De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning per 1 januari 2020 vast op €556.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
In hoger beroep stond centraal of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ had geschonden door niet alle onderbouwende marktgegevens te verstrekken. Het hof oordeelde dat de taxatiematrix en de toelichting door de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk maken dat de waarde niet te hoog is. De vergelijkingsobjecten [adres1] 11 en 14 zijn het meest geschikt gebleken.
Daarnaast stelde het hof vast dat de indexeringspercentages en de onderliggende gegevens niet onder de toezendplicht vallen, zodat geen schending is van artikel 40, lid 2. Hierdoor is ook geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.