ECLI:NL:PHR:2025:1329

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/00048
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling echtscheiding en onderbedelingsvordering met betrekking tot de voormalige echtelijke woning

In deze zaak gaat het om de afwikkeling van een echtscheiding tussen een vrouw en een man, die in 2010 zijn gescheiden. De voormalige echtelijke woning, die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde, is vanaf 2010 door de man in gebruik genomen. In 2015 is de woning aan de man toebedeeld, waarbij hij een onderbedelingsvordering van circa € 55.000,- op de vrouw kreeg. Tot 2020 hebben partijen echter geen uitvoering gegeven aan het vonnis uit 2015. De woning, die inmiddels overwaarde heeft, is in 2020 volledig eigendom van de man geworden. De vrouw stelt dat het onaanvaardbaar is dat de man nog aanspraak maakt op de onderbedelingsvordering, terwijl de man klaagt dat het hof geen oordeel heeft gegeven over een deel van de periode waarover een gebruiksvergoeding is gevorderd. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, M.H. Wissink, concludeert dat beide cassatieberoepen slagen. De rechtbank heeft in eerdere vonnissen bepaald dat de vrouw een bedrag van € 55.250,- aan de man moet betalen, maar de vrouw betwist dit en vordert een gebruiksvergoeding over de periode van 2010 tot 2020. Het hof heeft in zijn arrest van 8 oktober 2024 het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het betreft de gebruiksvergoeding, maar heeft het overige vonnis bekrachtigd. De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld, en de man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Procureur-Generaal concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00048
Zitting12 december 2025
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[de vrouw] (hierna: de vrouw)
tegen
[de man] (hierna: de man)
Partijen zijn in 2010 van echt gescheiden. De tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende voormalige echtelijke woning is vanaf 2010 bij de man in gebruik. In 2015, toen de woning financieel ‘onder water’ stond, is deze toebedeeld aan de man, die daarbij een onderbedelingsvordering van circa € 55.000,- op de vrouw kreeg. Tot 2020 waren partijen niet in staat uitvoering te geven aan het vonnis uit 2015. De woning, met inmiddels forse een overwaarde, is in 2020 volledige eigendom van de man geworden. In geschil is of de man nog aanspraak kan maken op de onderbedelingsvordering en of de vrouw recht heeft op een gebruiksvergoeding van de man over de periode 2010-2020. In cassatie klaagt de vrouw onder meer dat het hof niet is ingegaan op haar betoog dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man nog nakoming van de onderbedelingsvordering verlangt. De man klaagt dat het hof geen oordeel heeft gegeven over een deel van de periode waarover een gebruiksvergoeding is gevorderd. Ik meen dat beide cassatieberoepen slagen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1] (i) Partijen zijn op 20 december 1990 gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 24 november 2009 van de rechtbank Noord-Holland is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 3 maart 2010 in de daartoe bestemde registers ingeschreven.
(ii) Tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoorde de woning gelegen te [plaats] . Ter financiering van de woning hebben partijen een aflossingsvrije hypothecaire geldlening afgesloten ter hoogte van destijds € 238.000,-. De man is na de scheiding in de woning blijven wonen.
(iii) Bij vonnis van 11 maart 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland inzake de verdeling van de ontbonden gemeenschap het volgende overwogen:
"2.1. De man vordert toedeling van de woning aan hem. De vrouw stemt hier in beginsel mee in. Partijen zijn het er voorts over eens dat de woning tussen hen € 127.500,- waard is. De woning zal dan ook aan de man worden toegedeeld voor een bedrag van € 127.500,-. Nu partijen dit kennelijk voor ogen hebben zal de rechtbank hier volledigheidshalve bij bepalen dat de toedeling plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheekverstrekker instemt met ontslag van de vrouw uit de verplichtingen uit hoofde van de op de woning rustende hypotheekschuld.
2.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de onderwaarde van de woning van € 110.500,- (de hypotheek van €238.000 .— minus de waarde van de woning van € 127.500) tussen hen moet worden verdeeld. Bij de beantwoording van deze vraag geldt als uitgangspunt dat partijen (...) in beginsel voor de helft delen in de waarde van de woning en voor de helft delen in de aan de woning verbonden hypotheekschuld. Voor afwijking van verdeling bij helfte op grond van de redelijkheid en billijkheid, zoals de vrouw voor staat, is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats.
2.3.
De vrouw betoogt primair dat het redelijk is dat zij niet meedeelt in de onderwaarde van de woning, omdat de man in de toekomst kan blijven wonen en kan profiteren van de stijgende woningmarkt, omdat de vrouw niet in staat is om € 50.000.- aan de man te betalen en omdat de vrouw heeft vernomen dat de man gaat samenwonen en de woning zal verhuren voor een bedrag [het hof begrijpt: hoger] dan de netto maandlasten. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, wat er ook zij van de juistheid van deze stellingen.
(…)
2.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw bij levering van de onverdeelde helft van de woning door de vrouw aan de man en ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld een bedrag van €55.250,- aan de man dient te voldoen (de helft van €110.500,-).
(…)
2.10.
Het in het tussenvonnis en in het voorgaande overwogene leidt tot de slotsom dat de verdeling van de ontbonden gemeenschap zal worden vastgesteld als volgt: a) aan de man wordt toegedeeld de echtelijke woning, tegen een waarde van €127.500,-- onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw als hoofdelijk schuldenaar zal worden ontslagen uit haar verplichtingen verbonden aan de op deze woning rustende hypothecaire schuld.”
De rechtbank heeft vervolgens als volgt beslist:
‘’3.1. beveelt de vrouw om, indien is voldaan aan de in 2.10 onder a) genoemde voorwaarde, op het eerste verzoek van de man daartoe, alle medewerking te verlenen aan de levering van haar onverdeelde helft van de woning (…), waaronder het ondertekenen van de notariële akte.
3.2.bepaalt dat bij gebreke van onmiddellijke voldoening van de onder 3.1. genoemde veroordeling door de vrouw, het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de voor de notariële akte benodigde handtekening van de vrouw. (...)
3.3.
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast op de wijze als weergegeven in r.o. 2.10 van dit vonnis.
3.4.
veroordeelt de vrouw tot betaling van €50.250,-- aan de man, te voldoen bij levering van de onverdeelde helft van de vrouw van de woning (…) door haar aan de man en ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.
