ECLI:NL:PHR:2025:1135

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
24/00677
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder B OpiumwetArt. 359a SvArt. 6 EVRMArt. 48 Handvest EUArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens onrechtmatige doorzoeking en overschrijding inzendtermijn

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk vervoeren van bijna 12 kilogram heroïne in een auto. De doorzoeking van de auto werd door zowel rechtbank als hof als onrechtmatig beoordeeld, wat een onherstelbaar vormverzuim opleverde. De rechtbank sloot het bewijs uit en sprak de verdachte vrij, terwijl het hof strafvermindering toepaste in plaats van bewijsuitsluiting.

De verdachte stelde cassatie in tegen het hofarrest met twee middelen: het eerste middel betrof de motivering van het hof over het niet toepassen van bewijsuitsluiting ondanks het vormverzuim, het tweede middel klaagde terecht over de overschrijding van de inzendtermijn van stukken door het hof. De procureur-generaal concludeerde dat het eerste middel faalt omdat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en het tweede middel slaagt vanwege de overschrijding.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze passend. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Er zijn geen ambtshalve gronden voor verdere vernietiging. De zaak wordt afgedaan met een motivering ontleend aan artikel 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest deels en vermindert de opgelegde gevangenisstraf wegens onrechtmatige doorzoeking en overschrijding inzendtermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00677
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001100-23) wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim maar dat dit niet tot bewijsuitsluiting leidt, onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2
Ten laste van de verdachte is kort gezegd bewezen verklaard dat hij op 17 december 2022 opzettelijk bijna 12 kilogram heroïne heeft vervoerd. Uit de bewijsvoering van het hof is af te leiden dat deze heroïne is aangetroffen in een door de verdachte bestuurde auto, in een achter de bijrijdersstoel aangetroffen boodschappentas onder een aantal levensmiddelen. Dit gebeurde in het kader van een doorzoeking van de auto. Zowel rechtbank als hof hebben geoordeeld dat deze doorzoeking onrechtmatig was en een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv oplevert. De rechtbank heeft om die reden de resultaten van de doorzoeking uitgesloten van het bewijs en de verdachte vrijgesproken. Het hof heeft omtrent het aan het vormverzuim te verbinden rechtsgevolg het volgende overwogen:

De doorzoeking van de auto
(…) Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat geen sprake was van een bevoegdheid tot doorzoeking van de auto, noch van toestemming van de verdachte daartoe. De onrechtmatige zoeking is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Te verbinden rechtsgevolg
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden. Daarbij houdt het hof rekening met de in het tweede lid van artikel 359a Sv geformuleerde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.
Met betrekking tot het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim overweegt het hof vooraleerst dat het geen betoog behoeft dat het onwenselijk is dat doorzoekingen plaatsvinden zonder toestemming of zonder de vereiste wettelijke basis. Een zoeking als de onderhavige maakt immers inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dat mag alleen als die inbreuk gerechtvaardigd is.
De vraag is vervolgens welk nadeel het vormverzuim heeft veroorzaakt. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang dat een nadeel zoals bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Het aantreffen van de verdovende middelen in de tas in de auto kan daarom niet als zodanig worden aangemerkt.
Wel heeft de verdachte nadeel ondervonden van het feit dat de onrechtmatige doorzoeking van het bij hem in gebruik zijnde voertuig een inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Dit nadeel is echter beperkt gebleven nu de doorzochte auto, noch de tas waarin de drugs zaten van de verdachte waren. In het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, en nu strafvermindering als rechtsgevolg geschikt is als compensatie voor het door de verdachte ondervonden nadeel, acht het hof strafvermindering, als hierna te vermelden, gerechtvaardigd.”
2.3
In de toelichting op het middel wordt gewezen op de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad over vormverzuimen [1] , kritiek op verschillende aspecten van de jurisprudentiële lijn van de Hoge Raad vanuit zowel wetenschap als praktijk en het belang van het naleven van de
Rule of Law. Concreet wordt in het kader van het de onderhavige zaak slechts aangevoerd dat het oordeel van het hof dat niet tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan tekort schiet in het licht van hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, te weten dat 1) de strafvorderlijke voorschriften betreffende het doorzoeken van plaatsen en voertuigen belangrijke strafvorderlijke voorschriften zijn en dat de verbalisant door niet-inachtneming daarvan inbreuk heeft gemaakt op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift alsmede de door dat voorschrift beschermde belangen van de verdachte, en 2) dat de verdachte in zijn belangen is geschaad, zodat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro en art. 48 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is geschonden en dat het van groot belang is dat een ieder kan vertrouwen op juist en rechtmatig handelende opsporingsambtenaren zodat politieoptreden als het onderhavige een aanzienlijke inbreuk maakt op dat vertrouwen.
2.4
Ik kan de steller van het middel in het voorgaande niet goed volgen. Daarbij stel ik voorop dat ik niet inzie waarom het oordeel van het hof getoetst zou moeten worden aan vaststellingen die de rechtbank heeft gedaan. Het vonnis van de rechtbank is immers vernietigd en het hof heeft zelf vaststellingen gedaan. Het hof heeft een onherstelbaar vormverzuim aangenomen en dat langs de lat van art. 359a Sv gelegd. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een onwenselijke en niet gerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waardoor de verdachte beperkt nadeel heeft ondervonden. Vervolgens heeft het hof strafvermindering geschikt gevonden als compensatie voor het ondervonden nadeel. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat met strafvermindering kon worden volstaan aangezien de onrechtmatige doorzoeking van de auto niet tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden, en ook geen sprake is van een zodanig ernstige schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces – waaronder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro – dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. Dat is niet onbegrijpelijk en ik zie op basis van hetgeen in de schriftuur wordt aangevoerd niet in waarom dat oordeel ontoereikend gemotiveerd zou zijn. [2] Aan het voorgaande doet niet af dat de rechtbank tot een ander oordeel is gekomen.
2.5
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Namens de verdachte is op 27 februari 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 december 2024 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met bijna acht weken overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet het vorengaande leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

4.Slotsom

4.1
Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt. Gelet op de vrijspraak in eerste aanleg heb ik me afgevraagd of zich hier het geval voordoet zoals bedoeld in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40. [3] Omdat in cassatie niet wordt geklaagd over de bewijsvoering meen ik van niet. De zaak kan mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Onder verwijzing naar HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
2.HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
3.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,