Conclusie
“medeplegen van overtreding van artikel 20 van Pro de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen”, feit 2
“valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen”en feit 3
“medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
beschermingsmiddelen, D.A.]
Bitoxybacillin en Lepidocide ingevoerd en voorhanden gehad en vervolgens op de Nederlandse markt gebracht. De Russische fabrikant [G] heeft blijkens de facturen de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide geleverd aan de ‘ [C] -bedrijven’; insecticiden die volgens de website van [G] de werkzame stoffen Bacillus Thuringiensis Subspecies Thuringiensis en subspecies Kurstaki bevatten. Dat de zakken van [G] ook daadwerkelijk deze inhoud hebben, blijkt uit de testresultaten van het monster uit de zaak bij rozenkweker [betrokkene 1] . Dat deze zakken met witte stickers afkomstig waren van [G] en vervolgens via [C] aan [A] B.V. werden geleverd, blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte] , de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en de verklaringen van verschillende afnemers. Daarnaast blijkt uit voornoemde verklaringen dat op de zakken ‘Bitoxybacillin’ stond en dat deze zakken werden omgestickerd voordat de verdachte ze meenam.
gelegd tussen de ongeopende zak, waaruit bij [betrokkene 1] het monster werd getrokken en [A] B.V., in die zin dat de RB kennelijk heeft aangenomen dat de desbetreffende zak door cl. was geleverd. Dat blijkt o.m. uit de navolgende overweging in het vonnis:
en op doc.003 een detailopname van het etiket, waarop staat:"inhoud 20 kilo"
.
Bladvoeding (bewerkte kippenmest), Volledig biologische meststof”. De inhoud van de zak is bemonsterd en onderzocht door het Rijkskwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten (hierna: RIKILT). Bij dat onderzoek is in het monster de aanwezigheid van de werkzame stof van het gewasbeschermingsmiddel Bitoxybacillin aangetoond.
allerechten die door de (nieuwe) Wet deskundige in strafzaken aan hem waren toegekend, (2) de overweging dat [C] de gewasbeschermingsmiddelen onder de namen Bitoxybacillin en Lepidocide aan de verdachte heeft geleverd, niet uit de bewijsmiddelen volgt en daarmee zelfs in strijd is, (3) de omstandigheid dat de door het hof genoemde werknemers van [C] volgens het hof ervan op de hoogte waren dat het geleverde de genoemde gewasbeschermingsmiddelen betrof, noch op zichzelf, noch in samenhang met de onder 2 genoemde omstandigheid, redengevend kan zijn voor de eerlijkheid van de procesvoering, en (4) de overwegingen betreffende de betrouwbaarheid van het door het RIKILT uitgevoerde onderzoek noch op zichzelf, noch in onderling verband met de overige gronden, voldoende compensatie vormen voor het verstoken gebleven zijn van de rechten uit hoofde van de Wet deskundige in strafzaken en dus niet het oordeel kunnen dragen dat sprake was van een eerlijke procesvoering in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
“Met betrekking tot de bruikbaarheid van de analyseresultaten
van 7 september 2009, die op 1 oktober 2009 in werking is getreden, als met de op 1 januari 2010 in werking getredenWet deskundige in strafzakenen de daarop gebaseerde, eveneens op 1 januari 2010 in werking getreden,"Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek”
welke wet mede strekt tot het versterken van de positie van de verdediging in strafzaken. Beide aanwijzingen bevatten voor de opsporing dwingende regels, aldus de HR.
, nu deze zich slechts zou richten op de verdachte onder wie het monster in beslag is genomen. Daarnaast zou cl. tijdens zijn verhoor van 25 februari 2011 geconfronteerd zijn met de analyseresultaten en zou daar dus van op de hoogte zijn geweest.
, zoals daar staat, de mogelijkheid aangeboden had moeten worden een contra-expertise te laten uitvoeren.
van 1 januari 2010, waarin wordt bepaald wat als een deskundigenonderzoek en wat als een technisch opsporingsonderzoek moet worden beschouwd.
, zoals die destijds gold, wordt een onderzoek als deskundigenonderzoek ex art. 150 Sv Pro in de zin van de Wet deskundigen in strafzaken aangemerkt, wanneer het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie.
indien het wordt verricht door een opsporingsinstantie. Het onderhavige onderzoek, de analyse van monsters via de zogenaamde“multimethode"
, kennelijk speciaal ontwikkeld door het RIKILT, stond niet op de als"Bijlage 1 bij de Aanwijzing"
genoemde lijsten en vond bovendien niet plaats door een opsporingsinstantie.
en dat van berechting binnen een redelijke termijn.