3.5.
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 6.576,57 aan de vrouw, wegens overbedeling ter zake van de in r.o. 2.10. onder b) tot en met d) van dit vonnis genoemde boedelbestanddelen".
(iv) Tegen het vonnis van 11 maart 2015 is geen hoger beroep ingesteld zodat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
(v) Op 1 januari 2020 is de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 346.000,-.
(vi) Bij aangetekende brief van 5 maart 2020 heeft de man de vrouw verzocht het door de rechtbank opgelegde bedrag van € 55.250,- te betalen. De vrouw heeft hier niet aan voldaan.
(vii) De man heeft vervolgens het vonnis van 11 maart 2015 op 1 december 2020 aan de vrouw laten betekenen.
(viii) Bij notariële akte van partiële verdeling en levering van 15 december 2020 (hierna: notariële akte) heeft de levering van de woning aan de man plaatsgevonden. In de notariële akte is, voor zover van belang, het navolgende bepaald:
"(...) De vrouw is niet in persoon verschenen en zij is uitdrukkelijk geen comparante, een en ander in verband met het hierna bepaalde onder het kopje 'VERVANGEND VONNIS VOOR MEDEWERKING MEDE-EIGEXAAR AAN LEVERING OP GROND VAN ARTIKEL 3:300 LID 2 JUNCTO 3:301 LID 1 BURGERLIJK WETBOEK''
(...)
WAARDE REGISTERGOED
Het registergoed wordt in de verdeling betrokken voor een waarde van éénhonderd zevenentwintig duizend vijfhonderd euro (€ 127.500,00).
(...)
OVERNAME SCHULD; BETALING
1. De man neemt hierbij de hypotheekschuld geheel voor zijn rekening en zal deze als zijn eigen schuld voldoen: de man vrijwaart de vrouw voor alle aanspraken na de overname datum voortvloeiende uit de hypotheekschuld
De hiervoor vermelde restantschuld zal mede op heden integraal worden afgelost door de man.
2. In verband met de voormelde overbedelingen zijnde deelgenoten overeengekomen als volgt:
Na verrekening van de beide overbedelingsschulden, resteert voor de man een vordering wegens overbedeling groot achtenveertigduizend zeshonderd drieënzeventig euro en drieënveertig eurocent (€48.673,43), te weten vijfenvijftigduizend tweehonderd vijftig euro (€ 55.250.00, minus zesduizend vijfhonderd zesenzeventig euro en zevenenvijftig eurocent (€ 6.576,57).
Van gemelde vordering wegens overbedeling ad achtenveertigduizend zeshonderd drieënzeventig euro en drieënveertig eurocent (€ 48.673,43) wordt bij deze afstand gedaan, zulks onder de voorwaarde dat de vrouw aan de man schuldig erkent een bedrag in contanten ter grootte van eerder genoemde vordering, groot achtenveertigduizend zeshonderd drieënzeventig euro en drieënveertig eurocent (€ 48.673,43). Ter uitvoering van vorenstaande verklaart de man bij deze schuldig te erkennen voormeld bedrag (hierna te noemen: 'de hoofdsom') onder de volgende bepalingen:
a. over de hoofdsom is vier procent (4%) rente verschuldigd tot het moment van opeisbaarheid en vanaf dat moment de alsdan geldende wettelijke rente;
b. de hoofdsom moet in zijn geheel worden afgelost op de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd van de man;
c. de vrouw is te allen tijde bevoegd tot tussentijdse boetevrije aflossing van de hoofdsom of een gedeelte daarvan;
d. de hoofdsom eveneens direct opeisbaar bij beslag op een goed van de vrouw, bij faillissement of surséance van de vrouw of aanvraag daartoe, en in alle andere gevallen waarin zij het vrije beheer over een of meer van haar goederen verliest, alsmede bij haar overlijden;
e. alle betalingen moeten geschieden op de wijze als de man aangeeft:
f. de vrouw kan zich niet beroepen op verrekening. (...)
SLOTVERKLARINGEN
De deelgenoten verklaren:
(...)
3. zij hebben ieder het hen toekomende ontvangen;
4. zij verlenen elkaar met betrekking tot de verdeling van het registergoed over en weer kwijting en décharge;
5. zij doen afstand van het recht om op grond van enige bepaling van het Burgerlijk Wetboek ontbinding of vernietiging van deze verdeling te vorderen, waaronder mede begrepen afstand van het recht op vernietiging wegens dwaling omtrent de waarde van het registergoed, aangezien ieder van de deelgenoten de verdeling te zijnen bate of schade aanvaardt."
(ix) Bij herstelvonnis van 29 december 2021 heeft de rechtbank bepaald dat het bedrag van € 50.250,-, waartoe de vrouw onder 3.4 van het op 11 maart 2015 gewezen vonnis tot betaling is veroordeeld, wordt gewijzigd in een bedrag van € 55.250,-.
1.2
In deze procedure vordert de vrouw, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, primair de man te veroordelen aan haar een bedrag van € 87.576,57 te betalen. Dit bedrag is de helft van de overwaarde van woning ad € 162.000,- op 15 december 2020, vermeerderd met haar overbedelingsvordering op de man van € 6.576,57 uit hoofde van het vonnis van 11 maart 2015. Subsidiair vordert de vrouw een verklaring voor recht dat zij, na verrekening met de overbedelingsvordering van de man op haar, nog een vordering van € 37.326,57 op de man heeft en hem te veroordelen tot betaling van dat bedrag.
De vrouw vordert meer subsidiair dat de man haar een gebruiksvergoeding voor de woning zal betalen over de periode van 1 mei 2010 tot en met 15 december 2020 van in totaal € 133.302,35.
Ook heeft de vrouw in haar conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis (hierna CvA in reconventie) vernietiging gevorderd van de akte van 15 december 2020, omdat daarin zonder haar toestemming de vordering van de man uit onderbedeling uit hoofde van het vonnis van 11 maart 2015 is omgezet in een lening.
