ECLI:NL:PHR:2024:817

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
22/02425
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplegen diefstal parasols bij tennisclub

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 4 juli 2022 het vonnis van de rechtbank bevestigd en de verdachte veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens diefstal door twee of meer verenigde personen. De verdachte werd samen met een medeverdachte aangehouden met in hun bestelauto de gestolen parasols van Tennisclub [A].

De bewijsvoering bestond uit diverse proces-verbalen, waaronder aangifte, observaties van verbalisanten, live monitoring van een technisch opsporingsmiddel (baken) in de bestelauto, camerabeelden van het uitladen van de parasols bij een loods, en inbeslagname van de parasols. Het hof oordeelde dat de verdachte en medeverdachte nauw en bewust samenwerkten bij de diefstal.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts aanwezig was om te helpen met autoproblemen en dat het niet bewezen kon worden dat de parasols van de tennisclub waren. Het hof verwierp dit en achtte de verklaring niet aannemelijk. Ook het beroep op nietigheid wegens beëdiging van raadsheren faalde.

De Hoge Raad bevestigt in zijn conclusie dat het hof een toereikend gemotiveerd oordeel heeft gegeven en dat het cassatieberoep faalt. De veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02425

Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 juli 2022 het vonnis van de rechtbank bevestigd met aanvulling en verbetering van de gronden en de verdachte daarmee wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.J.N. Vermeij, advocaat in Oegstgeest, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 11 juni 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, twee parasols, dat toebehoorde aan Tennisclub [A] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen“.
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 juni 2020, met bijlage goederen, (…) voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] namens Tennisclub [A] te [A] :
Ik ben als toezichthouder van het sportcomplex verbonden aan de Tennisclub [A] en als zodanig aangewezen en bevoegd tot het doen van aangifte namens het slachtoffer.
Gisteren (het hof begrijpt: 10 juni 2020) zijn de parasols geplaatst op het terras van de kantine (het hof begrijpt: de kantine van Tennisclub [A] ). Vanmorgen omstreeks 11.00 uur (het hof begrijpt: 11 juni 2020) wilde ik gaan controleren of de palen nog stevig stonden en daarom was ik naar de tennisclub gegaan. Toen ik daar kwam zag ik dat de parasols er niet meer stonden. De parasols zijn tussen gisterenavond (het hof begrijpt: 10 juni 2020) 22.00 uur en vanmorgen (het hof begrijpt: 11 juni 2020) tussen 10.00 uur en 11.00 uur gestolen. Het gaat om twee blauwe parasols van het merk Bavaria.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit
2. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 juni 2020, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op donderdag 11 juni 2020, omstreeks 08.00 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 4] , [verbalisant 3] en van [verbalisant 1] , tezamen met andere collega's doende met een onderzoek naar diefstallen in het buitengebied met verdachte [betrokkene] . Het was ons bekend dat verdachte [betrokkene] , al rijdende in een bestelbus van het merk Renault, type Master, kleur wit voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] door het bewakingsgebied van Brabant reed. Wij kregen portofonisch te horen dat de bestelbus gestopt was op de [a-straat 1] te [plaats] .
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb voornoemde bestelbus gevolgd tot aan de [b-straat] . Aldaar zag ik dat deze bestelbus gestopt was op de parkeerplaats bij de aldaar gelegen sportvereniging. Ik zag dat er een persoon met een bril op de bestuurdersstoel zat. Ik zag dat verdachte [betrokkene] buiten de bestelbus liep en aan de poort van de sportvereniging voelde. Ik zag dat verdachte [betrokkene] vervolgens aan de bijrijderszijde in de bestelbus stapte. Ik zag dat de bestelbus vervolgens weer weg reed.
Kort hierna kreeg ik, [verbalisant 1] , van een collega een foto van de bewoner van de [a-straat 1] te [plaats] , dit betrof [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [plaats] . Ik, verbalisant van [verbalisant 1] , herkende de voornoemde persoon op de bestuurdersstoel voor honderd procent als de hierboven genoemde [verdachte] .
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag dat de bestelbus weg reed in de richting van de [weg 1] te [plaats] . Ik ben de bestelbus gevolgd en zag dat deze vervolgens via de [weg 2] - [weg 3] uit kwam op [weg 4] te [A] .
