onder (2) evenmin kan leiden tot een geslaagd beroep op art. 220(2)b CDW.
Afdeling 3
Artikel 114
Jumbocarry Trading [41] , waaruit het voorgaande volgt:
Zes Zollner Electronic. [48]
Artikel 173
Zes Zollner Electronic [49] . De zaak die heeft geleid tot dit arrest betrof een aangever die na vrijgave van de goederen ontdekte dat hij te weinig goederen had aangegeven, en die dienovereenkomstig de aangifte wilde wijzigen. Voor zover relevant oordeelt het Hof van Justitie hierover als volgt (cursivering CE):
Het is juist dat een douaneaangifte volgens lid 3 na vrijgave van de goederen kan worden gewijzigd, maar uitsluitend ‘zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen’. (…)
vormt deze mogelijkheid niettemin een strikt uit te leggen uitzondering op dit beginsel.
voorwaarde heeft toegevoegdwaarnaar wordt verwezen in punt 40 van dit arrest, dat na vrijgave van de goederen slechts om een wijziging kan worden verzocht om de aangever in staat te stellen zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen.
Hieruit blijkt de wil van die wetgever om de mogelijkheden tot wijziging van de douaneaangiften te beperken.”
Zes Zollner Electronic– alle schijn van heeft dat art. 173(3) DWU deze mogelijkheid niet biedt. [51]
Zes Zollner Electronicniet volgt dat art. 173(3) DWU zich verzet tegen wijziging van de douaneregeling, te meer nu dat arrest ziet op een andere situatie dan de onderwerpelijke. Volgens belanghebbende wordt met art. 173(3) DWU geen wijziging beoogd ten opzichte van art. 78(3) DWU en vormt het laatste zinsdeel van art. 173(3) DWU geen aanvullende voorwaarde maar slechts een verduidelijking. Belanghebbende voert hiertoe aan dat uit de considerans bij het DWU ook volgt dat geen wijziging is beoogd. Voorts blijkt uit een
Guidance Documentvan de Europese Commissie dat in beginsel ieder element van de douaneaangifte kan worden gewijzigd op de voet van art. 173(3) DWU. [52] Dit strookt volgens belanghebbende ook met het doel van deze bepaling, namelijk om de douaneprocedure af te stemmen op de ‘werkelijke situatie’. [53]
Zes Zollner Electronichanteert. Voorts strookt het betoog van belanghebbende, dat de laatste zinsnede van deze bepaling geen nieuwe voorwaarde doch slechts een verduidelijking schept, geenszins met de overweging van het Hof van Justitie in punt 44 van voornoemd arrest, waarin het Hof van Justitie overweegt dat de (Unie)wetgever aan art. 173 een Pro voorwaarde heeft toegevoegd.
Guidance Documentvan de Europese Commissie maakt dit niet anders, te meer nu dit document is opgesteld vóórdat het Hof van Justitie arrest wees in
Zes Zollner Electronicen het Hof van Justitie in dit arrest ook afwijkt van opvatting die is neergelegd in het
Guidance Document. [54]
Zes Zollner Electronicoverweegt het Hof van Justitie immers dat de mogelijkheden om de douaneaangifte te wijzigen beperkt zijn, onder meer in verband met de doelstelling van de goede werking van de douanecontroles en de strijd tegen fraude en onregelmatigheden. De verwijzing naar de doelstelling van art. 78(3) CDW treft dan ook geen doel. Ik citeer voor de volledigheid de relevante overwegingen in
Zes Zollner Electronic: