Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(ii) Tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoorde de woning gelegen te [plaats] . Ter financiering van de woning hebben partijen een aflossingsvrije hypothecaire geldlening afgesloten ter hoogte van destijds € 238.000,-. De man is na de scheiding in de woning blijven wonen.
(iii) Bij vonnis van 11 maart 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland inzake de verdeling van de ontbonden gemeenschap het volgende overwogen:
(v) Op 1 januari 2020 is de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 346.000,-.
(vi) Bij aangetekende brief van 5 maart 2020 heeft de man de vrouw verzocht het door de rechtbank opgelegde bedrag van € 55.250,- te betalen. De vrouw heeft hier niet aan voldaan.
(vii) De man heeft vervolgens het vonnis van 11 maart 2015 op 1 december 2020 aan de vrouw laten betekenen.
(viii) Bij notariële akte van partiële verdeling en levering van 15 december 2020 (hierna: notariële akte) heeft de levering van de woning aan de man plaatsgevonden. In de notariële akte is, voor zover van belang, het navolgende bepaald:
De vrouw vordert meer subsidiair dat de man haar een gebruiksvergoeding voor de woning zal betalen over de periode van 1 mei 2010 tot en met 15 december 2020 van in totaal € 133.302,35.
Ook heeft de vrouw in haar conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis (hierna CvA in reconventie) vernietiging gevorderd van de akte van 15 december 2020, omdat daarin zonder haar toestemming de vordering van de man uit onderbedeling uit hoofde van het vonnis van 11 maart 2015 is omgezet in een lening.
De rechtbank overweegt verder (in rov. 5.6) dat toekenning van een gebruiksvergoeding overigens gerechtvaardigd is, omdat de vrouw gedurende de jaren dat aan het vonnis uit 2015 geen uitvoering kon worden gegeven, verkoop van de woning aan een derde had kunnen afdwingen en de vrouw in dat geval zou hebben gedeeld in de alsdan gerealiseerde overwaarde − waarvan volgens de man sinds medio 2016 sprake was (rov. 5.7) − zonder enige vergoeding aan de man verschuldigd te zijn, aangezien deze vordering gekoppeld is aan de levering van de woning aan de man.
De rechtbank verwerpt het bezwaar van de man tegen de berekening van de gebruiksvergoeding (rov. 5.7). De gebruiksvergoeding is echter volgens de rechtbank alleen over de periode vanaf medio oktober 2016 [2] tot medio december 2020 toewijsbaar, omdat de man zich terecht op verjaring van eerdere aanspraken heeft beroepen; de vrouw kan die verjaarde aanspraken gezien art. 6:131 BW wel verrekenen (rov. 5.8).
De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij gevorderd, kort gezegd, dat haar vorderingen alsnog geheel worden toegewezen.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel Ibetreft de onderbedelingsvordering van de man op de vrouw,
onderdeel IIbetreft de gebruiksvergoeding en
onderdeel IIIbevat een voortbouwklacht.
Volgens het onderdeel (onder
I.1), samengevat, miskent het hof in bovengenoemde overwegingen de devolutieve werking van het hoger beroep. De vrouw heeft immers met zoveel woorden gesteld dat naleving van het vonnis van 11 maart 2015 en de verdelingsakte van 15 december 2020 tot een onaanvaardbare uitkomst leidt en de schuld van de vrouw aan de man aldus op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid dient te worden kwijtgescholden (CvA in reconventie nr. 64). De vrouw heeft dus los van de vraag of de peildatum of het gezag van gewijsde aantastbaar is, gesteld dat waar de man aan alle kanten winst op de woning heeft gemaakt, terwijl in die periode geen van beide partijen in staat was om in 2015 de ander uit te kopen, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de vrouw aan de man dan nog een onderbedelingsvordering zou moeten voldoen.
Indien het hof de devolutieve werking niet heeft miskend, dan had het hof volgens het onderdeel (onder
I.1) in elk geval op deze stellingen (CvA in reconventie nrs. 53-61 en de spreekaantekeningen in hoger beroep nrs. 13-17) moeten responderen, hetgeen maakt dat het arrest niet toereikend is gemotiveerd. Ook overigens zijn de overwegingen van het hof volgens het onderdeel (onder
I.2), samengevat, onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd in het licht van het door de vrouw in eerste aanleg aangevoerde en in hoger beroep gehandhaafde verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw aan de man die onderbedelingsvordering nog zou moeten betalen, althans dat onverminderde nakoming c.s. executie van de onderbedelingsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De rechtbank heeft de vorderingen van de man in reconventie afgewezen (rov. 5.14) en is niet toegekomen aan de door de vrouw in dat kader aangevoerde en door de man bestreden stellingen.