1.3
In reconventie vordert de man, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, verschillende verklaringen voor recht die neerkomen op een aanpassing en aanvulling van de notariële akte van 15 december 2020, een verklaring voor recht dat het door de vrouw in die akte aan de man schuldig erkende bedrag van € 48.673,43, direct en in zijn geheel opeisbaar is geworden op de datum waarop voornoemde notariële akte is verleden, onder de verder gemelde voorwaarden, en veroordeling van de vrouw om hem uit dien hoofde een bedrag van € 50.540,11, te vermeerderen met 4% rente, te betalen.
1.4.1
De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 6 april 2022 overwogen dat voor de waardebepaling van de woning moet worden uitgegaan van het vonnis van 11 maart 2015 dat kracht en gezag van gewijsde heeft verkregen (rov. 5.2).
1.4.2
De rechtbank heeft wel een gebruiksvergoeding toegewezen. De opschortende voorwaarde waaronder de woning in het vonnis van 11 maart 2015 aan de man is toegedeeld, is pas vervuld op 15 december 2020 zodat de vrouw volgens de rechtbank in beginsel recht heeft op een gebruiksvergoeding tot 15 december 2020 (rov. 5.3). Daaraan doet niet af dat de vrouw niet aan de eigenaarslasten en het onderhoud heeft bijgedragen. Deze lasten zullen op de gebruiksvergoeding in mindering kunnen worden gebracht (rov. 5.4).
De rechtbank overweegt verder (in rov. 5.6) dat toekenning van een gebruiksvergoeding overigens gerechtvaardigd is, omdat de vrouw gedurende de jaren dat aan het vonnis uit 2015 geen uitvoering kon worden gegeven, verkoop van de woning aan een derde had kunnen afdwingen en de vrouw in dat geval zou hebben gedeeld in de alsdan gerealiseerde overwaarde − waarvan volgens de man sinds medio 2016 sprake was (rov. 5.7) − zonder enige vergoeding aan de man verschuldigd te zijn, aangezien deze vordering gekoppeld is aan de levering van de woning aan de man.
De rechtbank verwerpt het bezwaar van de man tegen de berekening van de gebruiksvergoeding (rov. 5.7). De gebruiksvergoeding is echter volgens de rechtbank alleen over de periode vanaf medio oktober 2016 [2] tot medio december 2020 toewijsbaar, omdat de man zich terecht op verjaring van eerdere aanspraken heeft beroepen; de vrouw kan die verjaarde aanspraken gezien art. 6:131 BW wel verrekenen (rov. 5.8).
1.4.3
Ook heeft de rechtbank een gedeelte van de notariële akte – onder punt 2, artikel 1 van de rubriek ‘OVERNAME SCHULD; BETALING’ en onder de rubriek ‘SLOTVERKLARINGEN’ – vernietigd, in die zin dat aan het hierin bepaalde geen rechtsgevolg toekomt.
1.4.4
De rechtbank heeft het in conventie de man veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding over de periode van medio oktober 2016 tot 15 december 2020 van in totaal € 54.000,-. en meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van de man afgewezen.
1.5
De man is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 april 2022. Hij heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van de vrouw alsnog zal afwijzen en zijn vorderingen alsnog zal toewijzen. De man heeft aanvullend gevorderd, kort gezegd, dat het hof voor recht zal verklaren dat als de rechtbank de akte van 15 december 2020 terecht partieel heeft vernietigd, de veroordeling van de vrouw in het vonnis van 11 maart 2015 nog onverminderd van kracht is.
De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij gevorderd, kort gezegd, dat haar vorderingen alsnog geheel worden toegewezen.
1.6.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 oktober 2024 het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te voldoen. Voor het overige heeft het hof het vonnis bekrachtigd.
1.6.2
Het hof overweegt in rov. 4.6 het volgende over de positie waarin partijen zich na het vonnis uit 2015 bevonden:
“De rechtbank heelt in 2015 de woning voor een bedrag van € 127.500.- aan de man toegedeeld onder de opschortende voorwaarde van ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Hierbij is geen termijn opgenomen waarbinnen het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw moest zijn geregeld. Uit hetgeen partijen in de stukken en ter mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, is het het hof duidelijk geworden dat partijen in 2015 over en weer klem zaten. De man kon destijds wel de lasten van de woning blijven voldoen, maar hij had niet de financiën om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. Bij verkoop van de woning in 2015 aan een derde zou de man - naar hij stelt - geen woning meer hebben. In ieder geval zouden beide partijen - zo de woning al aan een derde zou kunnen worden verkocht - een opeisbare schuld aan de bank hebben. De vrouw was niet in staat om een dergelijke schuld te voldoen. Evenmin was zij in staat bij toedeling van de woning aan de man de vordering van de man in verband met de in 2015 aanwezige onderwaarde van de woning te betalen. Er bestond een gerede kans dat verhaal op de vrouw illusoir zou zijn en zij in een schuldsaneringstraject in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen zou komen. Met het toedelen van de woning aan de man onder de in het bestreden vonnis vermelde voorwaarden, werd het bedrag van € 55.250.- eerst opeisbaar bij levering van de onverdeelde helft van de vrouw van de woning aan de man en na ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. In die zin leek er voor de vrouw, die niet bijdroeg aan de lasten en kosten van de woning, geen direct belang om consequenties te verbinden aan het feit dat zij in de periode 2015-2020 niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld werd ontslagen, eens te meer omdat zij nog steeds niet in staat was de vordering van de man van € 55.250.- te voldoen. Toen de man in 2020 meer ging verdienen en de financiële mogelijkheid had om uitvoering te geven aan het vonnis van 11 maart 201 5 en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan, heeft hij hiertoe stappen ondernomen (…)”
1.6.3
Het hof verwerpt in rov. 4.7 het standpunt van de vrouw dat de gemeenschap pas is opgeheven op 15 december 2020:
“4.7. Volgens vaste rechtspraak geldt dat als de rechter op de voet van artikel 3:185 BW de verdeling heeft vastgesteld, de datum van de uitspraak als de datum van de verdeling geldt. Als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. De omstandigheid dat de rechtbank de woning aan de man heeft toegedeeld onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening, maakt dit niet anders. Deze voorwaarde betreft naar haar aard niet de vaststelling van de verdeling als zodanig, maar is een bij de uitvoering van de verdeling door de man ten behoeve van de vrouw te bewerkstelligen prestatie en ziet (louter) op de uitvoering van de verdeling (zie ECLI:NL:HR:2023:1722). [3] De peildatum voor verdeling verandert door een opschortende voorwaarde als deze dan ook niet.
