De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens schuldwitwassen, waarbij zij onder meer een Volkswagen Polo op haar naam had laten zetten terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze afkomstig was uit een misdrijf. De auto was oorspronkelijk gekocht door haar vader, die in financiële problemen verkeerde en een naderend faillissement had. De tenaamstelling op naam van de verdachte diende om de werkelijke rechthebbende, haar vader, te verhullen.
De verdachte voerde in cassatie aan dat het enkel op naam zetten van een voertuig niet automatisch betekent dat zij de feitelijke beschikkingsmacht had en dat het oordeel van het hof hierover ontoereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat ondanks deze kritiek de bewezenverklaring overeind blijft, omdat ook het verhullen van de werkelijke rechthebbende is bewezen verklaard en uit de bewijsvoering blijkt dat de tenaamstelling diende om de werkelijke eigenaar te verhullen.
De Hoge Raad concludeert dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen door aanmerkelijk onvoorzichtig te zijn met betrekking tot de herkomst van het voertuig en de tenaamstelling. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. Omdat aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd, is overschrijding van de redelijke termijn zonder gevolgen.