In de spreekaantekeningen in hoger beroep (nrs. 14-17) stelt de vrouw dat een beroep van de man op de onderbedelingsvordering, zoals vastgelegd in het vonnis van 11 maart 2015, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en verzoekt het hof dan ook deze vordering af te wijzen.
In deze lezing van het arrest moeten de klachten van het onderdeel worden verworpen, omdat zij alsdan berusten op een onjuiste lezing van het arrest en feitelijke grondslag missen.
Het door het onderdeel bedoelde beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid in verband met de door de man gewenste nakoming van de onderbedelingsvordering had een andere inzet. Dit strekte er (naar verhouding: slechts) toe te voorkómen dat de man nog aanspraak zou kunnen maken op betaling van de onderbedelingsvordering door de vrouw.
Het betoog strekt er immers niet toe om nogmaals aan de orde te stellen of de man een onderbedelingsvordering op de vrouw heeft − dat was ook in 2015 al aan de orde gekomen, blijkens rov. 3.3 van het vonnis van 11 maart 2015 (zie hiervoor in 1.1 onder (iii)) −, maar strekt ertoe dat bij de vraag of de man nog nakoming van de onderbedelingsvordering kan vorderen ook wordt gekeken naar de omstandigheden waarin partijen zich bevinden ten tijde van de procedure bij rechtbank en hof.
Partijen zaten na het vonnis van 11 maart 2015 klem, zoals het hof overweegt (in rov. 4.6), en dat is zo gebleven (en kon zo blijven omdat het vonnis geen termijn stelde voor de afwikkeling van de toedeling van de woning aan de man) tot aan het moment dat één van partijen, de man, in staat was om uitvoering te geven aan het vonnis. Intussen is, volgens de stellingen van de vrouw, haar financiële positie niet verbeterd en is zij nog steeds niet in staat de onderbedelingsvordering te voldoen, terwijl de man inmiddels profiteert van de waardestijging van het huis.
onderdeel Islaagt in zoverre.
Het onderdeel faalt overigens voor zover het een beroep doet op de devolutieve werking van het appel. Het hof heeft de tegen het oordeel van de rechtbank gerichte grief 3 van de man afgewezen (rov. 4.9–4.12). Afwijzing van deze grief brengt mee dat het door de grief ontsloten gebied gesloten blijft. Voor behandeling van de in dat kader door de vrouw in eerste aanleg aangebrachte stellingen op grond van de devolutieve werking van het appel, is dan ook geen aanleiding.
eenoordeel bevat over het al dan niet mogen verrekenen door de vrouw over de periode voorafgaand aan 11 maart 2015 (zie ook de repliek nr. 1.6). Het onderdeel leidt dit af uit de omstandigheden dat de grieven van de man de verrekeningsbevoegdheid van de vrouw als zodanig aan de orde stelden, dus ook over de periode tot aan 11 maart 2015, en dat het hof overweegt dat de grondslag aan grief 2 is komen te ontvallen, zodat het hof daarmee kennelijk óók iets heeft willen zeggen over de periode tot aan 11 maart 2015.
Het onderdeel klaagt voorts dat, voor zover het hof van oordeel is dat met de toedeling van de echtelijke woning op 11 maart 2015 ook het recht op verrekening van de gebruiksvergoeding over de periode 2011-2015 vervalt c.q. niet langer voor verrekening vatbaar is door die toedeling, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, hetzij onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd is.
onderdeel IIechter dienen te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij voor het overige berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
Het hof heeft grief 1 van de man gegrond bevonden, maar die grief betrof de door de rechtbank toegewezen gebruiksvergoeding over de periode medio oktober 2016 tot en met 15 december 2020 en had geen betrekking op de periode tot aan 11 maart 2015 waarop het onderdeel doelt. Daarom valt niet in te zien dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend voor zover het betreft de gebruiksvergoeding over de periode voorafgaand aan 11 maart 2015.