Dit betekent dat het standpunt van de vrouw dat de eenvoudige gemeenschap pas is opgeheven op 15 december 2020 naar het oordeel van het hof in dit geval niet kan worden gevolgd. (…)”
1.6.4
Het hof verwerpt in rov. 4.7 ook overigens het standpunt van de vrouw dat voor de waarde van de woning niet moet worden uitgegaan van de peildatum van 11 maart 2015:
“Ook overigens is er geen grond om af te wijken van de peildatum van 11 maart 2015. (…) Ook de door de rechtbank vastgestelde onderbedelingsvordering staat sinds het vonnis van 11 maart 2015 en het herstelvonnis van 29 december 2021 vast. De stelling van de vrouw dat de onderbedelingsvordering met de notariële akte is komen te vervallen is onjuist. Met de notariële akte en de inschrijving daarvan in de openbare registers is de levering als uitvoeringshandeling geschied, waarbij het tot dan toe onverdeeld aandeel van de vrouw in de woning aan de man is overgedragen, overeenkomstig hetgeen is beslist in het vonnis van 11 maart 2015.
Het hof ziet evenmin aanleiding op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum te aanvaarden zoals door de vrouw betoogd. Het door de vrouw genoemde tijdsverloop tussen datum vonnis toedeling en de daadwerkelijke uitvoering hiervan levert hiertoe in ieder geval geen grond op. Onweersproken heeft de man gesteld dat, zodra hij financieel daartoe in staat was, stappen heeft gezet om tot levering van de woning aan hem te komen, maar dat de vrouw telkenmale haar medewerking weigerde. Dat volgens de vrouw partijen zich niet hebben gedragen alsof er al een verdeling had plaatsgevonden, zo al relevant, blijkt niet uit de feiten. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw vanaf het moment dat de man alleen de woning bewoonde meebetaalde aan de hypotheeklasten, de overige eigenaarslasten of de onderhoudskosten van de woning. De overige door de vrouw aangevoerde argumenten, zowel in principaal appel als in incidenteel appel zijn - indien het al mogelijk zou zijn om de in het vonnis van 11 maart 2015 bepaalde peildatum aan te passen - eveneens onvoldoende om op grond van de redelijkheid en billijkheid tot aanpassing van de datum van verdeling te komen. In hetgeen de vrouw in dat kader heeft aangevoerd ziet het hof evenmin aanleiding om te oordelen dat, zoals de vrouw heeft verzocht, de redelijkheid en billijkheid aanleiding geven om in de onderhavige zaak af te wijken van het bepaalde in artikel 236 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) met betrekking tot gezag van gewijsde.”
1.6.5
Het hof oordeelt voorts dat de vrouw, anders dan de rechtbank oordeelde, geen recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode medio oktober 2016 tot 15 december 2020:
“4.8. Met het vonnis van 11 maart 2015 waarbij de woning aan de man is toegedeeld, is tussen partijen in hun onderlinge verhouding als deelgenoten in de woning in zoverre een rechtsgevolg ingetreden dat in deze onderlinge verhouding de verbintenisrechtelijke gevolgen van het eigendom (lees: in economische zin) op de man zijn overgegaan en daarmee het risico ten aanzien van de hypothecaire en andere eigenaarslasten en het onderhoud van de woning alsmede het risico dat de woningmarkt nog verder zou inzakken. Dat de woning niet eerder dan in december 2020 aan de man is geleverd doet aan het overgaan van deze economische eigendom niet af. Dat in de notariële akte van 15 december 2020 staat dat de deelgenoten overgaan tot verdeling en dat met ingang van de overnamedatum de baten aan de man ten goede komen en dat de lasten voor zijn rekening komen evenmin. Dit laat immers onverlet dat de gehele economische eigendom van de woning vanwege de werking van het vonnis reeds op 11 maart 2015 aan de man is toegekomen. Het beroep van de vrouw op de artikelen 3:169 BW en 3:172 BW moet reeds daarom worden afgewezen. Dat geldt evenzo voor de stelling van de vrouw dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt. Zo deze, eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep geponeerde stelling, als grief dient te worden beoordeeld, mist deze feitelijke grondslag.
Een en ander betekent dat de beslissing van de rechtbank dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen over de periode medio oktober 2016 tot 15 december 2020 geen stand kan houden en zal worden vernietigd en dat grief 1 van de man in principaal appel slaagt en dat de grieven 1 en 2 van de vrouw in incidenteel appel falen. Het beroep van de man in principaal appel op rechtsverwerking en verjaring behoeft daardoor geen bespreking. Het voorgaande betekent tevens dat de grondslag van grief 2 in principaal appel van de man is komen te ontvallen en dat deze grief om die reden geen bespreking meer behoeft.”
1.6.6
Het hof verwerpt grief 3 van de man, die was gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de ‘vernietiging’ van de notariële akte van 15 december 2020. Het hof overweegt dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit punt zal bekrachtigen om daarmee buiten twijfel te stellen dat deze onderdelen van de notariële akte tussen partijen geen werking hebben en dat ook niet hebben gehad. Het hof voegt daaraan toe:
“4.12 (…) Het voorgaande betekent echter ook dat, nu de betreffende onderdelen van de notariële akte tussen partijen geen enkele werking toekomt, de man zich tegenover de vrouw terecht op het standpunt kan stellen dat het vonnis van 11 maart 2015 voor de man nog steeds een titel oplevert.
4.13.
Voor zover de vrouw betoogt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn aanvulling van eis in hoger beroep, betreffende een verklaring voor recht ten aanzien van de executoriale titel van het vonnis van 11 maart 2015, faalt dat betoog. (…)
Wat betreft die vermeerdering dan wel aanvulling van eis in hoger beroep is er voor het hof geen rol weggelegd. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.12 overwogen heeft de notariële akte tussen partijen geen werking (gehad) waar het betreft de omzetting van de schuld van de vrouw aan de man die voortvloeit uit het vonnis van 11 maart 2015. In die zin heeft de notariële akte geen verandering teweeg gebracht in de aanspraken die de man aan die uitspraak kan ontlenen. Er bestaat voor het hof dan ook geen aanleiding de gevorderde verklaring voor recht toe te wijzen bij gebrek aan belang aan de zijde van de man. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.”
