Conclusie
1.Inleiding
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het bestreden arrest, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Verder heeft het hof een telefoontoestel verbeurd verklaard.
2.Het middel
“bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf”in mindering zal worden gebracht. Dit bevel is mijns inziens voor tweeërlei uitleg vatbaar. Enerzijds kan het hof hebben gedoeld op enkel de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en is het hof daarbij kennelijk vergeten te berekenen hoe lang de verdachte in voorarrest heeft gezeten, waardoor het hof zich niet heeft gerealiseerd dat deze periode langer is dan de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Anderzijds kan het hof hebben gedoeld op de gehele opgelegde gevangenisstraf – derhalve zowel het onvoorwaardelijke als het voorwaardelijke deel. In beide interpretaties blijven de resterende twaalf dagen voorarrest niet verrekend indien de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet wordt bevolen.
een gevangenisstraf oplegt waarvan een deel voorwaardelijkis, en de duur van het voorarrest is langer dan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging wordt bevolen van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, moet bij die tenuitvoerlegging het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest daarop in mindering worden gebracht. [4]
een voorwaardelijke gevangenisstrafoplegt, moet de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de (eventuele) tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in mindering worden gebracht. [5]
een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstrafoplegt, moet de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering worden gebracht op de taakstraf. [6]
zowel een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk is als een taakstrafoplegt, en de duur van het voorarrest langer is dan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht op de taakstraf. Het middel klaagt daarom terecht dat het hof het hiervoor onder 2.5 bedoelde resterende gedeelte van de duur van het voorarrest ten onrechte, want in strijd met art. 27 lid 1 Sr, niet in mindering heeft gebracht op de opgelegde taakstraf.
NJ2013/246, m.nt. F.W. Bleichrodt. In dat geval kan de Hoge Raad, gezien art. 80a RO, het beroep niet ontvankelijk verklaren. [8] Mijns inziens geldt hetzelfde in het onderhavige geval, waarin het hof weliswaar niet heeft verzuimd de aftrek van art. 27 Sr te bevelen, maar wel heeft verzuimd te bevelen dat – nadat de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht in mindering is gebracht op de (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf – het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht op de taakstraf. Ook in dit geval vormt het verzuim immers
“een onmiddellijk kenbare fout [9] die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten”dan wel een
“voor eenieder evidente vergissing [10] op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de (taak)straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd.”Nu het gaat om een taakstraf als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, dient de aftrek te geschieden naar de gebruikelijke maatstaf van twee uren per dag. [11]