Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Stcrt.1996, 197).
Stcrt. 1996, 197). Een dergelijk in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend arrest bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een geldboete van €300 wegens eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De raadsman stelde in cassatie één middel voor, waarin werd geklaagd dat het hof ten onrechte volstond met een aantekening mondeling arrest (stempelarrest) die niet aan de wettelijke vereisten zou voldoen. Volgens het middel ontbrak het aan een op de wettelijk voorgeschreven wijze aangetekend arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting.
De Hoge Raad oordeelt dat de raadsman niet binnen de gestelde termijn een schriftelijk verzoek tot aanvulling van de processtukken bij de rolraadsheer heeft ingediend, zoals vereist is volgens het procesreglement en art. 437 Sv Pro. Hierdoor kan het middel niet tot cassatie leiden. De zaak wordt vergeleken met eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke klachten werden afgewezen wegens het ontbreken van een dergelijk verzoek.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Ambtshalve merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar gezien de lage geldboete wordt volstaan met deze constatering. Er zijn geen gronden voor vernietiging van het bestreden arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het ontbreken van een verzoek tot aanvulling van processtukken.