ECLI:NL:PHR:2024:960

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
22/03234
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep medeplegen poging diefstal

De verdachte werd door het hof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen zijn veroordeling voor medeplegen poging tot diefstal, omdat volgens het hof geen schriftuur houdende grieven was ingediend. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De advocaat van de verdachte stelde dat aan de appelakte wel degelijk een schriftuur houdende grieven was gehecht, namelijk een brief die tevens een grief bevatte over de bewezenverklaring van medeplegen. De Hoge Raad constateerde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat geen schriftuur houdende grieven was ingediend, omdat de brief met grief tijdig was overgelegd.

Daarom werd het middel van cassatie gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. De Hoge Raad vond geen aanleiding om het vonnis zelf te vernietigen of te wijzigen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03234
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2022 door het gerechtshof Amsterdam (bij verstek) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2022.
1.2
Het cassatieberoep is op 30 augustus 2022 ingesteld namens de verdachte. M.G.C. van Riet, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
1.3
Het middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep op de grond dat er door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de aan de appelakte gehechte brief niet alleen een volmacht tot het instellen van het hoger beroep betreft, maar ook een schriftuur houdende grieven.
2.2
Uit de in cassatie ter beschikking staande stukken blijkt het volgende.
2.3
De verdachte is bij vonnis van 12 mei 2022 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam (op tegenspraak) veroordeeld.
2.4
Op 19 mei 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Aan de “Akte instellen hoger beroep” is gehecht een door M.G.C. van Riet ondertekende brief van 18 mei 2022. De brief houdt onder meer in dat Van Riet door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd is tot het instellen van het hoger beroep en dat de verdachte ook de griffiemedewerker van de rechtbank bepaaldelijk volmachtigt tot het instellen van het hoger beroep. De brief houdt verder in:
“Grief
Het beroep richt zich uitsluitend tegen de bewezenverklaring van feit 1 op de dagvaarding, het medeplegen van een poging tot diefstal.
In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323).
In deze zaak staat vast dat de persoon die zich onder de auto bevond medeverdachte [betrokkene 1] was. Hij is ook de persoon die in de auto op de bestuurdersplaats stapt. De auto is ook van hem: hij heeft de sleutel en verklaart dit ter zitting. Cliënt staat op dat moment tegen de personenauto aan welke naast de auto van de aangever stond geparkeerd en keek om zich heen. Dit volgt uit de verklaring van aangever (pagina 14). Aangever ziet dat [betrokkene 1] in de auto stapt, achter het stuur plaatsneemt en de auto start. Hij rijdt weg. Hierop stapt ook de tweede persoon (cliënt) in de auto.
[betrokkene 1] verklaart bij de politie in eerste instantie dat hij de diefstal samen met cliënt wilde plegen. Ter zitting heeft hij deze verklaring ingetrokken en verklaard dat hij alleen handelde. Dit komt ook overeen met hetgeen waargenomen wordt door aangever De Langen. Cliënt ontkent elke betrokkenheid bij de diefstal.
Nu het enige bewijsmiddel de verklaring van [betrokkene 1] bij de politie is welke verklaring door [betrokkene 1] [op] de zitting wordt ingetrokken is cliënt van mening dat de politie ten onrechte tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot diefstal gekomen is.”
2.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2022 (de zogenoemde rolzitting) houdt het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als
(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het hof stelt vast dat de verdachte op de door de wet voorgeschreven wijze is gedagvaard en dat hij thans niet is gedetineerd.
De raadsvrouw van de verdachte, mr. M.G.C. van Riet, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De raadsheer deelt mede dat in deze zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest uit.”
2.6
Het bestreden arrest houdt het volgende in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.7
Art. 416 lid 2 Sv Pro luidt:
“Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.8
Over het middel kan ik kort zijn. Uit de onder randnr. 2.4 geciteerde brief blijkt dat – anders dan het hof heeft overwogen – namens de verdachte wel degelijk (tijdig) een appelschriftuur houdende een grief is ingediend. Daarom is het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet begrijpelijk. In het middel wordt daarover terecht geklaagd. [1]

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1466 en de conclusie van A-G Spronken daaraan voorafgaand.