ECLI:NL:PHR:2025:1131

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
23/03006
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de rechtmatigheid van binnentreden en strafmotivering bij witwassen

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1963, veroordeeld voor witwassen door het gerechtshof Den Haag. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 8 weken en de in beslag genomen voorwerpen, waaronder € 18.950,- en een vals bankbiljet, werden verbeurd verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdediging, vertegenwoordigd door advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, die twee middelen van cassatie hebben voorgesteld. De kern van de zaak betreft de rechtmatigheid van het binnentreden door opsporingsambtenaren en de motivering van de opgelegde straf.

De politierechter had in eerste aanleg geoordeeld dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim, omdat het binnentreden in de woning onrechtmatig zou zijn geweest. Het hof oordeelde echter dat aan de voorwaarden van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering was voldaan, waardoor er geen sprake was van een vormverzuim. In cassatie werd geklaagd over dit oordeel en de strafmotivering. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

De zaak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging van de rechtmatigheid van opsporingshandelingen en de gevolgen daarvan voor de procesrechten van de verdachte. De Hoge Raad bevestigt dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde kan zijn bij ernstige schendingen van rechtsbeginselen en dat de motivering van de straf in lijn moet zijn met de bewezenverklaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03006
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 24 juli 2023 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-001780-22) wegens “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken. Het hof heeft daarnaast de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 18.950,- en een vals bankbiljet, verbeurd verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Opsporingsambtenaren zijn een woning binnengetreden en hebben een geldbedrag van € 18.950,- en een vals bankbiljet in beslag genomen. In eerste aanleg heeft de politierechter geoordeeld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, omdat het binnentreden in de woning op grond van art. 96 Sv onrechtmatig zou zijn. De politierechter heeft de voorwerpen die in de woning zijn gevonden op die grond uitgesloten van het bewijs en de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen. In hoger beroep heeft het hof, na te hebben geoordeeld dat aan de voorwaarden van art. 96 Sv is voldaan en dat daarom geen vormverzuim is begaan, de verdachte veroordeeld wegens witwassen. In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van hof dat geen sprake is van een vormverzuim. Daarnaast wordt geklaagd over de strafmotivering.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer dat onvoldoende verdenking bestond om de woning binnen te treden op grond van art. 96 Sv.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 mei 2021, te [plaats] , een geldbedrag van in totaal €
18.950,-,voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte wist, dat
dit geldbedrag– onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
“1. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 11 mei 2021 van de politie Eenheid Rotterdam […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Door leden van het Flexteam [plaats] werd op 23 maart 2021 [betrokkene 1] aangehouden. [betrokkene 1] bleek op zijn lichaam een blok cocaïne te dragen met een nettogewicht van 266,8 gram. Tijdens de voorgaande observatie was gezien dat [betrokkene 1] door de inzittende(n) van een Renault Clio voorzien van het Nederlandse [kenteken] bij de woning was afgezet.
Op 14 april 2021 werd de Renault Clio gezien. De bijrijder stapte uit en liep met een gevulde rugtas naar de [a-straat] te [plaats] waar hij contact maakte met een onbekend gebleven man. Nadat de bijrijder en de onbekend gebleven man een schudrondje hadden gelopen verdwenen ze op de [a-straat] in een woning met vermoedelijk [huisnummers] . Na circa een half uur zagen de leden dat de bijrijder uit een woning kwam, en dat hij de rugzak niet meer in zijn bezit had.
Op 7 mei 2021 werd de Renault Clio gecontroleerd. De bestuurder bleek aan doelgroep Top Albanese Criminelen gekoppeld.
Op 11 mei 2021 zijn de verbalisanten naar de [a-straat] te [plaats] gegaan. De bewoonster van [a-straat 1] verklaarde: “Ik hoor vaak van mijn buurvrouw dat er op de woning boven haar andere gasten komen dan die er staan ingeschreven. Ook in de nachtelijke uren gebeuren daar dingen. De woning is [a-straat 2] ”.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] belden aan bij [a-straat 2] en hoorden iemand in de woning lopen. De deur werd, na diverse malen bellen en kloppen, niet geopend.
[verbalisant 3] had zicht op de achterzijde van de woning. Nadat [verbalisant 1] had aangebeld, zag hij een man op het balkon verschijnen. Hij zag dat de man schichtig rondkeek en vervolgens weer naar binnen ging en de balkondeur sloot.
[verbalisant 3] gaf zijn bevindingen door aan [verbalisant 1] . Hierop hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] nogmaals geklopt en aangebeld en geroepen dat zij van de politie waren.