Het hof heeft grief 2 van de man onbesproken gelaten voor zover het betreft de verrekeningsmogelijkheid van een gebruiksvergoeding over de periode 1 mei 2010 tot 11 maart 2015. Het hof heeft, anders dan het onderdeel veronderstelt, ten aanzien van die periode dus
geenoordeel gegeven.
onderdeel Iniet in stand kunnen blijven omdat zij voortbouwen op de met succes bestreden rov. 4.7, 4.12 en 4.13. Rov. 4.14 ziet de proceskostenverdeling en deze overweging staat los van de met succes bestreden overwegingen.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel (gebruiksvergoeding)
nrs. 2-4) is dit oordeel onjuist, omdat het hof deze grieven van de man had moeten beoordelen nu met de vernietiging van het oordeel van de rechtbank over de periode oktober 2016 tot medio december 2020 nog steeds de vraag open lag of de vrouw verrekeningsbevoegd is voor wat betreft de daaraan voorafgaande periode, althans de periode 2011 tot maart 2015 (datum vonnis). Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de vrouw bevoegd is haar verjaarde vorderingen te verrekenen met de vordering van de man, heeft de man daar evident belang bij. Het hof heeft aldus verzuimd (voldoende kenbaar) te beslissen op de desbetreffende grieven van de man dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom zijn grief 1 met daarin het beroep op rechtsverwerking en verjaring geen bespreking meer behoeft en dat aan zijn grief 2 die gericht was tegen het oordeel van de rechtbank over de verrekeningsbevoegdheid de grondslag is ontvallen en daarom geen bespreking meer behoeft.
Voor zover het hof in rov. 4.3-4.8 zou hebben gemeend dat de grieven van de man slechts toezagen op de periode vanaf 11 maart 2015 of dat hij zijn grieven daartoe zou hebben beperkt, is dat onbegrijpelijk omdat dit niet uit de processtukken blijkt, aldus de klacht in
nr. 5.
Het onderdeel bevat tevens (in
nr. 6)een voortbouwklacht, inhoudende dat bij het slagen van één of meer klachten van dit onderdeel ook de voortbouwende conclusie in rov. 4.15 en het dictum in rov. 5 van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven.
In grief 1 stelt de man dat de vrouw vanaf 11 maart 2015 geen recht heeft op een gebruiksvergoeding (MvG nrs. 25 – 40). Voor zover de vrouw al aanspraak zou kunnen maken op een gebruiksvergoeding, is deze vordering volgens de man reeds in haar geheel in 2019 verjaard dan wel heeft de vrouw haar recht op een gebruiksvergoeding verwerkt (MvG nrs. 41 – 54).
In grief 2 stelt de man dat de rechtbank de hoogte van de gebruiksvergoeding onjuist heeft vastgesteld (MvG nrs. 58 – 63) en ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw ten aanzien van haar oudere (verjaarde) aanspraken een verrekeningsbevoegdheid toekomt. De man heeft hierbij betoogd dat in het geval van het ontbreken van een aanspraak op een gebruiksvergoeding of in het geval van rechtsverwerking er geen ruimte is voor verrekening (MvG nrs. 64 – 66).
vanafhet vonnis van 11 maart 2015.
vanaf 11 maart 2015 tot medio oktober 2016. De vrouw heeft over de periode 11 maart 2015 tot medio oktober 2016 geen verrekeningsbevoegdheid – zo volgt uit rov. 4.8 −, omdat de vrouw vanaf 11 maart 2015 in het geheel geen recht heeft op een gebruiksvergoeding. Er valt dus na 11 maart 2015 niets te verrekenen. Hierop ziet, naar ik aanneem, de overweging van het hof (in rov. 4.8) dat de grondslag van grief 2 in principaal appel van de man is komen te ontvallen
van 1 mei 2010 tot aan 11 maart 2015. In zoverre heeft het hof grief 2 van de man naar mijn mening onbesproken gelaten. Het hof heeft geen oordeel gegeven over de verrekeningsmogelijkheid (in de zin die daaraan in grief 2 van de man werd gegeven) van een gebruiksvergoeding over de periode 1 mei 2010 tot 11 maart 2015.
Het hof had grief 2 van de man in zoverre dan ook niet onbesproken mogen laten, nu de man daarin ook de verrekeningsbevoegdheid van de vrouw over de periode 1 mei 2010 tot aan 11 maart 2015 aan de orde stelde.
Daarvoor was ook aanleiding, omdat dat de man naar het oordeel van het hof nog steeds de onderbedelingsvordering op de vrouw heeft (zoals aan de orde kwam bij de bespreking van onderdeel I van de cassatieklachten van de vrouw in het principale cassatieberoep) en de verrekening met de door de man verschuldigde gebruiksvergoeding betrekking had op de onderbedelingsvordering.
nrs. 2-4respectievelijk in
nr. 5van het incidentele middel slagen.
nr 6van het incidentele middel voor zover het hof op de bestreden overweging heeft voortgebouwd in zijn rov. 4.15 en het dictum in rov. 5.