Aldaar ter hoogte van huisnummer [weg 4] zag ik dat de bestelbus stopte. Ik zag dat verdachte [betrokkene] op het terrein naast de woning liep. Ik zag dat de mij bekende verdachte [verdachte] op de bestuurdersstoel van de bestelbus zat. Ik zag kort hierna weer dat de bestelbus weg reed bij de woning.
Hierna hebben wij verbalisanten voornoemde bestelbus losgelaten.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 juni 2020, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op donderdag 11 juni 2020 was ik belast met het live monitoren van een niet registrerend technisch opsporingsmiddel om de bij de verdachte [betrokkene] in gebruik zijnde bestelauto van het merk Renault, type Master met kenteken [kenteken] (het hof begrijpt uit alle overige informatie in het politiedossier dat dit een verschrijving is en dat kenteken [kenteken] wordt bedoeld), kortstondig te monitoren en te volgen.
Ik zag tijdens het monitoren dat het genoemde voertuig op donderdag 11 juni 2020 omstreeks 10.30 uur op de [c-staat 1] te [A] reed en hier enige tijd stil stond. Dit is het terrein van de Tennisclub [A] . Ik zag dat het voertuig om 10.50 uur weer in beweging kwam en ging rijden. Ik zag dat het voertuig omstreeks 11.15 uur stil stond ter hoogte van de [d-straat 1] te [plaats] . Het is mij ambtshalve bekend dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962, op de [a-straat 1] te [plaats] woont. Ik zag dat het voertuig omstreeks 11.45 uur weer in beweging kwam en ging rijden. Ik zag dat het voertuig omstreeks 11.48 uur ter hoogte van de [e-straat 1] te [plaats] stopte. Ik zag op de plattegrond dat dit op een bedrijventerrein is waar verschillende loodsen liggen. Ik zag dat het voertuig omstreeks 11.55 uur weer in beweging kwam. Deze informatie is doorgegeven aan de opvallende politiepatrouille die naar de genoemde tennisclub zijn gegaan. Ter plaatse bij de tennisclub bleek dat hier een paar parasols waren weggenomen. De opvallende politiepatrouille heeft ter plaatse een aangifte opgenomen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, met als bijlage foto's, d.d. 11 juni 2020, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Op 11 juni 2020 was ik belast met de noodhulp voor de gemeente [plaats] . Ik had dienst samen met collega [verbalisant 7] . Omstreeks 11.44 uur kreeg ik van de meldkamer te horen dat er twee parasols waren weggenomen bij een tennisvereniging in [plaats] . Ik hoorde dat bij de diefstal een witte Renault Master was gebruikt, voorzien van kenteken [kenteken] . Ik hoorde dat het voertuig reed ter hoogte van de [f-straat 1] in [plaats] . Ik en mijn collega reden over de [f-straat ] in [plaats] . Ik zag de witte Renault Master voorzien van kenteken [kenteken] rijden over de [f-straat ] te [plaats] . Ik gaf de bestuurder van het voertuig een stopteken en zag dat de bestuurder van het voertuig stopte. Ik hield de bestuurder en de bijrijder van het voertuig staande. Ik vorderde van beide personen een geldig identiteitsbewijs. Ik zag dat de bestuurder zich identificeerde als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [plaats] . Ik zag dat de bijrijder zich identificeerde als [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1964 te [plaats] . Ik hoorde dat mijn collega [verbalisant 7] had achterhaald welke loods door de verdachten was gebruikt voor het opslaan van de gestolen goederen. Ik betrad de loods en zag in de loods twee parasols met bijbehorende voetstukken liggen. Ik nam de parasols in beslag ter waarheidsvinding.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 juni 2020, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Op donderdag 11 juni 2020 was ik werkzaam in de noodhulp met mijn collega [verbalisant 6] . In een Renault Master voorzien van het kenteken [kenteken] zouden 2 grote blauwe parasols met het opschrift Bavaria liggen, die kort daarvoor waren weggenomen bij een tennisclub aan [c-staat 1] in [A] . Ik hoorde van collega [verbalisant 6] dat we naar de [e-straat 1] in [plaats] moesten rijden. Toen wij op de [f-straat ] reden zag ik dat de witte bestelauto voorzien van kenteken [kenteken] vanaf een terrein op de [f-straat ] tussen de panden [f-straat 2] en [f-straat 3] kwam. Ik gaf de bestuurder van de bestelauto een stopteken. Ik zag dat er 2 mannen in het voertuig zaten. Ik herkende de bestuurder als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [plaats] . De bijrijder herkende ik als [betrokkene] , geboren [geboortedatum] 1964 te [plaats] .