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de gehanteerde meetmethode
zonder een dergelijke voorafgaande validatie voldoende betrouwbaar zijn om te kunnen worden gebruikt. Het feit dat validatie van methodes vereist is, voordat de methodes in beoordelingen worden gebruikt, is nu juist bedoeld om de onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid weg te nemen of te verminderen. Die onzekerheid wordt in het onderhavige geval immers ook nog vergroot, omdat validatie met een andere matrix is uitgevoerd. De deskundige stelt in dit verband in zijn rapport:
(vgl. p14)
(bijlage 1 bij de ingezonden validatie), waarin als toepassingsgebied vermeld wordt:"Deze analysemethode is geschikt voor.... rozen(blad) monsters"
en dus niet voor andere materialen. Ook het aanvullende antwoord van de deskundige is derhalve onbevredigend.
betreft. Daarvan mag immers verwacht worden dat de zogenaamde matrix-effecten min of meer hetzelfde zijn, terwijl naarmate de matrix van het testmateriaal meer verschilt van die waarin de bepaling is gedaan, de matrix-effecten grotere verschillen zullen tonen waardoor de onzekerheid met betrekking tot het resultaat ook groter zal worden. Het is de verdediging dan ook niet duidelijk op grond waarvan de deskundige, gezien de verschillen, heeft kunnen concluderen dat hier sprake zou zijn van een''enigszins gelijkende matrix"
.
.
want"niveau"
refereert aan de betrouwbaarheidsniveaus die door de door de deskundige aangehaalde Schymanski c.s. zijn gedefinieerd.
in vraag 8 over diezelfde contaminatie.
2009, 14714), als de Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek van 1 januari 2010 (Stcrt.
2009, 18632), welke ten tijde van het onderzoek van kracht waren, aanwijzingen zijn als bedoeld in artikel 130, vierde lid, Wet RO.
te waarborgen. Tot slot heeft [deskundige 1] geconcludeerd dat de gehaltes van een stof die geanalyseerd zijn met een methode die ten tijde van het opleveren van het analyserapport nog niet (volledig) gevalideerd was, betrouwbaar genoeg is om daar rechtsgeldigheid aan toe te kennen.
Bladvoeding” stond vermeld. Deze (bij rozenkwekerij [betrokkene 1] in beslag genomen) zak was afkomstig van [A] B.V. De onderzoeksresultaten hielden in dat in het monster de stof thuringiensis (beta-exotoxine of Bt) is aangetoond. Dat betreft een – (ook) voor (zuig)insecten giftige – stof die wordt afgescheiden door de bacterie
Bacillus thuringiensisin het gewasbeschermingsmiddel Bitoxybacillin.
allerechten die door de Wet deskundige in strafzaken aan hem waren toegekend.
valselijkvermelden dat de leveringen bladvoeding en bladglans betroffen. In aanmerking genomen dat de bewijsmotivering tevens laat zien dat [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte bij hem op kantoor kwam en aan de balie leveringen doorgaf, dat Bitoxybacillin onder een andere naam naar Nederland gehaald moest worden, te weten als bladvoeding, en dat de verdachte wilde hebben dat op de factuur bladvoeding werd vermeld, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
anderbewijsmateriaal dat binnen de door het hof uiteengezette bewijsvoering in dezelfde richting wijst als het bestreden materiaal. Het hof heeft de hiervoor bediscussieerde omstandigheden niet onbegrijpelijk opgevat als
anderbewijsmateriaal (dan het door RIKILT verkregen onderzoeksresultaat) dat aantoont dat de verdachte Bitoxybacillin en Lepidocide heeft ingevoerd en voorhanden heeft gehad en het hof kon die omstandigheid, conform het kader van Uw Raad, ook betrekken bij de beoordeling van de vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de weg stond. Ook in zoverre faalt het middel dus.
Bitoxybacillin” stond, de bewezenverklaring niet kan dragen. De steller van het middel voert daarnaast onder verwijzing naar de eerste twee middelen aan dat de bewezenverklaring niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt en dat de procesvoering als geheel in strijd is met het recht op een eerlijke procesvoering.
Bitoxybacillin” stond. Het hof heeft die bewezenverklaring immers niet alleen doen steunen op de verklaring van [medeverdachte] , maar ook op de analyse van het RIKILT dat de aanwezigheid van thuringiensis (beta-exotoxine) – de werkzame stof van Bitoxybacillin – in de door de verdachte aan [betrokkene 1] geleverde zak met het etiket “
Bladvoeding (bewerkte kippenmest)” aantoonde, op de verklaring van de verdachte dat hij stickers op zakken heeft geplakt en op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Uit deze bewijsmiddelen volgt niet direct dat op de zakken in eerste instantie de tekst “
Bitoxybacillin” stond, maar zij ondersteunen de verklaring van [medeverdachte] wel. De bewezenverklaring is dus, ook in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, niet onvoldoende gemotiveerd.