Conclusie
1.Overzicht
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift
Temic Telefunken [7] dat de douaneautoriteiten een douaneregeling niet kwantitatief kunnen beperken, aldus de klacht.
Isaac International [8] waarnaar het Hof verwijst ziet volgens het middel op een wezenlijk andere situatie. Voorts is het Hof volgens het middel ten onrechte niet ingegaan op art. 86(6) DWU, dat per 1 mei 2016 in de plaats is gekomen van art. 212 bis Pro CDW.
middel Iaan dat het Hof terecht oordeelt dat uit art. 293(1) in samenhang met bijlage 67 UCDW volgt dat de hoeveelheid een verplicht onderdeel is van de vergunning bijzondere bestemming en dat het een vergunninghouder om die reden slechts is toegestaan de in de vergunning vermelde hoeveelheid onder de regeling bijzondere bestemming te brengen. Volgens de Staatssecretaris wordt een vrijstelling van douanerechten slechts onder nauw omschreven voorwaarden verleend, zodat de vermelde hoeveelheid in de vergunning niet mag worden overschreden. Dit houdt, aldus de Staatssecretaris, verband met het financiële risico dat de Europese Unie loopt totdat is vastgesteld dat de ingevoerde goederen onder de regeling bijzondere bestemming de vereiste bewerkingen hebben ondergaan. Het betoog van belanghebbende over de ontstaansgeschiedenis van de GDWU gaat niet op, aangezien dit betoog betrekking heeft op de redactie van art. 211 DWU Pro in relatie tot art. 507 UCDW Pro en laatstgenoemde bepaling betrekking heeft op economische douaneregelingen. Ook de verwijzing naar het arrest
Temic Telefunkensnijdt geen hout, nu dit arrest gaat over de vraag of de toestemming om de regeling actieve veredeling te beëindigen door de goederen onder de regeling behandeling onder douanetoezicht te plaatsen, kwantitatief kan worden beperkt. Dit ziet volgens de Staatssecretaris op een andere situatie.
middel IIook ongegrond is. Volgens de Staatssecretaris geeft het Hof een juiste uitleg aan art. 212 bis Pro CDW onder verwijzing naar
Isaac International.Steun voor de juistheid van dit oordeel vindt de Staatssecretaris in het arrest
Krohn & Schröder [9] . Voorts gaat het betoog van belanghebbende over art. 86(6) DWU niet op, nu belanghebbende zich in hoger beroep niet op deze bepaling heeft beroepen.
middel IIIin dat het Hof het juiste rechtskader heeft gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende onvoldoende concreet heeft verzocht bepaalde stukken over te leggen, acht de Staatssecretaris geenszins onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt volgens de Staatssecretaris voor het oordeel dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat en hoe de interne memo’s van belang kunnen zijn. Een en ander brengt volgens de Staatssecretaris mee dat in het midden kan blijven of het ten overvloede gegeven oordeel van het Hof rechtens juist is.
middel IVvoert de Staatssecretaris aan dat belanghebbende haar beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur in hoger beroep niet heeft voorzien van een onderbouwing, zodat het Hof niet gehouden was op een dergelijke blote stelling in te gaan.
4.Beoordeling van de middelen
Overschrijdingsproblematiek (middel I)
Isaac International, aangezien de douaneschuldenaar in die zaak in het geheel niet beschikte over een vereiste vergunning en overigens had nagelaten de relevante bepalingen van het douanerecht grondig door te nemen, aldus het middel. Nu belanghebbende wel beschikte over een vergunning en ook strikt en nauwgezet de voorwaarden voor het gebruik van de vergunning volgde, voldeed zij aan de ‘overige voorwaarden’ voor toekenning van de gunstige tariefbehandeling zoals bedoeld in art. 212 bis Pro CDW.
Isaac International. [18] Deze zaak heeft betrekking op een importeur die in aanmerking wenste te komen voor een vrijstelling van antidumpingrechten, maar niet beschikte over de vereiste voorafgaande vergunning. Het Hof van Justitie oordeelt dat het ontbreken van de vergunning in de weg staat aan het verlenen van de vrijstelling van antidumpingrechten op de voet van art. 212 bis Pro CDW:
2. Stukken van het geding en horen van getuigen
8. Heffing in strijd met diverse beginselen