1.7
De vrouw heeft bij procesinleiding van 7 januari 2024 tijdig cassatieberoep ingesteld en haar standpunt schriftelijk toegelicht. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep en heeft zelf incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft in haar verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping van dat beroep, maar in haar schriftelijke toelichting alsnog geconcludeerd tot referte. [4] Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft bij repliek gereageerd op de schriftelijke toelichting van de man. De man heeft afgezien van de mogelijkheid om bij dupliek te reageren op de schriftelijke toelichting van de vrouw.

2.Bespreking van het principale cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel van de vrouw bestaat uit drie onderdelen.
Onderdeel Ibetreft de onderbedelingsvordering van de man op de vrouw,
onderdeel IIbetreft de gebruiksvergoeding en
onderdeel IIIbevat een voortbouwklacht.
Onderdeel I (onderbedelingsvordering)
2.2
Onderdeel Iricht zich tegen rov. 4.7 (tweede alinea vanaf de woorden “ook de door de rechtbank vastgestelde onderbedelingsvordering (…)” en derde alinea), rov. 4.12 (slotzin) en rov. 4.13 (tweede alinea).
Volgens het onderdeel (onder
I.1), samengevat, miskent het hof in bovengenoemde overwegingen de devolutieve werking van het hoger beroep. De vrouw heeft immers met zoveel woorden gesteld dat naleving van het vonnis van 11 maart 2015 en de verdelingsakte van 15 december 2020 tot een onaanvaardbare uitkomst leidt en de schuld van de vrouw aan de man aldus op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid dient te worden kwijtgescholden (CvA in reconventie nr. 64). De vrouw heeft dus los van de vraag of de peildatum of het gezag van gewijsde aantastbaar is, gesteld dat waar de man aan alle kanten winst op de woning heeft gemaakt, terwijl in die periode geen van beide partijen in staat was om in 2015 de ander uit te kopen, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de vrouw aan de man dan nog een onderbedelingsvordering zou moeten voldoen.
Indien het hof de devolutieve werking niet heeft miskend, dan had het hof volgens het onderdeel (onder
I.1) in elk geval op deze stellingen (CvA in reconventie nrs. 53-61 en de spreekaantekeningen in hoger beroep nrs. 13-17) moeten responderen, hetgeen maakt dat het arrest niet toereikend is gemotiveerd. Ook overigens zijn de overwegingen van het hof volgens het onderdeel (onder
I.2), samengevat, onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd in het licht van het door de vrouw in eerste aanleg aangevoerde en in hoger beroep gehandhaafde verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw aan de man die onderbedelingsvordering nog zou moeten betalen, althans dat onverminderde nakoming c.s. executie van de onderbedelingsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
2.3
Het onderdeel klaagt dus niet over de verwerping in rov. 4.7 van het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid in verband met (i) de peildatum en (ii) het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015, [5] maar klaagt dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het betoog van de vrouw (iii) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich in de omstandigheden van dit geval jegens de vrouw beroept op onverminderde nakoming van de onderbedelingsvordering. [6] Ik bespreek het onderdeel in vijf stappen.
2.4
Ten eerste: het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof in rov. 4.7, 4.12 en 4.13 erkent dat de man nog steeds aanspraak heeft op de onderbedelingsvordering uit hoofde van het vonnis van 11 maart 2015.
2.5
Ten tweede: het onderdeel voert terecht aan dat de vrouw belang heeft bij de klachten van het onderdeel, [7] ook al heeft het hof de door de man in reconventie gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de executoriale titel van het vonnis van 11 maar 2015, bij gebrek aan belang afgewezen (in rov. 4.13, tweede alinea). [8] Het belang van de vrouw is gelegen in het voorkómen dat de overweging van het hof in rov. 4.12-4.13 dat de man nog steeds aanspraak heeft op de onderbedelingsvordering uit hoofde van het vonnis van 11 maart 2015, tussen partijen gezag van gewijsde verkrijgt.
2.6.1
Ten derde: het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat vrouw zich er óók op heeft beroepen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich in de omstandigheden van dit geval jegens de vrouw beroept op onverminderde nakoming van de onderbedelingsvordering. Daarbij zij opgemerkt dat het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid weliswaar vooral de kwestie van de peildatum en het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015 betrof, maar niet uitsluitend. Ik wijs op de volgende elementen van het partijdebat.
2.6.2
De man heeft in eerste aanleg in reconventie onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat de notariële akte een schuldbekentenis van de vrouw inhoudt ter grootte van € 48.673,43 (en daarmee de onderbedelingsvordering werd omgezet in een geldlening) en aanspraak gemaakt op betaling. De vrouw heeft in haar conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis (hierna: CvA in reconventie) tegen de reconventionele vorderingen niet alleen aangevoerd dat het redelijk noch billijk zou zijn om vast te houden aan de peildatum voor de waardering van de woning in 2014 (nr. 45) en dat de beslissing van de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing moet worden gelaten (nr. 53), maar ook naleving van het vonnis van 11 maart 2015 en de verdelingsakte van 15 december 2020 tot een onaanvaardbare uitkomst leidt en dat de schuld van de vrouw aan de man ad € 48.673,43 aldus op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid dient te worden kwijtgescholden (nr. 64).
De rechtbank heeft de vorderingen van de man in reconventie afgewezen (rov. 5.14) en is niet toegekomen aan de door de vrouw in dat kader aangevoerde en door de man bestreden stellingen.
2.6.3
In haar memorie van antwoord in hoger beroep tevens houdende incidenteel appel (hierna: MvA) voert de vrouw aan dat de situatie dat de onderwaarde die in 2015 bestond volledig op haar terecht komt, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (nr. 9). Zij heeft hierop teruggegrepen in haar verweer tegen de principale grieven 1 en 2 de man (nrs. 41 en 56). Voorts heeft zij in haar incidentele grief 1 de peildatum voor de waarde van de woning aan de orde gesteld en in dat verband onder meer aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid aanleiding geven om de peildatum te verleggen naar 2020 (nrs. 104-106 en 117) en dat redelijkheid en billijkheid aanleiding geven om af te wijken van art. 236 Rv (nrs. 110-113 en 118).
