ECLI:NL:PHR:2025:1077

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
5 oktober 2025
Zaaknummer
23/02878
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van de zaak wegens ontoereikende motivering van de bewezenverklaring van rijden onder invloed

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1987, veroordeeld door het gerechtshof Den Haag voor het rijden onder invloed van cannabis, in strijd met artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft cassatie ingesteld tegen deze veroordeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, heeft in zijn conclusie het middel van cassatie besproken, dat zich richt tegen de bewezenverklaring van het hof. Het hof had geoordeeld dat de bloedmonsters van de verdachte 'zo spoedig mogelijk' bij het laboratorium waren bezorgd, maar de verdediging betwistte dit. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het hof onvoldoende concrete vaststellingen heeft gedaan over de wijze van bewaren en transport van de bloedmonsters. De tijdsduur tussen de bloedafname en de ontvangst door het laboratorium was 28 dagen, wat aanleiding geeft tot twijfels over de naleving van de wettelijke vereisten. De Procureur-Generaal stelt voor om de uitspraak van het hof te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het gerechtshof voor een nieuwe behandeling. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, maar dat hieraan op dit moment geen consequenties worden verbonden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02878
Zitting7 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 10 juli 2023 door het gerechtshof Den Haag [1] wegens "overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring. Meer specifiek wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) is nageleefd, waarin – kort gezegd – is bepaald dat de bij de verdachte afgenomen bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ bij het laboratorium moeten worden bezorgd. Dat oordeel zou onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, zijn.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 5 juli 2019 te [plaats] een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 14 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de “Aantekening mondeling arrest”, waarnaar ik hier verwijs.
2.4
De “Aantekening mondeling arrest” bevat de volgende bewijsoverwegingen:

Nadere overweging
Juridisch kader artikel 13 Besluit
Om tot een bewezenverklaring te komen van een feit waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet moet onder meer kunnen worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een 'onderzoek' als bedoeld in dat artikel. Van een dergelijk onderzoek is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952). Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek (zie HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684).
De achterliggende strekking van het vereiste dat het bloedmonster door de opsporingsambtenaar "zo spoedig mogelijk" (artikel 13 lid 1 en onder aanhef Besluit) moet worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit, is gelegen in het voorkomen van bederf en/of verwisseling van de bloedmonsters (zie ook de Conclusie van de Advocaat-generaal Harteveld over de wetsgeschiedenis van art. 13 van het Besluit, ECLI:NLPHR:2020:745, Parket bij de Hoge Raad 19/044315).
De wetgever heeft toentertijd volstaan met het vereiste zo spoedig mogelijk en in de bedoelde bepaling is wat betreft deze fase van het bloedonderzoek geen harde termijn gesteld. De beoordeling of aan het voorschrift van de zo spoedig mogelijke bezorging is voldaan, is aan de feitenrechter, die daarbij acht kan slaan op de omstandigheden van het geval.
Uit het schrijven d.d. 26 maart 2021 van [onderzoeker] , forensisch onderzoeker toxicologie werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, volgt dat de bewaarcondities van "bloedblokken" op de politiebureaus per 1 januari 2019 zijn veranderd en dat de bewaarcondities van "bloedblokken" naar het laboratorium (waar onderzoek wordt gedaan) per 1 maart 2019 zijn veranderd. In het schrijven staat immers onder meer het volgende:
"Rijgevaarlijke stoffen hebben een beperkte stabiliteit in het bloed. Dit betekent dat rijgevaarlijke stoffen in de bloedbuis (gedeeltelijk) afgebroken kunnen worden. De ene stof breekt sneller af dan de andere, en sommige stoffen breken niet of nauwelijks af. Afbraak van stoffen vindt bij hogere temperaturen sneller plaats dan bij lagere temperaturen. In de vriezer (circa -20°C) zijn de stoffen het meest stabiel: eventueel aanwezige alcohol, drugs en medicijnen in bloed blijven minimaal 6 maanden stabiel bij opslag in de vriezer. Onder die condities hebben een eventueel vertraagde aflevering bij het laboratorium of een vertraagde start van het onderzoek na aflevering geen invloed op de resultaten van het onderzoek" (...) “Om afbraak van stoffen te voorkomen, wordt het bloed in de vriezer opgeslagen conform de bijlage bij de Regeling alcohol, druks en geneesmiddelen in het verkeer (...) Sinds 1 januari 2019 