Conclusie
eerstemiddel betreft de bewijsvoering van de feiten 1 en 2. Het
tweedemiddel betreft de bewijsvoering van feit 1. Het
derdemiddel betreft de bewijsvoering van feit 3. Het
vierdemiddel klaagt dat de aanvulling op het verkorte arrest niet is ondertekend. Het
vijfdemiddel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
feit 1 ((ZDE05)
4. Inleiding
5.Beoordeling van het bewijs
eerste instructiestaat, voor zover relevant, het volgende:
tweede instructiehoudt, voor zover relevant, een lijst van punten in die moeten worden besproken. Onder meer is te lezen:
derde instructiehoudt wederom een aantal aanwijzingen in verband met een aan te schaffen boot in. Meer in het bijzonder is te lezen:
) contant kan betalen (...) Ze mogen de boot geen seconde alleen laten zorg dat er altijd iemand aan boord is. [medeverdachte 7] weet waarom en wat er kan gebeuren als je hem alleen laat liggen. Bug (het hof begrijpt: een microfoon of zender
). En geen gebel naar familie in Holland (...) terwijl ze daar zijn. (...) Vraagt men bij vertrek in Praia waar ga je heen dankanaries(het hof begrijpt: de Canarische eilanden) is een goede richting. Geen van de mensen mag mee nemen een eigen G.M.S. vanuit Nederland. Alleen jou man heeft die sat telefoon en een schone nieuwe ongebruikte G.S.M. (...)’.
3 november 2022
1 Feit 1: voorbereiden/bevorderen Opiumwetfeiten
concreteinformatie ligt. Daar schort het nogal aan.
driedoorzoekingen geweest op de [bootnaam 1] – toen cliënt overigens al weg was – maar daarbij is
nooit een spoor van verdovende middelenaangetroffen. Bedenk daarbij dat de doorzoeking op 14 november 2014 plaatsvond in Horta – de Azoren dus, halverwege de Atlantische Oceaan. Er was dus geen verboden lading. Dat biedt toch daadwerkelijk steun aan een onschuldig scenario, wat er verder ook verdacht moge lijken.
gewetenen moet hebben
gewild.
concreteaanwijzingen er nu zijn. Het OM probeert de aankoop van de [bootnaam 1] in de sleutel van cocaïnetransporten te zetten door brieven van [medeverdachte 1] uit 2006-2007 daarop te projecteren. Dat is creatief, maar de vraag is over het kan overtuigen. Ik licht er enkele aspecten uit.
zijn volledige, officiële naam.
zijn eigen adresopgegeven, en ook dat is netjes in het contract vermeld (E02 p. 886).
Nu begrijp ik dat [alias medeverdachte 1] daarmee waarschijnlijk [verdachte] ’ bedoelde, waarbij natuurlijk, ook iemand van de andere betrokkenen in aanmerking zou kunnen komen.” Daaruit volgt sluitend dat [medeverdachte 1] [verdachte] niet heeft voorgesteld als zijn kleinzoon, maar dat de getuige achteraf
denktdat dit wel zo in elkaar zal zitten.
weerlegddoor bewijsmiddelen.
cliëntdaarvan op de hoogte was en dat ook
wilde. Dat mag natuurlijk niet worden aangenomen op basis van algemeenheden als ‘het kan niet anders dan dat hij het wist’.
aanwezigheid op belangrijke momenten(r.o. 3.2.2). Ten tijde van die aanwezigheid wijst niets op het voorbereiden van een van de genoemde strafbare feiten. Evenmin blijkt dat cliënt daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Want wat is nou concreet de bijdrage van cliënt die uit het dossier blijkt? Hij is mede-eigenaar van een boot geworden. Daarmee is rondgevaren in het Caribisch gebied, zoals talloze mensen doen. Als er al een misdadig plan was waar cliënt opzet op had, zou dit hooguit als consecutieve medeplichtigheid kunnen gelden (door middelen ter beschikking te stellen). Maar zelfs dat is niet aan de orde – bij de latere doorzoekingen, ook in Horta, midden in de Atlantische oceaan, is geen gram gevonden. Met slechts kleuring kan geen medeplegen worden geconstrueerd. Het is onvoldoende.