In de spreekaantekeningen in hoger beroep (nrs. 14-17) stelt de vrouw dat een beroep van de man op de onderbedelingsvordering, zoals vastgelegd in het vonnis van 11 maart 2015, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en verzoekt het hof dan ook deze vordering af te wijzen.
2.7
Ten vierde: het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof diende te reageren op het door het onderdeel bedoelde beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid. De man maakte jegens de vrouw immers aanspraak op nakoming van de onderbedelingsvordering, hetzij in de vorm van de geldlening waarin deze vordering volgens de notariële akte van 15 december 2020 zou zijn omgezet, hetzij in de vorm van de door hem gevorderde verklaring voor recht dat hij nog steeds aanspraak kon maken op de onderbedelingsvordering uit hoofde van het vonnis van 11 maart 2015. De vrouw verweerde zich daartegen met het door het onderdeel bedoelde beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid.
2.8
Ten vijfde: het onderdeel neemt naar mijn mening terecht tot uitgangspunt dat het hof niet heeft gereageerd op het door het onderdeel bedoelde beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid. Dit punt verdient nadere toelichting.
2.9
Op zichzelf is denkbaar dat het hof het door het onderdeel bedoelde beroep op de redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet afzonderlijk heeft besproken op grond van de overweging dat dit in wezen neerkwam op haar in rov. 4.7 verworpen beroep op de redelijkheid en billijkheid in verband met het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015. Het oordeel dat er onvoldoende reden is om niet vast te houden aan het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015, brengt immers met zich dat de man de onderbedelingsvordering nog heeft en daar nog aanspraak op kan maken. Dit wordt ook aangevoerd in de schriftelijke toelichting namens de man (zie onder meer nr. 8).
In deze lezing van het arrest moeten de klachten van het onderdeel worden verworpen, omdat zij alsdan berusten op een onjuiste lezing van het arrest en feitelijke grondslag missen.
2.10.1
Ik meen echter dat een andere lezing van het arrest de voorkeur verdient. In dit geval bestaat er namelijk een relevant verschil in strekking van de verschillende beroepen van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid.
2.10.2
Het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid in verband met de peildatum en het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015 had tot inzet om te ontkomen aan de in het vonnis van 11 maart 2015 bepaalde peildatum voor de waarde van de woning teneinde ruimte te scheppen voor een peildatum per 15 december 2020. Dat zou de vrouw, zo betoogde zij, aanspraak geven op de helft van de waarde van de woning per 15 december 2020, al dan niet onder verrekening met de onderbedelingsvordering (zie de incidentele grieven 1 en 2), en daardoor zou de vrouw nog een bedrag van de man te vorderen hebben (zie de primaire en subsidiaire vorderingen van de vrouw, hiervoor in 1.2).
Het door het onderdeel bedoelde beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid in verband met de door de man gewenste nakoming van de onderbedelingsvordering had een andere inzet. Dit strekte er (naar verhouding: slechts) toe te voorkómen dat de man nog aanspraak zou kunnen maken op betaling van de onderbedelingsvordering door de vrouw.
2.10.3
Ik vind dit laatste een andere kwestie die ook een ander licht kan werpen op de argumenten die de vrouw ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Het betoog strekt er immers niet toe om nogmaals aan de orde te stellen of de man een onderbedelingsvordering op de vrouw heeft − dat was ook in 2015 al aan de orde gekomen, blijkens rov. 3.3 van het vonnis van 11 maart 2015 (zie hiervoor in 1.1 onder (iii)) −, maar strekt ertoe dat bij de vraag of de man nog nakoming van de onderbedelingsvordering kan vorderen ook wordt gekeken naar de omstandigheden waarin partijen zich bevinden ten tijde van de procedure bij rechtbank en hof.
Partijen zaten na het vonnis van 11 maart 2015 klem, zoals het hof overweegt (in rov. 4.6), en dat is zo gebleven (en kon zo blijven omdat het vonnis geen termijn stelde voor de afwikkeling van de toedeling van de woning aan de man) tot aan het moment dat één van partijen, de man, in staat was om uitvoering te geven aan het vonnis. Intussen is, volgens de stellingen van de vrouw, haar financiële positie niet verbeterd en is zij nog steeds niet in staat de onderbedelingsvordering te voldoen, terwijl de man inmiddels profiteert van de waardestijging van het huis.
2.11
Ik meen daarom ook dat het hof de door het onderdeel bedoelde stellingen van de vrouw niet onbesproken had mogen laten. De klacht van
onderdeel Islaagt in zoverre.
Het onderdeel faalt overigens voor zover het een beroep doet op de devolutieve werking van het appel. Het hof heeft de tegen het oordeel van de rechtbank gerichte grief 3 van de man afgewezen (rov. 4.9–4.12). Afwijzing van deze grief brengt mee dat het door de grief ontsloten gebied gesloten blijft. Voor behandeling van de in dat kader door de vrouw in eerste aanleg aangebrachte stellingen op grond van de devolutieve werking van het appel, is dan ook geen aanleiding.
Onderdeel II (gebruiksvergoeding)
2.12
Onderdeel IIklaagt over rov. 4.8. Het onderdeel voert aan dat het hof in rov. 4.8 onbesproken heeft gelaten wat er zij van de gebruiksvergoeding over de periode voorafgaand aan 11 maart 2015 en klaagt dat het hof hetzij de devolutieve werking van het appel heeft miskend, hetzij zijn oordeel onbegrijpelijk dan wel niet toereikend heeft gemotiveerd. Hieraan ligt ten grondslag de veronderstelling dat rov. 4.8 wel
eenoordeel bevat over het al dan niet mogen verrekenen door de vrouw over de periode voorafgaand aan 11 maart 2015 (zie ook de repliek nr. 1.6). Het onderdeel leidt dit af uit de omstandigheden dat de grieven van de man de verrekeningsbevoegdheid van de vrouw als zodanig aan de orde stelden, dus ook over de periode tot aan 11 maart 2015, en dat het hof overweegt dat de grondslag aan grief 2 is komen te ontvallen, zodat het hof daarmee kennelijk óók iets heeft willen zeggen over de periode tot aan 11 maart 2015.
