Conclusie
Nummer22/04872 P
Inleiding
De strafzaak
het medeplegen van opzettelijk uitvoeren van hennep naar Duitsland, meermalen gepleegd”, “
het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en “
deelneming aan een criminele organisatie”. Deze veroordeling heeft betrekking op feiten gepleegd in de periode van 1 juni 2010 tot en met 6 april 2011. [1]
alleen, waarvan het volume dus niet in volle omvang ook aan de betrokkene kan worden toegerekend. Zodoende is de omzet gedurende de referentieperiode van 21 dagen niet representatief voor die over (1) de periode van 1 juni 2010 tot en met 6 april 2011 (dat betreft de in deze strafzaak bewezen verklaarde periode van tien maanden) en over (2) de periode van 1 januari 2009 tot 1 juni 2010 (dat betreft een daaraan voorafgaande periode van zeventien maanden). [3]
Je kan niet vaststellen hoeveel kilogram per maand wordt verhandeld. Het zijn allemaal klanten die spullen bij je kopen en komen brengen. Zij komen dan om de negen weken bij allerlei coffeeshops langs, dus het aantal kilo’s per maand verschilt, omdat je afhankelijk bent van klanten die jouw spullen kopen. In de zomer is het bijvoorbeeld te warm, dan is er bijna geen handel. Ik kan er geen pijl[peil, D.A.]
op trekken hoeveel kilogram het gemiddeld per maand geweest moet zijn. Het was de ene keer meer dan de andere keer en ik was er ook niet altijd. (…).”
Dit betreft het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode 1 juni 2010 tot en met 6 april 2011.
Als de advocaat-generaal zegt dat er geen duidelijkheid wordt gegeven, moet er wel worden uitgegaan van herstel in de rechtmatige toestand. Er is een grens aan schatten als het willekeur wordt. In dit soort onderzoeken wordt uitgegaan van bepaalde vooronderstellingen, en dan kom je eigenlijk altijd bijna in een willekeur terecht. Bovendien blijkt de 80/20 verhouding nergens uit.
A. de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 juni 2010 tot en met 6 april 2011
kilogram x € 475,- winst =€ 237.262,50.
Het beoordelingskader
NJ2013/544 m.nt. Borgers. Hierin introduceerde de Hoge Raad het begrip ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ in het strafprocesrecht (in het bijzonder het ontnemingsrecht). De rechtsoverwegingen luiden als volgt:
best evidence-beginsel kent, dat grofweg inhoudt dat voor de bewijsvoering zoveel mogelijk moet worden teruggegrepen op de authentieke bron. [9] Het moet uiteraard wel gaan om een ‘redengevend’ bewijsmiddel, dat wil zeggen om financiële rapportage waarin inzicht wordt gegeven in de wijze waarop het voordeel is becijferd, zulks doordat “
daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.”
ineen financieel rapport. Ingeval “
zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld”, aldus overwoog de Hoge Raad. Dat roept bij mij de vraag op of vaststellingen die de ontnemingsrechter zou kunnen ontlenen aan (de inhoud van)
anderewettige bewijsmiddelen dan het financiële rapport
óók,dan wel
géén,nadere motivering behoeven wanneer zij voldoende gemotiveerd worden betwist als hier bedoeld. Of is artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv daarvoor bedoeld?
financiële rapportageechter niet te lezen. Dat betreft geen verschrijving van de Hoge Raad. In de zaak die aan HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:243, ten grondslag lag, betrof de door het hof toegepaste extrapolatie namelijk géén (door het hof overgenomen) gevolgtrekking in een financieel rapport, maar (resultaten van) vaststellingen door het hof zelf. De mogelijkheid van extrapolatie was ter zitting wel besproken, maar door de verdediging aangevochten. Het hof achtte in die zaak de gegevens over de referentieperiode extrapoleerbaar, maar verzuimde aan te geven aan welke vaststellingen, c.q. wettige bewijsmiddelen hij de grond voor die extrapoleerbaarheid had ontleend. [20] , [21] Hierbij teken ik aan dat extrapolatie welbeschouwd niets anders behelst dan het verbinden van ‘gevolgtrekkingen’ omtrent een langere, meeromvattende periode aan vaststellingen over een referentieperiode. Extrapolatie betreft dus óók een gevolgtrekking. In zoverre past HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:243, naadloos in de met HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, aangevangen reeks arresten, met dien verstande dat de frase ‘in een financieel rapport’ thans is weggevallen.
in enige mateoog moeten hebben voor mogelijke alternatieve verklaringen voor dat feitenmateriaal, ook in gevallen waarin de verdediging geen beroep doet op een alternatieve verklaring. [28] In die zin is het verdedigbaar om de (voorwaardelijke) motiveringsverplichting van de ontnemingsmaatregel – die afhankelijk is van een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ – te rubriceren onder artikel 359 lid Pro 3, eerste volzin, Sv. Die visie gaat dus ‘eigenlijk’ ook op voor de klassieke Meer en Vaart-verweren in strafzaken. [29] , [30]
in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt”. Aan die nadere motivering stelt HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, geen andere dan de voor een bewijsmotivering gangbare eisen, zoals het geval is wanneer de rechter voorbijgaat aan een Meer en Vaart-verweer. [32] Het voorgaande geldt m.i. ook indien de ontnemingsrechter een gevolgtrekking overneemt c.q. een vaststelling doet op basis van een andersoortig bewijsmiddel dan financiële rapportage.
De bespreking van de middelen
tezamenin de periode 12 maart 2011 tot en met 1 april 2011, en dus in een referentieperiode van 21 dagen, een hoeveelheid van 46,49 kilogram hennep hebben verkocht, en (b) dat het volume van deze handel voldoende representatief is voor het handelsvolume over een periode van in totaal 27 maanden tot en met 6 april 2011. De steller van de middelen beroept zich hierbij op (hierboven besproken) rechtspraak over de nadere motiveringseisen bij het passeren van een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ (middel 1) en die bij afwijking van een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ (middel 2).
Vervolgens heeft de rechtbank de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de aantekeningen van [medebetrokkene] . Uit de telefoontaps blijkt dat [medebetrokkene] ook zaken deed zonder betrokkene. Daarmee is het niet zonder meer aannemelijk dat deze opbrengsten (ook) door betrokkene zijn verkregen en dat dit daarmee een reële schatting is waarmee de rechtmatige toestand wordt hersteld.” Ter terechtzitting had de verdediging er in dit verband op gewezen dat het hof in de strafzaak had overwogen:
“Verdachte heeft aldus een belangrijke bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van drugsactiviteiten van de organisatie. Dat sommige verdachten ook eigen ‘handeltjes’ hadden, doet aan voorgaande niet af.”
sommige verdachten ook eigen ‘handeltjes’ hadden”. Hoewel de ontnemingsrechter bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel m.i. niet is gebonden aan deze overweging van de strafrechter, [34] acht ik het gebrek aan enige respons op dit betoog een gemis, nu dit betoog rechtstreeks de representativiteit van de vaststelling van het volume van de gezamenlijke handel gedurende de referentieperiode op basis van de aantekeningen van [medebetrokkene] aanvocht. Dit van de strafrechter overgenomen inzicht, kan niet als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Vanwege de daaraan verbonden lichte stelplicht, meen ik dat het betoog van de verdediging moeilijk anders kan worden verstaan dan als een ‘voldoende gemotiveerde betwisting’ van “
de resultaten van de vaststellingen over de referentieperiode en/of de extrapolatie van die resultaten naar de gehele periode”.
motiveren waarom hij ondanks wat is aangevoerd de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de gehele periode heeft kunnen ontlenen aan de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen”. [35]