Ik ben tussen de panden op de [f-straat 2] en [f-straat 3] de inrit ingelopen. Ik zag dat de inrit toegang gaf tot een aantal gebouwen waarin een aantal garageboxen waren ondergebracht. Ik heb de huurder gevraagd of zij de garagebox voor de politie kon openen. In de garagebox zag ik twee grote blauwe parasols liggen met opschrift Bavaria.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 juni 2020, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Op vrijdag 12 juni 2020 bekeek ik de camerabeelden welke beschikbaar waren gesteld voor het onderzoek naar de diefstal van twee parasols bij de Tennisclub [A] . Ik zag dat op 11 juni 2020 om 10:57:03 uur op de beelden vanuit rechts een manspersoon (hierna: manspersoon 1) kwam aanlopen. Ik zag dat deze manspersoon naar een garagebox liep, beide handen naar voren bracht en met zijn rechterhand een sleutel in een slot bracht. Ik zag dat hij vervolgens door zijn knieën ging en daarop de roldeur open deed met zijn rechterhand. Ik zag dat manspersoon 1 de garagebox in ging. Ik zag dat er meteen op dat moment een witte bestelauto het terrein opgereden kwam. Ik zag dat deze witte bestelauto geparkeerd werd met de achterzijde in de richting van de geopende garagebox. Ik zag dat de deuren aan de achterzijde van deze bestelauto niet volledig gesloten waren omdat er twee witte buizen uitstaken. Ik zag dat om 10:57:55 uur de bestuurder van de bestelauto uitstappen (hierna: manspersoon 2). Ik zag dat de manspersoon 2 tevens naar de garagebox liep en de deur aan de achterzijde van de bestelauto opende.
Om 10:58:38 uur zag ik op de camerabeelden dat er een voorwerp vanuit de bestelauto de garagebox/loods in werd gesjouwd door beide manspersonen. Ik zag dat een deel van het goed wit van kleur was en het andere deel was donker van kleur. Het goed wapperde tevens door het dragen/sjouwen. Ik zag dat manspersoon 2 wederom terugkwam naar de achterzijde van de bus en iets uit de bestelauto haalde. Ik zag dat dit goed wit van kleur was in de vorm van een buis. Ik zag dat het goed op de grond gelegd werd door manspersoon 2. Ik zag dat manspersoon 1 weer in beeld kwam en de zijde van het goed welke op de grond lag oppakte. Hierop werden de handelingen wederom herhaald en zag ik beide manspersonen tezamen sjouwen met 1 goed.
Ik zag dat om 11:01:45 uur dat beide manspersonen vanuit de garagebox/loods gelopen kwamen. Ik zag dat manspersoon 2 de achterdeuren van de bestelauto dicht deed. Manspersoon 1 trok de roldeur van de garagebox/loods middels het touw dicht. Ik zag dat manspersoon 1 vervolgens als bestuurder instapte en dat manspersoon 2 instapte aan de bijrijderszijde.
Ik zag dat om 11:01:29 uur het voertuig wegrijden. Ik zag op dat moment het kenteken [kenteken] van de bestelauto in beeld komen. Ik zag dat de bestelauto om 11:02:51 uur uit beeld van de camera reed.
7. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, (…), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats : [f-straat 2] , [plaats]
Datum en tijd : 11 juni 2020 te 14:00 uur
Goednummer : PL2100-2020129319-1672205
Object : Parasol
Aantal/eenheid : 2 stuks
8. Een schriftelijk bescheid, te weten het bewijs van ontvangst, ontvangen van de politie, d.d. 7 juli 2002, (…), voor zover inhoudende:
[aangever] (hof: aangever) verklaart op dinsdag 7 juli 2020 uit handen van de politie te [plaats] te hebben ontvangen:
- 2 stuks parasols (goednummer PL2100-2020129319-1672205).”
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte de diefstal heeft begaan. De verdachte zou op 11 juni 2020 naar de loods zijn gegaan om te helpen met de reparatie van een auto. Nu de verdachte een plausibele verklaring heeft afgelegd over de gebeurtenissen van die dag, kan niet bewezen worden dat de verdachte de diefstal heeft begaan, aldus de raadsman.
