Conclusie
1.Overzicht
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift
Isaac International [5] , zonder vast te stellen of de situatie in dat arrest overeenkomt met de onderhavige. Volgens het middel betreft
Isaac Internationaleen geheel andere kwestie dan aan de orde is in het onderhavige geval.
eerste middelonderdeelvoert aan dat het Hof slechts een beperkt aantal arresten in zijn overwegingen over het rechtszekerheidsbeginsel betrekt, terwijl uit andere arresten volgt dat dit beginsel een ruimer toepassingsbereik heeft. Volgens het
tweede middelonderdeeloordeelt het Hof ten onrechte dat geen sprake is van gebrekkige of ontbrekende wetgeving. Het
derde middelonderdeelbetoogt dat het Hof zijn oordeel baseert op een brief die niet als processtuk is overgelegd en waarvan voorts wordt betwist dat deze bestaat. Volgens het
vierde middelonderdeelverzuimt het Hof aandacht te besteden aan de bijzonder lange doorlooptijd en oordeelt het ten onrechte dat belanghebbende niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse is gebleven.
middel I), het juiste rechtskader heeft gehanteerd. Het oordeel dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd dat en hoe de interne memo’s voor de beslechting van het geschil van belang kunnen zijn, acht de Staatssecretaris niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
middel IIen
middel IIIbetoogt de Staatssecretaris dat het Hof terecht oordeelt dat de in de vergunning opgenomen hoeveelheid een verplicht onderdeel is voor de vergunning bijzondere bestemming en dat de regeling bijzondere bestemming tot die hoeveelheid is beperkt. Volgens de Staatssecretaris houdt dit verband met het financiële risico dat de Europese Unie loopt, totdat daadwerkelijk is vastgesteld dat is voldaan aan de verplichte bewerkingen die de goederen onder de regeling bijzondere bestemming dienen te ondergaan.
middel IVbrengt de Staatssecretaris in dat het overschrijden van een in de vergunning genoemde hoeveelheid een van de manieren is waarop niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een verlaagd tarief of nulrecht als bedoeld in art. 204(1) CDW. Het Hof heeft daarom, aldus de Staatssecretaris, terecht geoordeeld dat een douaneschuld is ontstaan op de voet van deze bepaling.
middel Vvoert de Staatssecretaris aan dat het arrest
Isaac Internationalvoldoende vergelijkbaar is met de onderhavige situatie, zodat het Hof terecht uit dit arrest afleidt dat art. 212 bis Pro CDW geen toepassing vindt in het geval van belanghebbende. Steun hiervoor vindt de Staatssecretaris tevens in het arrest
Krohn & Schröder [6] .
middel VIbetoogt de Staatssecretaris dat het Hof bij het beoordelen van het rechtszekerheidsbeginsel is uitgegaan van het juiste rechtskader. Daarbij onderschrijft de Staatssecretaris het oordeel van het Hof dat in casu geen sprake is van gebrekkige wetgeving of het geheel ontbreken van wetgeving. Ook kan belanghebbende volgens de Staatssecretaris geen beroep doen op de discussies binnen de Belastingdienst/douane over de hoeveelheid en de waarde in de vergunning, nu deze informatie haar pas ter kennis is gekomen na het indienen van de aangiften. Voorts hadden die discussies geen betrekking op het al dan niet afzien van navordering in het geval van een overschrijding.
middel VIIaan dat art. 22 DWU Pro slechts ziet op beschikkingen op aanvraag. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel kan haar dat ook niet baten. Belanghebbende heeft immers voor het Hof niet gesteld dat aan het ‘andere afloop’-criterium is voldaan. Nu dit criterium een onderzoek van feitelijke aard vergt, kan de beoordeling ervan niet eerst in cassatie plaatsvinden.
4.Beoordeling van de middelen
Op de zaak betrekking hebbende stukken (middel I)
2. Stukken van het geding en horen van getuigen
Artikel 204
Artikel 79
DP grup [19] en het betoog van belanghebbende terecht heeft verworpen. Ik volsta met het citaat van de relevante overwegingen uit
DP grup:
Isaac International [20] , zonder vast te stellen of de situatie in dat arrest overeenkomt met de onderhavige. Volgens het middel betreft
Isaac Internationaleen geheel andere kwestie dan aan de orde is in het onderhavige geval.
Isaac International. [22] Deze zaak had betrekking op een importeur die in aanmerking wenste te komen voor een vrijstelling van antidumpingrechten, maar niet beschikte over de vereiste voorafgaande vergunning. Het Hof van Justitie oordeelt dat het ontbreken van de vergunning in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling van antidumpingrechten op de voet van art. 212 bis Pro CDW:
Gebroeders van Es Douane Agenten [25] en
BGL [26] van het Hof van Justitie.
Prysmian Cabluri şi Sisteme [29] overweegt het Hof van Justitie als volgt:
Veloserviss [31] overweegt het Hof van Justitie:
Artikel 114
Jumbocarry Trading [41] , waaruit het voorgaande volgt:
Kamino en Datema [44] oordeelt het Hof van Justitie als volgt:
had kunnen hebben. [50] Dat is in overeenstemming met het hiervoor besproken kader van het Hof van Justitie.”