2.Feit 2: criminele organisatie (Opiumwet)
feit 3 (ZD E02)
5.3 Overwegingen ten aanzien van feit 3 (witwassen)
3 Feit 3: witwassen
van enig misdrijf afkomstig” is. Het OM stelt zich op het standpunt dat de [bootnaam 1] van misdrijf afkomstig is nu het niet anders kan dan dat de
koopsomvan misdrijf afkomstig is.
niet op voorhand [kan] worden geconcludeerd dat het geld waarover verdachte beschikte een criminele herkomst heeft” (vonnis, p. 6).
dathet is opgenomen.
witwasvermoeden. Daar kunnen we kort over zijn: het voorhanden hebben van een dergelijk contant geldbedrag kan dat vermoeden rechtvaardigen.
verklaringworden verlangd, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk is aan te merken. De Hoge Raad benadrukt dat de verdachte
niet aannemelijk hoeft te makendat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is; slechts de eisen die ik net noemde worden gesteld. Cliënt heeft naar behoren verklaard. Die verklaring is immers concreet, want wijst rechtstreeks de geldbron aan (erfenis van moeder), is
verifieerbaar, want cliënt wijst erop dat er stukken van zijn (bovendien is dat algemeen bekend bij erfenissen in Nederland) en legde die stukken zelfs over – zowel van de notaris als van de bank. Tot slot is de verklaring
niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk. Erfenissen zijn immers een heel normaal verschijnsel, en schenkingen van moeder aan zoon ook.
onderzoekte doen naar die verklaring. Daartoe is het OM ruimschoots in de gelegenheid geweest, want cliënt heeft zijn verklaring ca. vijf jaar geleden afgelegd, en naderhand zijn door mij de bovengenoemde stukken overgelegd (namelijk op 11 april 2019 ten behoeve van eventueel onderzoek). Toch heeft het OM nagelaten nader onderzoek te doen naar deze verklaring. Om dan nu te zeggen dat die verklaring niet concreet zou zijn (p. 22), mede omdat cliënt “
niet eens de datum [kan] noemen waarop deze gelden verkregen zijn”, vind ik een gotspe. Waarom zou je in hemelsnaam de datum onthouden waarop je ruim vier jaar geleden een geldbedrag ter beschikking kreeg? Het ontgaat me ook hoe het OM zich op het standpunt kan stellen dat de bankafschriften in plaats van steun bieden “
juist het tegendeel aanwijzen”. De kern is dat cliënt ruimschoots aan zijn verplichtingen in het kader van de witwasjurisprudentie heeft voldaan.
van enig misdrijf afkomstig” – de kern van het verwijt – kan niet worden bewezen.
het door [medeverdachte 2] betaalde gedeeltevan enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank heeft hierover overwogen dat voor dit deel van het geld geen verklaring is afgelegd die voldoet aan de eisen uit de witwasjurisprudentie. Cliënt heeft hierover echter wel verklaard. Hij gaf aan dat hij dit geldbedrag niet gek vond, dat hij niet beter wist dan dat het geld was uit [medeverdachte 2] arbeid en dat [medeverdachte 2] bovendien eerder een boot met winst zou hebben verkocht. Op de zitting gisteren is een document aan het dossier gevoegd waaruit kan volgen dat [medeverdachte 5] vanuit o.a. de verkoop van een sloep kon beschikken over geld, waarvan hij – naar hij stelt – vervolgens € 7.000,- naar zijn zoon [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Ook dit is weer een aanwijzing dat [medeverdachte 2] legitiem over geld kon beschikken. Hoe dan ook, er is geen bewijs dat het geld van [medeverdachte 2] uit enig misdrijf afkomstig was.
weten of vermoedendat dat deel uit misdrijf afkomstig zou zijn? Daar is geen bewijsmiddel voor. Bovendien had cliënt zelf ook een groot geldbedrag op legale wijze voorhanden. Het is daarnaast ook niet zo dat in het maatschappelijk verkeer men elkaars inkomstenbronnen moet controleren. Pas
als het niet anders kandan dat het geld uit misdrijf afkomstig is én cliënt dat ook
wist of moest vermoeden, komt strafrechtelijke aansprakelijkheid in beeld. Beide omstandigheden doen zich (ook) ten aanzien van het andere deel van de koopsom niet voor.