[verbalisant 3] zag dat de man vervolgens het gordijn, dat voor de deur hing, dicht deed. Hij zag dat de man de balkondeur opende, dat hij hierbij gehurkt zat en dat hij ‘iets’ weglegde op het balkon naast de deur.
[verbalisant 1] heeft vervolgens via het balkon van de buren, op het balkon van woning [a-straat 2] naast de balkondeur een blauwe stoffen tas zien liggen.
In de woning werd aangetroffen: [verdachte] .
Op het balkon werd aangetroffen en in beslag genomen op grond van artikel 94 lid 1 Wetboek van Strafvordering: een blauwe tas met twee pakketten geld verpakt in folie.
2. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 11 mei 2021 van de politie Eenheid Rotterdam […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:
Kennisgeving van inbeslagneming
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 2] [plaats]
Datum en tijd: 11 mei 2021 te 10.33 uur
Object: geld (biljetten)
Totale hoeveelheid: 18950 EUR
3.
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 11 mei 2021 van de politie Eenheid Rotterdam […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:
Kennisgeving van inbeslagneming
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 2] [plaats]
Datum en tijd: 11 mei 2021 te 12.40 uur
Omstandigheden: Aangetroffen bij een grotere stapel cash geld. Bij de
betaalvoorziening op het politie bureau […] wordt dit biljet niet
geaccepteerd. Mogelijk een vals biljet.
Object: geld (biljetten)
Totale hoeveelheid: 50 EUR”
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2023 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor:
Deze zaak scharniert rondom de rechtmatigheid van het binnentreden. In het kader van de Opiumwet is daartoe een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voldoende, dus geen ernstige bezwaren of wettig en overtuigend bewijs. Ik verwijs naar het proces−verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] van 11 mei 2021, waaruit iedere zinnige politieagent een redelijk vermoeden zal kunnen afleiden. Alles bij elkaar genomen was er dus sprake van een redelijk vermoeden als bedoeld in de Opiumwet. Sterker nog, reeds op grond van artikel 3 van de Politiewet bestond er op basis van de gebeurtenissen na het aanbellen voldoende grondslag voor een onderzoek in de woning: de eerdere connectie tussen Albanezen en verdovende middelen, een kennelijke spookwoning en de observatie dat de verdachte probeert iets weg te moffelen op het balkon als hij merkt dat de politie er is. De politie heeft vervolgens een last tot binnentreden gevraagd, gelet op voornoemd redelijk vermoeden van schuld van overtreding van de Opiumwet of een ander strafbaar feit. Primair is het standpunt dus dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, er aldus rechtmatig is binnengetreden en geen bewijsuitsluiting als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te volgen.
Subsidiair dient te worden bezien wat de consequentie zou moeten zijn, als mijn standpunt over dit redelijk vermoeden niet door uw hof wordt gevolgd. Ik kom dan tot de conclusie dat zou kunnen worden volstaan met een enkele constatering dat sprake is van een vormverzuim. Er is immers met de enkele schending van artikel 8 EVRM nog geen sprake van een schending van artikel 6 EVRM. Bovendien is geen sprake van een zware schending van artikel 8, omdat de inbreuk op het huisrecht licht is nu het niet de woning van de verdachte was waar is binnen getreden. Maar, nogmaals, voor bewijsuitsluiting dient toch echt artikel 6 EVRM te zijn geschonden en daarvan is geen sprake. De verdachte heeft immers vanaf het begin de kans gekregen om bezwaren in te dienen tegen de verdenking. Ook strafvermindering is op basis van de belangenafweging die artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering vraagt, niet aan de orde. Subsidiair stel ik mij dan ook op het standpunt dat indien uw hof toch van oordeel is dat sprake is van een vormverzuim, bewijsuitsluiting niet in beeld komt maar uw hof zal kunnen volstaan met een constatering […]
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging.
Ik verzoek uw hof het vonnis te bevestigen. De crux zit hem in de vraag of hetgeen de politie relateert voldoende is voor toepassing van de bevoegdheid als genoemd in artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering. Ik meen stellig van niet. In het proces-verbaal van bevindingen ontbreken immers alle brondocumenten en wordt niet gemotiveerd of onderbouwd om welk strafbaar feit het zou moeten gaan. Er was dus onvoldoende aanleiding om de instap te maken. Ik neem deze kort met u door. Op 14 april 2021 is een auto gezien, mogelijk gerelateerd aan het aantreffen van verdovende middelen op 23 maart 2021. Is dat voldoende om een maand later, op 11 mei 2021, te gaan kijken bij de woning? Nee, de reden om aan te bellen is te dun, in welk licht ik u er ook op wijs dat zonder onderbouwing wordt gerelateerd dat kennelijk een Albanese man wordt gezien. Uiteindelijk zou het tasje op het balkon plaatsen toch een redelijk vermoeden van schuld opleveren, volgens het openbaar ministerie. Met de politierechter meen ik dat artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering onder deze uiterst dunne omstandigheden niet als vangnet kan gelden en aldus niet van toepassing zou moeten zijn.