Het onderdeel klaagt voorts dat, voor zover het hof van oordeel is dat met de toedeling van de echtelijke woning op 11 maart 2015 ook het recht op verrekening van de gebruiksvergoeding over de periode 2011-2015 vervalt c.q. niet langer voor verrekening vatbaar is door die toedeling, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, hetzij onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd is.
2.13
Het onderdeel voert terecht aan dat het hof in rov. 4.8 onbesproken heeft gelaten wat er zij van de gebruiksvergoeding over de periode voorafgaand aan 11 maart 2015. Ik verwijs in dit verband naar de bespreking van het incidentele cassatiemiddel, dat er eveneens vanuit gaat dat het hof in verband met de gebruiksvergoeding de periode voorafgaand aan 11 maart 2015 onbesproken heeft gelaten en daar met succes over klaagt (zie hierna in 3.5 e.v.).
2.14
Ik meen dat de klachten van
onderdeel IIechter dienen te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij voor het overige berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
Het hof heeft grief 1 van de man gegrond bevonden, maar die grief betrof de door de rechtbank toegewezen gebruiksvergoeding over de periode medio oktober 2016 tot en met 15 december 2020 en had geen betrekking op de periode tot aan 11 maart 2015 waarop het onderdeel doelt. Daarom valt niet in te zien dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend voor zover het betreft de gebruiksvergoeding over de periode voorafgaand aan 11 maart 2015.
Het hof heeft grief 2 van de man onbesproken gelaten voor zover het betreft de verrekeningsmogelijkheid van een gebruiksvergoeding over de periode 1 mei 2010 tot 11 maart 2015. Het hof heeft, anders dan het onderdeel veronderstelt, ten aanzien van die periode dus
geenoordeel gegeven.
Onderdeel III; slotsom
2.15
Onderdeel IIIbevat een voortbouwklacht. Deze klacht slaagt gedeeltelijk, in die zin dat rov. 4.11, 4.15 en het dictum met het slagen van de klacht van
onderdeel Iniet in stand kunnen blijven omdat zij voortbouwen op de met succes bestreden rov. 4.7, 4.12 en 4.13. Rov. 4.14 ziet de proceskostenverdeling en deze overweging staat los van de met succes bestreden overwegingen.
2.16
De slotsom is dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere afhandeling en beslissing.

3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel (gebruiksvergoeding)

3.1
Het incidentele cassatiemiddel klaagt in het enige onderdeel (onderdeel I) over het oordeel in rov. 4.8 dat door het slagen van grief 1 van de man zowel het beroep van de man op rechtsverwerking en verjaring als grief 2 (met betrekking tot de hoogte van de gebruiksvergoeding en de verrekeningsbevoegdheid van de vrouw) geen bespreking behoeven.
3.2
Volgens de klacht (in de
nrs. 2-4) is dit oordeel onjuist, omdat het hof deze grieven van de man had moeten beoordelen nu met de vernietiging van het oordeel van de rechtbank over de periode oktober 2016 tot medio december 2020 nog steeds de vraag open lag of de vrouw verrekeningsbevoegd is voor wat betreft de daaraan voorafgaande periode, althans de periode 2011 tot maart 2015 (datum vonnis). Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de vrouw bevoegd is haar verjaarde vorderingen te verrekenen met de vordering van de man, heeft de man daar evident belang bij. Het hof heeft aldus verzuimd (voldoende kenbaar) te beslissen op de desbetreffende grieven van de man dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom zijn grief 1 met daarin het beroep op rechtsverwerking en verjaring geen bespreking meer behoeft en dat aan zijn grief 2 die gericht was tegen het oordeel van de rechtbank over de verrekeningsbevoegdheid de grondslag is ontvallen en daarom geen bespreking meer behoeft.
Voor zover het hof in rov. 4.3-4.8 zou hebben gemeend dat de grieven van de man slechts toezagen op de periode vanaf 11 maart 2015 of dat hij zijn grieven daartoe zou hebben beperkt, is dat onbegrijpelijk omdat dit niet uit de processtukken blijkt, aldus de klacht in
nr. 5.
Het onderdeel bevat tevens (in
nr. 6)een voortbouwklacht, inhoudende dat bij het slagen van één of meer klachten van dit onderdeel ook de voortbouwende conclusie in rov. 4.15 en het dictum in rov. 5 van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven.
3.3.1
Met het oog op de bespreking van deze klachten geef ik hieronder het relevante procesverloop weer.
3.3.2
De vrouw heeft (in eerste aanleg) een gebruiksvergoeding gevorderd over de periode 1 mei 2010 [9] t/m 15 december 2020 (vonnis rov. 4.1 en 5.4-5.9). De vrouw berekende deze vordering op een totaalbedrag van € 133.302,25, zulks op basis van de helft van de huurwaarde die de woning volgens haar in de genoemde periode had. De man heeft zich daartegen verweerd. De rechtbank heeft deze vordering toewijsbaar geoordeeld, zij het slechts over de periode medio oktober 2016 tot medio december 2020, omdat de vordering over de daarvóór gelegen periode was verjaard. De verjaarde aanspraken kon de vrouw nog wel verrekenen, aldus de rechtbank.
3.3.3
De man heeft zijn grieven 1 en 2 gericht tegen het oordeel van de rechtbank ter zake van de gebruiksvergoeding.
In grief 1 stelt de man dat de vrouw vanaf 11 maart 2015 geen recht heeft op een gebruiksvergoeding (MvG nrs. 25 – 40). Voor zover de vrouw al aanspraak zou kunnen maken op een gebruiksvergoeding, is deze vordering volgens de man reeds in haar geheel in 2019 verjaard dan wel heeft de vrouw haar recht op een gebruiksvergoeding verwerkt (MvG nrs. 41 – 54).
In grief 2 stelt de man dat de rechtbank de hoogte van de gebruiksvergoeding onjuist heeft vastgesteld (MvG nrs. 58 – 63) en ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw ten aanzien van haar oudere (verjaarde) aanspraken een verrekeningsbevoegdheid toekomt. De man heeft hierbij betoogd dat in het geval van het ontbreken van een aanspraak op een gebruiksvergoeding of in het geval van rechtsverwerking er geen ruimte is voor verrekening (MvG nrs. 64 – 66).
