ECLI:NL:PHR:2025:1127
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over reikwijdte en toepassing art. 40(2) Wet WOZ en proceskostenvergoeding
In deze zaak staat centraal de uitleg van het begrip “de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde” in art. 40(2) Wet WOZ, met name of VvE-reservecorrecties hieronder vallen. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een WOZ-beschikking en verzocht om verstrekking van KOUDVL- en VvE-reservecorrecties, welke niet werden verstrekt. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar art. 40(2) Wet WOZ had geschonden door KOUDVL-correcties niet te verstrekken, maar passeerde deze schending met toepassing van art. 6:22 Awb Pro omdat belanghebbende niet was benadeeld. Over VvE-reservecorrecties liet het Hof het oordeel open, omdat ook bij schending die schending zou worden gepasseerd.
Belanghebbende stelde twee cassatiemiddelen voor: dat het Hof ten onrechte de schending van art. 40(2) Wet WOZ buiten beschouwing liet en dat een schending van dit artikel nooit kan worden gepasseerd met art. 6:22 Awb Pro. De Procureur-Generaal concludeert dat VvE-reservecorrecties niet onder art. 40(2) Wet WOZ vallen, waardoor middel I faalt. Middel II faalt deels, omdat het toepassen van art. 6:22 Awb Pro op de grond dat belanghebbende ook andere klachten had aangevoerd terecht was, maar slaagt voor zover het betreft de proceskostenvergoeding.
De conclusie is dat het Hof ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende ondanks de geconstateerde schending van art. 40(2) Wet WOZ. De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep in cassatie gegrond te verklaren en alsnog proceskosten en griffierecht toe te kennen voor de procedures bij Hof en Rechtbank.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en belanghebbende krijgt alsnog proceskosten en griffierecht toegekend.