Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Artikel 2
tussen [de B.V.] en Staedion. Mogelijk kan uit deze getuigenverklaring worden afgeleid dat dit overeengekomen is
tussen Staedion en Ballast Nedam, maar dat is niet de vraag die hier voor ligt. De getuigenverklaring van [betrokkene 1] , bezien in samenhang met de tekst van de overeenkomst, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat (ook) tussen [de B.V.] en Staedion een bindende afspraak is gemaakt die inhoudt dat Staedion tegenover [de B.V.] een ontwikkelingsplicht op zich heeft genomen. Verklaringen en gedragingen die een ander oordeel rechtvaardigen zijn niet gebleken.”
fishing expedition, waartoe art. 843a Rv geen grondslag biedt. Dat [de B.V.] beweerdelijk partij zou zijn bij een tripartite-project met Staedion en Ballast Nedam, kan [eiser] evenmin helpen. Deze beweerde rechtsbetrekking brengt immers (nog) niet mee dat is voldaan aan het vereiste van een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv.
NJ1981/635 (
Haviltex)). Anders dan [eiser] kennelijk meent, geldt ook in gevallen waarin partijen over de totstandkoming van de tekst van een overeenkomst hebben onderhandeld en zij zijn bijgestaan door advocaten, dat niet kan worden geabstraheerd van de bedoelingen van partijen en de omstandigheden van het geval. Verder geldt dat de rechter de vrijheid, maar niet de verplichting heeft om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst (HR 5 april 2013,
NJ2013/214 (
Lundiform/Mexx)).
Als we niet overeengekomen waren het perceel te gaan ontwikkelen, clan zou een dergelijke afspraak ook niet in de koopovereenkomst opgenomen zijn. Dan zou er alleen een kale koopprijs zijn genoemd zijn.” Die zinsnede sluit aan op zijn verklaring dat partijen “
als doel hadden het perceel te gaan ontwikkelen.” Hij schrijft bovendien: “
Ik kan niet beoordelen of artikel 2 juridisch Pro een verplichting voor Staedion inhield om te gaan ontwikkelen, maar dat dat de bedoeling was van alle betrokken partijen en dat [eiser] meende er vanuit te kunnen gaan dat het perceel zou worden ontwikkeld door Ballast Nedam, die hij had geïntroduceerd aan Staedion, zoals in de koopovereenkomst omschreven kan moeilijk ontkend of betwist worden in mijn visie.” Het is naar het oordeel van het hof precies deze bedoeling die uit de koopovereenkomst blijkt, maar daarmee is van een verplichting om tot bouwen over te gaan, nog geen sprake.
€ 1,5 miljoen k.k. bij bouwkundige oplevering van het project”). Een bouwplicht kan hieruit niet worden afgeleid. Uit de door [eiser] aangehaalde e-mail van 10 juli 2007 kan dat evenmin worden afgeleid.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
fishing expedition, waartoe art. 843a Rv geen grondslag biedt. Dat [de B.V.] beweerdelijk partij zou zijn bij een tripartite-project met Staedion en Ballast Nedam, brengt nog niet mee dat is voldaan aan het vereiste van een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv.
fishing expeditionen klaagt dat dit oordeel onjuist is dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Enig ‘hengelen’ bij een wederpartij naar nog onbekende en onbestemde gegevens om zo mogelijk een vordering te kunnen construeren is in dit geval niet aan de orde. [eiser] had al een vordering op basis van de door hem bepleite uitleg van de koopovereenkomst ingesteld en wil het bestaan van die vordering zo mogelijk nader onderbouwen en bewijzen aan de hand van de inhoud van de raam- en beëindigingsovereenkomst. [eiser] wenst slechts binnen een nauw omschreven raam nog niet bekende feiten te achterhalen waarmee hij zijn reeds ingestelde vordering verder kan onderbouwen. [eiser] heeft immers slechts inzage gevorderd in twee specifiek omschreven overeenkomsten, te weten de raam- en de beëindigingsovereenkomst. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien dat onder deze omstandigheden sprake zou zijn van een
fishing expedition.
bepaaldebescheiden en (iii) dat die bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker of een rechtsvoorganger van de verzoeker partij is. [18] Over deze voorwaarden – die met elkaar samenhangen – bestaat de nodige literatuur. [19] Hierna bespreek ik deze voorwaarden eerst kort afzonderlijk en daarna gezamenlijk.