3.3.4
In het incidentele appel heeft de vrouw in het petitum weliswaar (meer subsidiair) gevorderd dat de gebruiksvergoeding (alsnog) zal worden toegewezen over de periode 1 mei 2010 tot 15 december 2020, maar zij heeft géén grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat haar aanspraken op gebruiksvergoeding die dateren van voor medio oktober 2016 zijn verjaard.
3.4
Het hof oordeelt in rov. 4.8 dat de vrouw geen recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode oktober 2016 tot 15 december 2020, omdat met het vonnis van 11 maart 2015 het gehele economische eigendom van de woning op de man is overgegaan, en dat daarom grief 1 van de man slaagt. Daarmee is de grondslag aan grief 2 van de man vervallen, aldus het hof.
3.5
Het hof heeft zijn oordeel dat grief 1 van de man slaagt, gebaseerd op de betekenis van het vonnis van 11 maart 2015 in de onderlinge (verbintenisrechtelijke) verhouding tussen de man en de vrouw. Het hof heeft zich aldus slechts uitgelaten over het recht van de vrouw op een gebruiksvergoeding over de periode
vanafhet vonnis van 11 maart 2015.
3.6
Daarmee heeft hof impliciet ook een oordeel gegeven over de vraag of de vrouw een gebruiksvergoeding zou kunnen verrekenen over de periode
vanaf 11 maart 2015 tot medio oktober 2016. De vrouw heeft over de periode 11 maart 2015 tot medio oktober 2016 geen verrekeningsbevoegdheid – zo volgt uit rov. 4.8 −, omdat de vrouw vanaf 11 maart 2015 in het geheel geen recht heeft op een gebruiksvergoeding. Er valt dus na 11 maart 2015 niets te verrekenen. Hierop ziet, naar ik aanneem, de overweging van het hof (in rov. 4.8) dat de grondslag van grief 2 in principaal appel van de man is komen te ontvallen
3.7
Daarmee blijft onbeantwoord de vraag of de vrouw nog een verrekeningsbevoegdheid had voor het volgens de rechtbank verjaarde deel van haar vordering ter zake van een gebruiksvergoeding over de periode
van 1 mei 2010 tot aan 11 maart 2015. In zoverre heeft het hof grief 2 van de man naar mijn mening onbesproken gelaten. Het hof heeft geen oordeel gegeven over de verrekeningsmogelijkheid (in de zin die daaraan in grief 2 van de man werd gegeven) van een gebruiksvergoeding over de periode 1 mei 2010 tot 11 maart 2015.
3.8
Bij zijn grief 2 had de man ook na het slagen van zijn grief 1 nog steeds belang, nu grief 2 (mede) ziet op de periode die vooraf ging aan het vonnis van 11 maart 2015. Weliswaar had de vrouw volgens de rechtbank over deze periode slechts een verjaarde vordering op de man, maar zij zou deze vordering wel kunnen verrekenen met vorderingen van de man op haar, zoals de onderbedelingsvordering. Grief 2 van de man was erop gericht om ook dat stukje verrekeningsmogelijkheid van tafel te krijgen.
Het hof had grief 2 van de man in zoverre dan ook niet onbesproken mogen laten, nu de man daarin ook de verrekeningsbevoegdheid van de vrouw over de periode 1 mei 2010 tot aan 11 maart 2015 aan de orde stelde.
Daarvoor was ook aanleiding, omdat dat de man naar het oordeel van het hof nog steeds de onderbedelingsvordering op de vrouw heeft (zoals aan de orde kwam bij de bespreking van onderdeel I van de cassatieklachten van de vrouw in het principale cassatieberoep) en de verrekening met de door de man verschuldigde gebruiksvergoeding betrekking had op de onderbedelingsvordering.
3.9
Indien het hof heeft geoordeeld dat de grieven van de man slechts toezagen op de periode vanaf 11 maart 2015 of dat hij zijn grieven daartoe zou hebben beperkt, is dat oordeel in het licht van de processtukken niet begrijpelijk te noemen.
3.1
De klachten van het onderdeel in
nrs. 2-4respectievelijk in
nr. 5van het incidentele middel slagen.
Voortbouwklacht; slotsom
3.11
Gezien het voorgaande slaagt ook de voortbouwklacht in
nr 6van het incidentele middel voor zover het hof op de bestreden overweging heeft voortgebouwd in zijn rov. 4.15 en het dictum in rov. 5.
3.12
De slotsom is dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere afhandeling en beslissing.

4.Conclusie

De conclusie strekt in het principale en het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van het hof Amsterdam van 8 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2817, onder 3.1 - 3.9.
2.De inleidende dagvaarding waarbij de vrouw (onder meer) de gebruiksvergoeding vorderde is van 19 oktober 2021.
3.HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722, NJ 2024/199 m.nt. S. Perrick, JIN 2024/6 m.nt. N.J. Groen.
4.Dit kan in andersoortige procedures een reden zijn om de kosten van het incidentele cassatieberoep te compenseren, vgl. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2216, NJ 2018/469, JBPr 2019/15 m.nt. J. Verstoep, rov. 3.6; HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1018, rov. 5.6. In deze zaak maakt dit geen verschil, omdat kostencompensatie het uitgangspunt is bij geschillen tussen (ex-)echtgenoten. Zie B.T.M. van der Wiel (red), Cassatie, 2019/355.
5.Zo ook de schriftelijke toelichting van de man nr. 1.
6.Zie hiervoor het onderdeel onder
7.Dat wordt door de man in cassatie ook niet bestreden.
8.Vgl. HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183, JIN 2022/52 m.nt. L.V. van Garderen, rov. 3.1.3: “Indien (…) een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde. Dit brengt mee dat de gedaagde of verweerder voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij.”
9.In cassatie gaat de man ervan uit dat de vordering ziet op de periode 2011-2020 (incidenteel middel nr. 3 en voetnoot 3). Ook de vrouw noemt in cassatie 2011 als beginpunt (in onderdeel II van het principale cassatiemiddel). Blijkens de inleidende dagvaarding (nrs. 43-56) van de vrouw en de daarin opgenomen vordering IV, ziet de gevorderde gebruiksvergoeding op de periode 1 mei 2010-15 december 2020. Zie in deze zin ook vordering IV van de vrouw zoals vermeld in rov. 2.3 van het in cassatie bestreden arrest.