ECLI:NL:PHR:2024:926

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
22/02418
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 SrArt. 81 ROArt. 434 SvArt. 426 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens ontbreken verzoek aanvulling processtukken bij eenvoudige belediging ambtenaar

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een geldboete van €300 wegens eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De raadsman stelde in cassatie één middel voor, waarin werd geklaagd dat het hof ten onrechte volstond met een aantekening mondeling arrest (stempelarrest) die niet aan de wettelijke vereisten zou voldoen. Volgens het middel ontbrak het aan een op de wettelijk voorgeschreven wijze aangetekend arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting.

De Hoge Raad oordeelt dat de raadsman niet binnen de gestelde termijn een schriftelijk verzoek tot aanvulling van de processtukken bij de rolraadsheer heeft ingediend, zoals vereist is volgens het procesreglement en art. 437 Sv Pro. Hierdoor kan het middel niet tot cassatie leiden. De zaak wordt vergeleken met eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke klachten werden afgewezen wegens het ontbreken van een dergelijk verzoek.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Ambtshalve merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar gezien de lage geldboete wordt volstaan met deze constatering. Er zijn geen gronden voor vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het ontbreken van een verzoek tot aanvulling van processtukken.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02418
Zitting24 september 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 22 juni 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle wegens "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een geldboete van € 300,00. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.P. van der Graaf, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof “ten onrechte heeft volstaan met een aantekening mondeling arrest, althans dat dit aantekening mondeling arrest niet aan de wettelijke voorschriften voldoet”, waardoor het bestreden arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
3.1
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘aantekening mondeling arrest’ van 22 juni 2022. Het betreft een aantekening als bedoeld in art. 426, eerste lid, Sv (een zogenaamd stempelarrest). Het stempelarrest vermeldt de gegevens die zijn vermeld in art. 426, tweede lid, Sv en in de Regeling betreffende het stempelvonnis (
Stcrt.1996, 197).
3.2
Indien een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend, dient op grond van art. 425, derde lid, Sv het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting te worden aangetekend op de wijze voorgeschreven in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (
Stcrt. 1996, 197). Een dergelijk in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend arrest bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.
3.3
Het middel gaat er vanuit dat, aangezien een op grond van art. 425, derde lid, Sv aangetekend arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, een dergelijk arrest door het hof niet is opgemaakt. Alvorens te klagen dat het hof ten onrechte heeft volstaan met het opmaken van, kort gezegd, een stempelarrest, was het, ingevolge art. 4.3.6.3. Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, aan de raadsman om binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling in te dienen bij de rolraadsheer. [1] In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
3.4
In de toelichting op het middel wordt door de steller van het middel een beroep gedaan op HR 23 november 21, ECLI:NL:HR:2021:1705. In die zaak casseerde de Hoge Raad, met verwijzing naar de conclusie van A-G Hofstee. Ik meen dat de omstandigheden in die zaak evenwel anders lagen. In die zaak kon met vrucht worden geklaagd dat het hof ten onrechte had volstaan met het opmaken van een stempelarrest, althans dat ’s hofs aantekening van het mondelinge arrest niet aan de daaraan gestelde eisen voldeed, omdat zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding een stempelarrest van 12 november 2020 bevond en daarnaast een proces-verbaal ter terechtzitting van diezelfde datum, waarin geen arrest op de in art. 425, derde lid, Sv voorgeschreven wijze was aangetekend. De onderhavige zaak laat zich naar mijn oordeel in de kern beter vergelijken met HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:43. In die zaak werd geklaagd dat zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken een stempelvonnis van de kantonrechter bevond (art. 395a Sv), maar niet het proces-verbaal van terechtzitting waarin het vonnis op de wijze zoals voorgeschreven in art. 395, tweede lid, Sv was aangetekend. De Hoge Raad verklaarde het beroep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk, omdat niet was gebleken dat de raadsman met betrekking tot het in het middel genoemde stuk een verzoek om aanvulling bij de rolraadsheer had ingediend.
3.5
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 4 juli 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan € 1.000,00, kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. [2] Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704,
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,