Wat zal hiervan de consequentie moeten zijn? De politierechter heeft dit uitgebreid gemotiveerd en het wordt niet anders door de opmerking van de advocaat-generaal over artikel 6 EVRM.
Bewijsuitsluiting zal moeten volgen. In dit verband wil ik nog opmerken dat de rechten en plichten van de verdachte onjuist aan hem zijn voorgehouden. Op het moment dat de instap is gedaan en het geld op het balkon is gevonden, wordt gevraagd of de rest van de woning mag worden bekeken. Dan ligt er al een verdenking van witwassen.
Als uw hof vaststelt dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM en artikel 6 EVRM, dan kan niet betoogd worden dat het vormverzuim beperkt is. Nogmaals, een dusdanige schending levert bewijsuitsluiting op, met als enige juiste conclusie: vrijspraak, gelet op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. […]”
3.5
Het hof heeft het door de raadsvrouw gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, evenals in eerste aanleg, zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging - kort gezegd - aangevoerd dat geen voldoende verdenking bestond voor uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering en daarmee om de machtiging tot binnentreden van de woning af te geven. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, waardoor de rechten van de verdachte zoals opgenomen in artikelen 8 EVRM en 6 EVRM zijn geschonden, wat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen in de woning is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Bewijsuitsluiting kan − in het geval dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim − uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Of bewijsuitsluiting in een concreet geval de aangewezen sanctie is, dient te worden beoordeeld op grond van de beoordelingsfactoren van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft voorts in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5321) overwogen dat bewijsuitsluiting noodzakelijk kan zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Hierbij geldt dat een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces en dat aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd.
Het hof dient voorafgaand aan voornoemde beoordeling van de aangewezen sanctie eerst te beoordelen of in het onderhavige geval sprake is geweest van een vormverzuim. Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2021 is onder meer het volgende gebleken ter zake de aanleiding van het afgeven van de machtiging tot binnentreden. Op 23 maart 2021 is door het Flexteam [plaats] een man aangehouden terwijl hij een blok cocaïne op zijn lichaam droeg. Gedurende de hieraan voorafgaande observatie werd gezien dat deze man werd afgezet door een Renault Clio met [kenteken] . Op 14 april 2021 werd deze Renault Clio opnieuw gezien. De bijrijder verliet de auto met een gevulde rugtas, liep een zogeheten ‘schudrondje’ met een onbekend gebleven man en ging naar binnen in een woning aan de [a-straat] , vermoedelijk [huisnummers] , te [plaats] . Hij verliet de woning zonder de rugtas. Op 7 mei 2021 werden de inzittenden van dezelfde Renault Clio gecontroleerd en bleek één van de inzittenden een link te hebben met de doelgroep Top Albanese Criminelen.
Een en ander heeft ertoe geleid dat de politie onderzoek heeft ingesteld in het desbetreffende portiek aan de [a-straat] . De bewoonster van [a-straat 1] heeft de politie vervolgens verwezen naar de woning op [a-straat 2] in hetzelfde portiek. Nadat de politie daar had aangebeld, hoorde zij iemand in die woning lopen. Vervolgens werd er door de politie nogmaals diverse keren aangebeld en geklopt, maar de deur van de woning werd niet geopend.
[verbalisant 3] heeft vanuit een positie aan de achterzijde van de woning, zo blijkt uit het proces-verbaal, gezien dat de verdachte op het balkon verscheen, schichtig rondkeek, weer naar binnen ging en de balkondeur en de gordijnen sloot. Nadat de politie opnieuw had aangebeld en geklopt en zich als politie kenbaar had gemaakt, zag [verbalisant 3] dat de verdachte “gehurkt zat en dat hij ‘iets’ weglegde op het balkon naast de deur”. [verbalisant 1] heeft vanaf een naastgelegen balkon op het balkon van de woning met [a-straat 2] een blauwe stoffen tas zien liggen.
