ECLI:NL:PHR:2025:1155

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
24/04580
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 6 SvArt. 415 SvArt. 27 SrArt. 77a SrArt. 77i lid 3 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over onduidelijke strafmotivering bij jeugddetentie wegens ontucht met minderjarige

De verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige van 15 jaar. Het hof motiveerde de strafoplegging mede op basis van de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en eerdere veroordelingen van de verdachte. De verdediging verzocht om geen straf of een lichtere straf, maar het hof wees dit af.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelde cassatie in tegen het arrest vanwege een discrepantie tussen de strafoplegging en de strafmotivering. Uit de motivering bleek onvoldoende of het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie bedoeld was om daadwerkelijk doorgebracht te worden, aangezien de verdachte naar het oordeel van het hof niet opnieuw zou worden vastgezet tenzij hij binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit pleegt. Uit onderzoek bleek echter dat de verdachte geen tijd in voorarrest had doorgebracht die in mindering kon worden gebracht op de straf.

De Hoge Raad concludeert dat de strafmotivering onvoldoende duidelijk maakt wat het hof onmiskenbaar heeft bedoeld met de duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie. Hierdoor is het arrest niet verbeterd te lezen en moet het worden vernietigd wat betreft de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. Het overige beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onduidelijke strafmotivering en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04580 J
Zitting25 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het arrest.
1.2
Namens de verdachte hebben W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het hof, anders dan het hof in de strafmotivering heeft overwogen, een jeugddetentie heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk deel meebrengt dat de verdachte weer vast komt te zitten voor deze zaak.
2.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“subsidiair
hij op 5 mei 2019 te [plaats] met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/brengen van de penis in de mond van die [slachtoffer] .”
2.3
Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof het volgende overwogen:

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om, gezien de specifieke omstandigheden van het geval, de kleine kans op recidive, de ouderdom van het feit alsmede het toepasselijk zijn van artikel 63 van Pro het Wetboek Van Strafrecht, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf en/of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een voorwaardelijke straf op te leggen en meer subsidiair een taakstraf op te leggen.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een ontuchtige handeling met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, door zich in een park te laten pijpen door het slachtoffer, dat destijds vijftien jaar oud was. Artikel 245 van Pro het wetboek van Strafrecht heeft als strekking de persoonlijke en seksuele integriteit van het slachtoffer te beschermen, nu zij en andere minderjarigen - gezien hun leeftijd - onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun handelen te kunnen overzien of zichzelf te beschermen tegen seksueel misbruik. Door zich door een 15-jarig meisje te laten pijpen heeft verdachte zijn eigen seksuele behoefte boven het belang van het slachtoffer geplaatst. Blijkens de slachtofferverklaring heeft verdachtes handelen een grote impact op het slachtoffer gehad. Het hof rekent dit verdachte aan.
De ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, brengen met zich dat het hof, anders dan de raadsvrouw, geen ruimte ziet om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 maart 2024 - eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, alsmede de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens verdachte naar voren zijn gebracht.
Verder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de rechtbank.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende. In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in eerste aanleg fors is geschonden. Verdachte is op 7 december 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 19 maart 2024. Daarmee is de redelijke termijn, uitgaande van de norm van 16 maanden, in eerste aanleg met ruim elf maanden overschreden, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Het hof zal daarom een enigszins kortere jeugddetentie opleggen dan het passend en geboden acht. Ook zal het hof de proeftijd van de hierna te noemen voorwaardelijke straf op één jaar vaststellen, gelet op dit tijdsverloop en de gedateerdheid van het bewezenverklaarde feit.
Gelet op het voorgaande, acht het hof, alles afwegende, oplegging van negentig dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan zestig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw vast komt te zitten voor deze zaak, tenzij anders wordt beslist omdat hij zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. Aan de oplegging van de voorwaardelijke jeugddetentie zullen geen bijzondere voorwaarden en/of een contactverbod worden verbonden, nu in de afgelopen vijf jaren niet is gebleken van enige noodzaak hiertoe.”
2.4
Vooropgesteld moet worden dat de tweede volzin van art. 359 lid 6 Sv Pro, dat krachtens de schakelbepaling van art. 415 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard op de procedure in hoger beroep, voorschrijft dat het arrest zoveel mogelijk de omstandigheden aangeeft, waarop bij de vaststelling van de duur van de jeugddetentie is gelet. Vastgesteld kan worden dat het hof omstandigheden heeft aangegeven, waarop bij de vaststelling van de duur van de jeugddetentie is gelet. Doorgaans zal daarmee het doek vallen voor een klacht wegens schending van art. 359 lid 6 Sv Pro, maar, zoals nog zal blijken, kunnen in dit geval de omstandigheden die het hof bij de strafoplegging in ogenschouw heeft genomen, de duur van het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie niet verklaren. [2]
2.5
Uit de toelichting volgt dat het middel berust op de opvatting dat de verdachte als gevolg van de door het hof opgelegde straf nog 27-29 dagen jeugddetentie zal moeten ondergaan, terwijl het hof blijkens de strafmotivering voor ogen heeft gestaan dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd zou raken. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat de verdachte in deze zaak geen tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ter onderbouwing is respectievelijk een e-mail namens het Centraal Justitieel Incassobureau, Team Voorlopige Hechtenis van het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) en een e-mail namens de penitentiaire inrichting Lelystad als bijlagen (1 en 2) bijgevoegd. Voorts wordt er door de stellers van het middel op gewezen dat uit het onderliggende strafdossier volgt dat de verdachte enkel in verzekering is gesteld. In dit kader is als bijlage (3) een afschrift van het proces-verbaal van relaas bijgevoegd waaruit een en ander zou blijken.
2.6
Het hof heeft aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest opgelegd. Het hof heeft in dit kader overwogen dat “dit betekent dat verdachte niet opnieuw vast komt te zitten voor deze zaak, tenzij anders wordt beslist omdat hij zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit.” Het hof heeft aldus niet met zoveel woorden aangegeven hoeveel tijd de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, maar heeft – zoals niet ongebruikelijk – volstaan met de bepaling in het dictum dat “de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.” [3] Gelet op het vorenstaande, leert een eenvoudige rekensom (90-60) dat het hof ervan is uitgegaan dat de verdachte voor deze zaak 30 dagen in voorarrest heeft doorgebracht.
2.7
Met de stellers van het middel meen ik dat dit echter niet uit de door het hof toegezonden stukken van het geding kan worden afgeleid. Een blik over de papieren muur leert dat de verdachte in deze zaak op 7 december 2021 vanuit de penitentiaire inrichting Vught is gelicht en buiten heterdaad is aangehouden. [4] De verdachte is blijkens het bevel inverzekeringstelling, diezelfde dag, op 7 december 2021, in verzekering gesteld. [5] Uit de opgevraagde historische detentiegegevens volgt dat de lichting één dag heeft geduurd. De historische detentiegegevens vermelden niet dat de verdachte in de onderhavige zaak onder de titel inverzekeringstelling gedetineerd heeft gezeten. Wel blijkt hieruit dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd is geweest. [6] Ook uit de overige stukken is mij niet gebleken dat de verdachte in deze zaak in voorlopige hechtenis heeft verbleven.
2.8
De vraag is hoe dit zich verhoudt tot de overweging van het hof dat de opgelegde straf meebrengt dat de verdachte niet opnieuw vast komt te zitten voor deze zaak. Het door het hof vastgestelde onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie, als gevolg waarvan de verdachte nog ten minste 27 dagen [7] in jeugddetentie zou moeten doorbrengen, acht ik hierdoor niet zonder meer begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
2.9
De stellers van het middel zijn van mening dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen door het arrest van het hof te vernietigen wat betreft de strafoplegging, en te bepalen dat aan de verdachte 60 dagen, althans 90 dagen, geheel voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, dan wel een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van het voorarrest niet overstijgt. Het hof zou immers ‘onmiskenbaar bedoeld’ hebben de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen.
2.1
Ik meen evenwel dat het middel tot cassatie en terugwijzing moet leiden, omdat aan de hand van de strafmotivering niet exact valt vast te stellen of het hof vooral voor ogen heeft gehad dat de verdachte niet meer gedetineerd zou raken voor deze zaak of dat het hof een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel één maand bedraagt, passend en geboden acht. Met andere woorden, uit de strafmotivering blijkt onvoldoende wat het hof “onmiskenbaar heeft bedoeld”. Hierdoor is het niet mogelijk om het arrest verbeterd te lezen. [8]

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 21-001423-24.
2.Vgl. A.J.A. Van Dorst & M.J. Borgers,
3.In afwijking van het bepaalde in art. 77a Sr is in art. 77i lid 3 Sr het bepaalde in art. 27 Sr Pro van overeenkomstige toepassing verklaard bij een veroordeling tot jeugddetentie.
4.Zie proces-verbaal van aanhouding verdachte van 7 december 2021, PL0900-2019131850-35, p. 217 en 218.
5.Zie bevel inverzekeringstelling van 7 december 2021, PL0900-2019131850-38, p. 226 en 227.
6.Op 14 juli 2025 heeft de strafgriffie van de Hoge Raad een historisch detentieoverzicht opgevraagd. Uit het zodoende verkregen overzicht blijkt dat de verdachte in de zaak met parketnummer 16-255770-21 in ieder geval van 28 november 2021 tot en met 26 februari 2022 voorlopig gehecht zat. Dit betreft een andere zaak dan de onderhavige. Het uittreksel justitiële documentatie van 22 oktober 2024 bevestigt dat de preventieve hechtenis in die zaak is gestart op 28 november 2021 en is beëindigd op 26 februari 2022.
7.De inverzekeringstelling duurt ten hoogste drie dagen, van verlenging is mij niet gebleken. Zie art. 58 lid 2 Sv Pro.
8.Vgl. onder meer HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:196 en HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:937.