ECLI:NL:PHR:2024:798
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt poging tot gekwalificeerde diefstal en spreekt over strafvermindering wegens termijnoverschrijding
De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor poging tot diefstal door braak, waarbij hij samen met een medeverdachte een woning probeerde binnen te dringen. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist van de inbraakplannen en zijn medeverdachte juist probeerde tegen te houden. Het hof verwierp dit verweer op grond van getuigenverklaringen en gedragingen van de verdachte, waaronder het inslaan van een ruit en het trappen tegen de deur.
In cassatie stelde de verdediging dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de alternatieve lezing van de verdachte werd verworpen. De procureur-generaal stelde dat het hof terecht tot bewezenverklaring kwam, omdat de gedragingen van de verdachte niet strookten met het scenario dat hij zijn medeverdachte wilde tegenhouden. Ook de verklaring van de medeverdachte werd door het hof als ongeloofwaardig beoordeeld.
Daarnaast werd een procedureel middel voorgesteld over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting waarop het arrest is uitgesproken, waardoor niet kon worden vastgesteld of het arrest in het openbaar is uitgesproken. De Hoge Raad constateerde dit formele verzuim maar herstelde dit door zelf het arrest alsnog in het openbaar uit te spreken.
De Hoge Raad verwierp het eerste middel en wees het tweede middel niet toe tot cassatie. Wel werd ambtshalve opgemerkt dat de uitspraak meer dan 24 maanden na het cassatieberoep werd gedaan, wat een schending van het recht op een redelijke termijn oplevert en leidt tot strafvermindering. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vermindering van de straf, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor poging tot diefstal en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.