Gelet op al deze omstandigheden is door de hulpofficier van justitie een machtiging binnentreden op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering afgegeven ter inbeslagname van “geld/verdovende middelen”. Na het afgeven van deze machtiging heeft [verbalisant 1] zoekend rondgekeken in de woning en de desbetreffende tas op het balkon in beslag genomen. In de tas zaten twee pakketten geld, verpakt in folie. Volgens de verdachte betrof het in totaal € 19.000,- aan contanten.
Het hof is, alle feiten en omstandigheden van het geval in samenhang bezien, van oordeel dat er aan de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid als genoemd in artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering was voldaan, dat de machtiging daarmee op de juiste gronden is afgegeven en dat er derhalve geen sprake is van een vormverzuim. Het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer van de verdediging kan hierdoor niet slagen.
Het hof verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.”
3.6
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer de rechter tot het oordeel komt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv moet hij beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verboden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Bij deze beoordeling moet de rechter rekening houden met de factoren genoemd in het tweede lid van art. 359a Sv. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt ook dat op de verdediging een verantwoordelijkheid rust om aan de hand van die factoren te motiveren tot welk rechtsgevolg de rechter zou moeten komen bij de sanctionering van een vormverzuim. Alleen als het verweer van de verdediging aan deze stelplicht voldoet, is de rechter gehouden een gemotiveerde beslissing hierop te geven. [1]
3.7
Verder geldt dat bewijsuitsluiting als rechtsgevolg is aangewezen in twee gevallen. Ten eerste wanneer dit noodzakelijk is ter verzekering van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Daarnaast als niet een schending van art. 6 EVRM aan de orde is, maar als door onrechtmatige bewijsvergaring sprake is van een ernstige schending van een ander belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel en bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. [2] Een schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in art. 8 EVRM brengt niet zonder meer – in feite zelfs: slechts bij uitzondering – een inbreuk mee op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. [3]
3.8
Over verweren strekkende tot bewijsuitsluiting nog het volgende. De onder 3.6 weergegeven stelplicht lijkt minder streng wanneer meteen duidelijk is dat de procesrechten van de verdachte hebben geleden onder het vormverzuim. Zo oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin de verdachte voorafgaand aan het verhoor geen cautie had gekregen dat van de verdediging niet werd verwacht dat zij nader zou toelichten waarom het verzuim zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. [4] Voor bewijsuitsluitingsverweren die geen verband houden met schendingen van art. 6 EVRM, gelden de onder 3.6 uiteengezette eisen wel steeds. [5]
3.9
In het onder 3.4 weergegeven verweer verwijst de raadsvrouw naar de motivering van de politierechter als antwoord op de door haarzelf gestelde vraag welke consequentie aan het vormverzuim moet worden verbonden. De raadsvrouw stelt ook dat het niet anders wordt door de opmerking van de advocaat-generaal over art. 6 EVRM, waarmee zij kennelijk doelt op de opmerking dat “met de enkele schending van artikel 8 EVRM nog geen sprake van een schending van artikel 6 EVRM” is en dat “voor bewijsuitsluiting […] toch echt artikel 6 EVRM [dient] te zijn geschonden en daarvan is geen sprake”. Zij licht echter niet toe waarom deze opmerkingen van de advocaat-generaal – die in lijn liggen met het onder 3.6 en 3.7 geschetste kader – niet opgaan. Ter onderbouwing van het standpunt dat bewijsuitsluiting het aangewezen rechtsgevolg is, stelt de raadsvrouw wel dat de rechten en plichten van de verdachte onjuist aan hem zijn voorgehouden, nu – nadat is binnengetreden en het geld is gevonden en een verdenking van witwassen is ontstaan – aan de verdachte is gevraagd of de rest van de woning mag worden bekeken. Het verweer houdt niet in wat het belang van het geschonden voorschrift is (waarbij zij kennelijk het oog heeft op art. 96 Sv), wat de ernst van het verzuim is en wat het veroorzaakte nadeel is. De raadsvrouw noemt het vormverzuim ten slotte “niet beperkt” en spreekt van “een dusdanige schending”, zonder dit nader toe te lichten. Het verweer voldoet hiermee niet aan de eisen die aan een art. 359a Sv-verweer worden gesteld, zodat het hof niet gehouden was daarop te reageren. Het hof had het verweer reeds op die grond kunnen verwerpen.
