Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Nadere overweging
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is de verdachte, geboren in 1987, veroordeeld door het gerechtshof Den Haag voor het rijden onder invloed van cannabis, in strijd met artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft cassatie ingesteld tegen deze veroordeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, heeft in zijn conclusie het middel van cassatie besproken, dat zich richt tegen de bewezenverklaring van het hof. Het hof had geoordeeld dat de bloedmonsters van de verdachte 'zo spoedig mogelijk' bij het laboratorium waren bezorgd, maar de verdediging betwistte dit. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het hof onvoldoende concrete vaststellingen heeft gedaan over de wijze van bewaren en transport van de bloedmonsters. De tijdsduur tussen de bloedafname en de ontvangst door het laboratorium was 28 dagen, wat aanleiding geeft tot twijfels over de naleving van de wettelijke vereisten. De Procureur-Generaal stelt voor om de uitspraak van het hof te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het gerechtshof voor een nieuwe behandeling. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, maar dat hieraan op dit moment geen consequenties worden verbonden.