fishing expeditionste voorkomen. De verzoeker zal voldoende concreet moet aangeven in welke bescheiden hij inzage wenst. Alleen dan kan worden beoordeeld of hij een voldoende relevant belang heeft bij inzage. Dit is ook opgemerkt in de toelichting op het in 2011 ingediende, maar nadien weer ingetrokken wetsvoorstel tot wijziging van het inzagerecht. [27] Hetzelfde geldt voor de toelichting op het op dit moment al geruime tijd aanhangige wetsvoorstel Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. [28]
fishing expedition.Deze voorwaarde dicteert immers het belang dat de verzoeker ten minste zal moeten hebben. Soms zal onduidelijk zijn of de bij deze voorwaarde bedoelde rechtsbetrekking bestaat. Voor inzage is in dat geval volgens de rechtspraak voorwaarde dat het bestaan van die rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is. Deze voorwaarde is door de Hoge Raad algemeen gemaakt in het arrest
Semtex, [29] waarin is overwogen:
AIB/Novisemen
Synthon/Astellasheeft de Hoge Raad in het kader van een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom een maatstaf gegeven voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv. Die maatstaf houdt in dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moet stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moet onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. In de zaak
Organik/Dowheeft de Hoge Raad geoordeeld dat die maatstaf zich ook leent voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn.
hééftbij inzage, op hetzelfde neerkomt. Steun daarvoor valt te vinden in het advies van de Expertgroep Modernisering Burgerlijk Bewijsrecht 2017, op welk advies het wetsvoorstel is gebaseerd. Daarin wordt opgemerkt:
124.Voor het stellen van de eis van aannemelijkheid van het bestaan van de rechtsbetrekking kan steun worden gevonden in de Europese Handhavingsrichtlijn en de daarop gevormde rechtspraak (…). Wij menen echter dat de door ons voorgestelde eis van voldoende belang de rechter een maatstaf biedt om aan de hand van de stellingen van de verzoekende partij te beoordelen of dit belang aanwezig is. Een
aparte eisvan voldoende aannemelijkheid van de door art. 843a Rv geëiste rechtsbetrekking (in het lE-recht: van de inbreuk) voegt daaraan niets toe. Dit is in zaken betreffende intellectuele eigendom in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad overweegt in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (
Synthon/Astellas), samengevat in r.o. 3.3.4, namelijk ‘dat de rechter bij zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in intellectuele-eigendomszaken in de toetsing van het “rechtmatig belang” de belangen van de verweerder dient te betrekken, waaronder diens belang dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar in het bijzonder ook om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is, ingeval de beweerde inbreuk niet voldoende aannemelijk is (…).’”
Semtex-arrest en de discussie gaat alleen over de vlag waaronder de toetsing op aannemelijkheid plaatsvindt. Mij lijkt de vlag van het arrest wat duidelijker en dus beter hanteerbaar voor de praktijk.
samenerop gericht te bewerkstelligen dat alléén recht op inzage bestaat als duidelijk is dat inzage op haar plaats is en dat het inzagerecht (dus) niet kan worden gebruikt voor
fishing expeditions. Asser merkt hierover m.i. terecht op:
fishing expeditionstegen te gaan. Met dit begrip wordt gedoeld op het misbruik maken van de regeling van het inzagerecht door te vissen naar informatie waarop geen recht bestaat. Bijvoorbeeld omdat een duidelijk verband tussen de verlangde informatie en een concrete vordering ontbreekt of omdat naar informatie wordt gezocht waarvan de verzoeker niet weet of die ook echt bestaat en de informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen. Om dergelijke
fishing expeditionste voorkomen, is rechterlijke toetsing van het inzageverzoek of de voorwaarden waaronder inzage wordt verstrekt, steeds mogelijk. De rechterlijke toets omvat de materiële voorwaarden waaronder een recht op inzage bestaat (zie hiervoor het voorgestelde artikel 194). Deze voorwaarden brengen mee dat zowel de aanspraak als het ontstane of potentiële geschil voldoende nauwkeurig moet kunnen worden geduid alsook het verband daartussen. Hierbij kan de rechter de aard van de verzochte informatie in zijn oordeelsvorming betrekken alsook de partij tegen wie het verzoek is gericht.” [33]
omdat[eiser] noch [de B.V.] daarbij contractspartij was. Het hof verwijst slechts naar het feit dat [eiser] noch [de B.V.] contractspartij is geweest bij de raam- en beëindigingsovereenkomst, als een onderdeel van de onderbouwing van zijn oordeel dat geen aanwijzingen bestaan dat de inhoud van de raam- en beëindigingsovereenkomst van belang is voor de uitleg van de koopovereenkomst, om welke uitleg het [eiser] bij de art. 843a Rv-vordering is te doen (zie hiervoor in 3.14).
fishing expedition, evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en is die conclusie niet onbegrijpelijk. [eiser] heeft immers naar de feitelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling van het hof niet voldoende gesteld om de verlangde inzage te kunnen rechtvaardigen.