wordt het bloed door de politie in vriezers opgeslagen tot het moment van transport naar de laboratoria. Tevens wordt het bloed sinds 1 maart 2019 in de vriezer getransporteerd van de politie naar de laboratoria. Indien een vervolgtransport nodig is naar een tweede laboratorium vindt het transport eveneens plaats in de vriezer. (...) De term ‘zo spoedig mogelijk' (hof: als neergelegd in het in het Besluit artikel 13 lid 1) is opgenomen omdat opslag bij de politie vóór 1 januari 2019 plaatsvond bij kamertemperatuur en het transport vóór 1 maart 2019 eveneens plaatsvond bij kamertemperatuur, en men de kans op afbraak van rijgevaarlijke stoffen in het bloed onder deze condities (...) wilde voorkomen. (...) Tegenwoordig vinden deze opslag en transport (zoals eerder beschreven) plaats in de vriezer en zijn er geen gevolgen voor het bloed indien het langer duurt voordat het bezorgd wordt bij het laboratorium, tot 6 maanden. Indien de bezorging langer duurt dan 6 maanden, is het niet uit te sluiten dat afbraak plaats heeft gevonden van rijgevaarlijke stoffen in het bloed, hetgeen, altijd in het voordeel van de verdachte is. Een toename van stoffen in het bloed is niet mogelijk".
Gelet op het rapport drugs in het verkeer d.d. 20 augustus 2019 van Labor Mönchengladbach stelt het hof vast dat de bloedmonsters op 2 augustus 2019 door het laboratorium zijn ontvangen alwaar het bloed voor en na, de analyse werd bewaard bij een temperatuur van -20 graden Celsius. Voorts houdt het proces-verbaal rijden onder invloed van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 10 september 2019 in dat eerstgenoemde verbalisant zich ervan heeft vergewist dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden zijn naar het eerder genoemde laboratorium.
Naar het oordeel van het hof kan uit het voorgaande voldoende concreet worden afgeleid dat het bij de verdachte afgenomen bloed steeds bij een temperatuur van -20 graden Celsius is bewaard en vervolgens vervoerd naar het laboratorium. Daaruit volgt dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname zo goed als afwezig is geweest. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verzending van het afgenomen bloed 'zo spoedig mogelijk' en daarmee in overeenstemming met artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit heeft plaatsgevonden.
Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat er door het ontbreken van enige voortvarendheid in de procedure sprake is geweest van een verwisseling van de monsters is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van enig vermoeden van verwisseling.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”
2.5
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 WVW 1994, om welke reden moet worden aangenomen dat het daarin voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel in die bepaling heeft.
2.6
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bepalingen van belang, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Artikel 8 lid 5 WVW 1994:
“5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
Artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit (geldig tot 1 juli 2022):
“1. Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
(…)
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
2.7
Voorts is relevant hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1699, heeft overwogen, waarin het zijn rechtspraak over artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit heeft samengevat:
“2.4.1 Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen.
2.4.2
Tot deze waarborgen behoort onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit, dat inhoudt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden. (Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684.)
2.4.3
Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de verzending van het buisje of de buisjes met bloed – hierna ook: het bloedmonster – in het concrete geval zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden (vgl., in verband met artikel 8 lid 2, onder b, (oud) WVW 1994, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206).
2.5.1
De rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag of de verzending van het bloedmonster zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden, ziet met name op gevallen waarin de feitenrechter het bestanddeel ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 heeft bewezenverklaard, en waarbij in cassatie namens de verdachte wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring van dat bestanddeel. Uit deze rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de rechter in de regel, ook zonder nadere vaststellingen over de wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het transport naar het laboratorium is bewaard, mag aannemen dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden als het bloedmonster binnen acht dagen na de dag van de bloedafname is bezorgd bij het laboratorium (vgl. onder meer de rechtspraak genoemd in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.10).
