ECLI:NL:PHR:2025:1115
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot aanwijzing ander gerecht voor vervolging rechterlijke ambtenaren landelijk parket
In deze zaak heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam een verzoek ingediend bij de Hoge Raad op grond van art. 510 Sv Pro om een ander gerecht aan te wijzen dan de rechtbanken Rotterdam en Amsterdam voor de mogelijke vervolging en berechting van rechterlijke ambtenaren, merendeels werkzaam bij het landelijk parket.
De aangifte betreft vermeende strafbare feiten zoals schending van geheimen (art. 272 Sr Pro) en valsheid in geschrifte, gepleegd door onder meer een officier van justitie verbonden aan het landelijk parket. De aangevers wijzen ook op het niet-sanctioneren van schendingen door rechters-commissarissen en het niet vernietigen van geheimhoudingsmateriaal.
De procureur-generaal concludeert dat het verzoek ontvankelijk is en zich leent voor toewijzing, waarbij de rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt aanbevolen als het gerecht dat de vervolging en berechting zal uitvoeren. Dit om de schijn van bevoordeling of benadeling te vermijden, conform de strekking van art. 510 Sv Pro.
Er wordt benadrukt dat de aanwijzing geen oordeel inhoudt over het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld, maar slechts dient ter waarborging van een onafhankelijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
De procedure is complex vanwege de onbepaaldheid van de aangifte en de betrokkenheid van meerdere rechterlijke ambtenaren binnen verschillende ressorten, waarbij het verzoek zich beperkt tot rechterlijke ambtenaren en niet tot parketsecretarissen of justitiemedewerkers.
Uitkomst: De procureur-generaal adviseert de Hoge Raad de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan te wijzen voor vervolging en berechting van de rechterlijke ambtenaren.