3.1
Overigens meen ik dat het hof het verweer ook inhoudelijk op toereikende gronden heeft verworpen. Uit de vaststellingen door het hof valt op te maken dat het onderzoek van de politie zich eerst heeft geconcentreerd rondom een Renault Clio met [kenteken] en dat het onderzoek vervolgens is verplaatst naar de woning aan de [a-straat] . Over de waarnemingen rondom de auto heeft het hof het volgende vastgesteld. Op 23 maart 2021 wordt de Renault geobserveerd en een inzittende aangehouden met op zijn lichaam een blok cocaïne. Op 14 april 2021 wordt de Renault opnieuw geobserveerd en ziet de politie een inzittende met een gevulde rugtas een schudrondje lopen, een woning ingaan op de [a-straat] (ter hoogte van [huisnummers] ) en de woning zonder rugtas verlaten. Op 7 mei 2021 controleert de politie de inzittenden van de Renault en één van hen blijkt een link te hebben met de “doelgroep Top Albanese Criminelen”. Vanaf dat moment verplaatst het onderzoek zich naar de portiek aan de [a-straat] . Op 11 mei 2021 spreken politieagenten de bewoonster van [a-straat 1] . Anders dan de politierechter stelt het hof ook vast dat de verklaring van buurvrouw van [a-straat 1] leidt naar de woning op [a-straat 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2021 (bewijsmiddel 1) volgt dat deze bewoonster van haar buurvrouw heeft gehoord dat er op [a-straat 2] andere gasten komen dan die staan ingeschreven en dat daar tijdens de nacht dingen gebeuren. De agenten kloppen en bellen vervolgens − tevergeefs − meerdere keren bij [a-straat 2] aan, terwijl zij iemand in de woning horen lopen. Een van de verbalisanten heeft zicht op de achterzijde van de woning en ziet de verdachte op het balkon van de woning verschijnen, schichtig om zich heen kijken en de balkondeur sluiten. De verbalisanten kloppen en bellen nogmaals aan en maken kenbaar dat zij van de politie zijn. Een van de verbalisanten ziet dat de verdachte het gordijn dat voor de deur hangt dicht doet, dat hij de balkondeur opent, hurkt en iets weglegt. Anders dan de politierechter stelt het hof ook vast dat één van de verbalisanten vanaf een naastgelegen balkon ziet dat het om een blauwe tas gaat. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de machtiging tot binnentreden ter inbeslagneming op grond van art. 96 Sv afgegeven.
3.11
Het oordeel van het hof dat op grond van al deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien blijkt dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid van art. 96 Sv was voldaan en de machtiging op juiste gronden is afgegeven, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
3.12
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel richt zich tegen de strafmotivering en bevat de klacht dat het hof bij de strafoplegging de verdachte iets anders verwijt dan is bewezenverklaard.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 mei 2021, te [plaats] , een geldbedrag van in totaal €
18.950,-,voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte wist, dat dit
geldbedrag– onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
4.3
De strafmotivering houdt het volgende in:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 18.950,-, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van de verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2023.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”
4.4
Volgens de stellers van het middel is de strafoplegging onbegrijpelijk nu het hof de verdachte in de strafmotivering verwijt dat hij opbrengsten van misdrijven aan het zicht heeft onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst heeft verschaft. Dat verdachte pogingen heeft gedaan om een schijnbaar legale herkomst te verschaffen zou niet uit de feiten en omstandigheden kunnen blijken.
4.5
Door te overwegen “dat door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen de integriteit van het financieel en economisch verkeer wordt aangetast” is het hof ter motivering van de straf in algemene zin ingegaan op de aard en het geschonden rechtsgoed van het delict witwassen. [6] Dat oordeel betreft niet het verwijt van een ander feit dan waarop de bewezenverklaring betrekking heeft en is ook verder niet onbegrijpelijk.
4.6
Ook overigens zie ik niet in welk belang van de verdachte zou zijn geschaad als het hof van een andere variant van witwassen zou zijn uitgegaan. De stellers van het middel doelen wellicht op de variant van sub a van art. 420bis Sr waarin het onder meer gaat over het “verbergen of verhullen van de herkomst van een voorwerp”, maar voor die variant geldt dezelfde strafbedreiging als voor het bewezenverklaarde. Ook is niet betoogd en blijkt uit de wettelijke voorschriften waarop de straf is gegrond niet dat bij de strafoplegging is uitgegaan van een ander delict met een hoger strafmaximum.
4.7
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
De middelen falen. Afdoening van het eerste middel met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering ligt niet in de rede gezien de vrijspraak door de politierechter. Het tweede middel kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 31 juli 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. [7] Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 3 maart 2004, ECLI:NL:2004:AM2533,
2.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
3.HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
4.HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3198, r.o. 2.4.2.
5.Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3550,
6.Vgl.
7.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,