Conclusie
1.Inleiding en overzicht
De zaak en de reden voor selectie
nietonder het uitgezonderde loon op grond van art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB of op grond van een beleidsbesluit uit 2014 (Besluit 2014) en daarop betrekking hebbende mededelingen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
nietis bestreden het oordeel van het Hof, dat belanghebbende in 2018 verzekerings- en premieplichtig is in Nederland (en niet in Liechtenstein) (rov. 5.1-5.3).
3.Het geding in cassatie
eerste onderdeelbetoogt dat het Hof ten onrechte ervan uitgaat dat de premies voor de Krankenkasse door de werknemer verschuldigd zijn. Omdat het Liechtensteinse socialeverzekeringsrecht niet van toepassing is, zijn de premies onverschuldigd door de werkgeer afgedragen en behoren ze niet tot het loon, in welk kader het middel ook verwijst naar middel I. Het
tweede onderdeelstelt dat, gelet op de Mededeling 2020, de premie voor de Krankenkasse vergelijkbaar is met de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in art. 11d Wet LB en dat uit de Mededeling 2020 volgt dat deze premie is vrijgesteld. Het
derde onderdeelbetoogt dat de premie op grond van de meerderheidsregel niet tot het belastbaar inkomen gerekend dient te worden.