2.5.2
Recente rechtspraak van de Hoge Raad ziet daarnaast op het specifieke geval waarin – toen nog vooruitlopend op een wijziging van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit die met ingang van 1 juli 2022 heeft plaatsgevonden (Stb. 2022, 77) – een werkwijze is gevolgd waarbij het bloedmonster is bewaard en vervoerd in een vriezer bij -20°C. In zo’n geval komt, bij de beantwoording van de vraag of de verzending van het bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden, betekenis toe aan de wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de consequenties van die bewaarwijze voor de frequentie waarmee verzending mogelijk is. Als de rechter - aan de hand van de inhoud van het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting - vaststelt dat, gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname zo goed als afwezig is, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567.) Dat kan met zich brengen dat ook een tijdsverloop groter dan acht dagen nog als ‘zo spoedig mogelijk’ mag worden aangemerkt. In een dergelijk geval, waarin dus de wijze van bewaren van het bloedmonster een belangrijke rol speelt, is de rechter als hij tot een bewezenverklaring komt, gehouden om concrete vaststellingen te doen over de wijze van bewaren van het bloed na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium (vgl. HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853).”
2.8
In de onderhavige zaak houden de overwegingen van het hof in dat (i) de algemene werkwijze sinds 1 januari 2019 respectievelijk 1 maart 2019 is dat bloedblokken bij een temperatuur van -20 graden Celsius op het politiebureau worden bewaard en naar het laboratorium worden vervoerd, dat (ii) [verbalisant 1] zich ervan heeft vergewist dat de op 5 juli 2019 afgenomen bloedmonsters van de verdachte overeenkomstig het bepaalde in het Besluit zijn verzonden naar het laboratorium, dat (iii) de bloedmonsters van de verdachte op 2 augustus 2019 door het laboratorium zijn ontvangen en dat (iv) de bloedmonsters van de verdachte na ontvangst door het laboratorium zijn bewaard op een temperatuur van -20 graden Celsius. Uit dat samenstel heeft het hof afgeleid dat het bij de verdachte afgenomen bloed steeds bij een temperatuur van -20 graden Celsius is bewaard en vervolgens vervoerd naar het laboratorium, als gevolg waarvan het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname zo goed als afwezig is geweest. Op basis daarvan is het hof tot het oordeel gekomen dat de bezorging van het afgenomen bloed aan het laboratorium, in overeenstemming met artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit, ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden.
2.9
Het hof heeft zich bij zijn vaststellingen over de wijze van bewaren van de bloedmonsters van de verdachte op het politiebureau en tijdens het vervoer naar het laboratorium, gebaseerd op het schrijven van de bij het NFI werkzame forensisch onderzoeker toxicologie [onderzoeker] van 26 maart 2021 en het proces-verbaal rijden onder invloed van [verbalisant 1] van 10 september 2019. Het schrijven van [onderzoeker] betreft een beschrijving van een algemene werkwijze voor het bewaren en vervoeren van bloedblokken, waaruit niet volgt dat die werkwijze in dit geval ook daadwerkelijk is gehanteerd. [2] Ook uit het proces-verbaal rijden onder invloed blijkt onvoldoende concreet op welke wijze de bloedmonsters van de verdachte zijn bewaard en vervoerd. [3] Daarmee heeft het hof geen concrete vaststellingen gedaan over de wijze van bewaren van het bloed na afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium, waartoe het wel gehouden was bij het betrekken van die omstandigheden bij zijn oordeel dat de bezorging van de bloedmonsters van de verdachte aan het laboratorium ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. In zoverre is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is mede van belang dat het in deze zaak gaat om een tijdsverloop van 28 dagen tussen de afname van het bloed en de ontvangst daarvan door het laboratorium, waardoor het hof niet reeds op grond daarvan, zonder het doen van nadere vaststellingen, tot het oordeel had kunnen komen dat de verzending van het bloed ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden.
2.1
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Afronding

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 24 juli 2023. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden. Vanwege de voorgestelde wijze van afdoening hoeven daar op dit moment evenwel geen consequenties aan te worden verbonden.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 22-001150-22.
2.Vgl. HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1021, rov. 3.2 (verwijzing naar CAG) en HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, rov. 2.5.1 en 2.5.2.
3.Blijkens de aan HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, voorafgegane conclusie van AG Hofstee, ECLI:NL:PHR:2022:985, had het hof in die zaak een zelfde (standaard)passage uit een proces-verbaal betrokken bij het oordeel dat het bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ bij het laboratorium was bezorgd. Zie de laatste zin onder randnummer 21.