Daarnaast kan volgens de raadsman niet bewezen worden dat de parasols die zijn aangetroffen in de loods de weggenomen van de Tennisclub [A] zijn. De raadsman voert daartoe aan dat aangever [aangever] heeft verklaard dat de parasols in de aarde stonden terwijl de parasols in de loods zijn aangetroffen met parasolvoet. Daarbij worden de parasols van het merk Bavaria door veel sportclubs gebruikt waardoor het niet aannemelijk is dat het om dezelfde parasols gaat, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op 11 juni 2020 twee parasols toebehorende aan de Tennisclub [A] zijn weggenomen. Het hof is van oordeel dat de verdachte deze diefstal tezamen met een ander, te weten medeverdachte [betrokkene] , heeft gepleegd.
Onder de bestelauto/bestelbus van de medeverdachte bevond zich een niet registrerend technisch hulpmiddel, een zogenoemd baken, van de politie. Dit baken gaf een melding als het voertuig in beweging was. De daarmee gegenereerde bakengegevens, geven naar het oordeel van het hof een sluitend overzicht van de afgelegde route van de bestelauto van de medeverdachte en de daarbij behorende tijdstippen, nu het baken op de pleegdatum live is gemonitord door de relaterend verbalisant [verbalisant 5] . Deze verbalisant relateert dat de bestelauto van de medeverdachte op genoemde datum het terrein van de tennisclub opreed op [c-staat 1] omstreeks 10.30 uur en daar enige tijd stilstond tot 10.50 uur, waarna het voertuig weer ging rijden en een tussenstop maakte op het adres van verdachte van 11.15 uur tot 11.45. Nadat de bestelauto vervolgens weer in beweging kwam, arriveerde deze op de [f-straat 2] om 11.48 uur en stopte aldaar. Omstreeks 11.55 uur kwam de bestelauto weer in beweging.
Verbalisant [verbalisant 6] heeft gerelateerd dat hij die dag omstreeks 11.44 uur van de meldkamer vernam dat er twee parasols waren weggenomen bij de tennisvereniging in [plaats] en dat daarbij de bestelauto van de medeverdachte was gebruikt. Tevens hoorde hij dat dat voertuig zou rijden ter hoogte van de [f-straat 1] in [A] . Op dat moment reed verbalisant [verbalisant 6] met verbalisant [verbalisant 7] op die [f-straat ] in [plaats] . Verbalisant [verbalisant 7] heeft gerelateerd dat hij van verbalisant [verbalisant 6] vernam dat zij naar de [f-straat 2] in [plaats] moesten rijden. Zij keken uit naar de bestelauto van de medeverdachte. Daarin zouden 2 grote blauwe Bavaria-parasols liggen. Ter plaatse op de [f-straat ] zag verbalisant [verbalisant 7] dat de bestelbus van de medeverdachte vanaf een terrein tussen de panden [f-straat 2] en [f-straat 3] kwam. Er zaten twee mannen in de bestelbus: de bestuurder bleek verdachte te zijn en medeverdachte [betrokkene] was de bijrijder. Beide verdachten zijn vervolgens kort na 12.00 uur aangehouden en in een loods op de [f-straat ] waar de bestelbus vandaan kwam, werden twee Bavaria-parasols aangetroffen.
Het hof stelt vast dat de bestelauto van de medeverdachte op de pleegdatum aldus live werd gemonitord en daarmee als het ware live kon worden gevolgd, waarbij aanvullend door de verbalisanten die ter plaatse waren is gerelateerd over hun bevindingen direct voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachte.
Voorts is op de camerabeelden van de loods aan de [f-straat 2] in [plaats] en de daarbij vermelde tijdstippen bij het uitkijken waargenomen dat de bestelbus van de medeverdachte op 11 juni 2020 om 10.57 uur arriveert bij de loods (garagebox). Er staken aan de achterzijde 2 witte buizen uit de deuren van de bestelbus. Twee manspersonen halen tot twee keer toe een voorwerp uit die bestelbus en brengen dit vervolgens de loods in. Verbalisant [verbalisant 8] beschrijft dat de goederen deels wit en deels donker van kleur zijn en wapperen tijdens het uitladen. Het hof stelt vast dat deze waarneming past bij de aard en uiterlijke kenmerken van parasols. Beide manspersonen stapten vervolgens in de bestelbus en reden weg om 11.01 uur.
