ECLI:NL:PHR:2025:1123
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verstrekking indexeringspercentages en onderbouwing onder art. 40(2) Wet WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en verzocht om verstrekking van de onderbouwing van de gehanteerde indexering. De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht voldeed niet volledig aan dit verzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel, waarbij het hof oordeelde dat indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan niet onder art. 40(2) Wet WOZ vallen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze gegevens wel verstrekt moeten worden, mede vanwege het 'black box'-karakter van de rekenmodellen. De Procureur-Generaal adviseerde de Hoge Raad echter om het beroep ongegrond te verklaren, stellende dat de gegevens die onder art. 40(2) Wet WOZ vallen beperkt zijn tot de gegevens vermeld in het taxatieverslag en de secundaire objectkenmerken van woningen.
De conclusie bevat tevens een nadere illustratie van de problematiek rond de afbakening van de gegevens die verstrekt moeten worden, waarbij wordt gewezen op de risico’s van doorvragen bij verstrekking van onderliggende data en het belang van concreet onderzoek naar de werking van gebruikte taxatiemodellen. Het hof verwees voor zijn oordeel naar een eerdere uitspraak van 23 april 2024, waarbij werd vastgesteld dat indexeringspercentages en hun onderbouwing niet tot de toezendplicht behoren.
De Hoge Raad volgt deze lijn en verklaart het cassatieberoep ongegrond, waarmee het oordeel van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd dat indexeringspercentages en hun onderbouwing niet onder art. 40(2) Wet WOZ vallen.