Hoewel de tijdstippen van de camerabeelden niet matchen met tijden die hiervoor zijn weergegeven, zien die camerabeelden onmiskenbaar op het die ochtend arriveren van de bestelauto van de medeverdachte bij de loods (volgens het baken om 11.48 uur bij de loods en volgens de camerabeelden om 10.57 uur), het aldaar uitladen van de parasols en het aldaar weer vertrekken door twee manspersonen. Dat nader onderzoek over de tijdsinstelling van de camera ontbreekt, doet aan alle bevindingen (het live monitoren via de bakengegevens en de politie ter plaatse) als voormeld niets af. Het sluitend overzicht aan de hand van de bakengegevens van de afgelegde route van de bestelauto van de medeverdachte vormt in samenhang met overige bewijsmiddelen voldoende bewijs voor de aanwezigheid van de bestelauto op de plaats delict ten tijde van het wegnemen van de twee parasols en vervolgens voor de aanwezigheid op de plaats waar twee parasols zijn aangetroffen. Dat de verdachte en zijn medeverdachte samen voor deze diefstal verantwoordelijk zijn, vindt voorts bevestiging in de vaststelling dat zij die dag samen op pad waren. Zij zijn die ochtend reeds samen in de bestelauto van de medeverdachte gezien door observerende verbalisanten waarbij de verdachte als bestuurder en de medeverdachte als bijrijder zich in de bestelauto van de medeverdachte bevonden. Die bestelauto begaf zich van de [a-straat 1] in [plaats] (de woning van verdachte) naar [plaats] en daarna naar [A] , alwaar die ochtend twee parasols bij de tennisclub zijn weggenomen en alwaar de bestelauto van de verdachte op zich op dat moment bevond, zoals hiervoor vermeld. Vervolgens hebben zij zich samen, na een tussenstop op het adres van de verdachte, begeven naar de [f-straat ] alwaar zij tezamen voor het oog van de camera de parasols vanuit de bestelauto van de verdachte naar de loods hebben verplaatst. Daarop zijn zij weer samen in de bestelauto gestapt en werden zij na het verlaten van het terrein direct aangehouden.
Het verweer van de raadsman dat de verdachte bij de loods aanwezig was om te helpen een auto te repareren acht het hof, gelet op al het voorgaande, niet aannemelijk geworden.”
2.5
In een arrest van 5 juli 2016 heeft de Hoge Raad de volgende overwegingen geformuleerd:
“4.2.1 Bij de beoordeling van het middel moet mede het volgende worden betrokken. Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Voor het medeplegen van diefstal geldt hetzelfde.
4.2.2.
Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).
4.2.3.
In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.” [1]
2.6
In een arrest van 28 november 2017 heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen dat de geformuleerde rechtsregels ook van belang kunnen zijn “in een geval als het onderhavige waarin weliswaar met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan”. [2]
2.7
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte en de medeverdachte niet lang voor de diefstal van de parasols zich gezamenlijk in de (bestel)auto van de medeverdachte bevinden; dat ze zich naar een terrein van een sportvereniging begeven en dat de medeverdachte aldaar uitstapt en aan de poort rammelt; dat de bestelauto vervolgens naar het huis van de verdachte rijdt en daarna naar het terrein van de tennisclub [A] alwaar de auto enige tijd stilstaat; dat de auto vervolgens eerst langs het huis van de verdachte rijdt en vervolgens naar de loods aan de [f-straat 2] alwaar minder dan een uur na het vertrek bij de tennisvereniging door de verdachte en zijn medeverdachte samen twee voorwerpen uit de auto worden gehaald. Het hof heeft vastgesteld dat deze voorwerpen de weggenomen parasols betreffen.
2.8
Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof tot het (kennelijke) oordeel gekomen dat de verdachte en de medeverdachten zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van diefstal. Dat oordeel acht ik niet onjuist en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat niet duidelijk is geworden wat er zich heeft afgespeeld in de tijd tussen het moment waarop de verdachte en de medeverdachte eerst samen worden gezien in de bestelauto en het moment waarop de parasols bij de loods worden aangetroffen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof de verklaring van de verdachte over zijn aanwezigheid bij de loods als niet aannemelijk heeft bestempeld.
2.9
Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het arrest aan nietigheid lijdt, omdat de uitspraak van het hof is gedaan door een of meer raadsheren die niet op de juiste wijze zijn beëdigd.
3.2
Het middel faalt gelet op de gronden vermeld in HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.7.
3.3
Het tweede middel faalt.

Afronding

4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323.
2.Zie HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2021:3022. Vgl. ook HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:487.