ECLI:NL:PHR:2025:1365

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/00504
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending van het onmiddellijkheidsbeginsel in hoger beroep

In deze zaak, die voor de Hoge Raad is gebracht, staat de vraag centraal of het onmiddellijkheidsbeginsel is geschonden in het hoger beroep. De vrouw heeft de man in eerste aanleg aangeklaagd bij de rechtbank Midden-Nederland, waarbij zij veroordeling tot betaling van € 310.000,00 vorderde. De rechtbank wees de vordering af. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de zaak behandeld, waarbij een enkelvoudige mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld, omdat zij meent dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel heeft geschonden door de zaak meervoudig te beslissen na een enkelvoudige behandeling. De Hoge Raad concludeert dat het hof de juiste procedure heeft gevolgd en dat de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft geboden voor partijen om hun stellingen toe te lichten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw, waarbij wordt benadrukt dat de mededelings- en gelegenheidsplicht zijn nageleefd. De uitspraak van het hof blijft in stand, en de vrouw wordt in haar verzoek om cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00504
Zitting12 december 2025
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[de vrouw] (hierna: de
vrouw)
tegen
[de man] (hierna: de
man)
Inleiding
Deze zaak draait om de vraag of in hoger beroep het onmiddellijkheidsbeginsel is geschonden. M.i. luidt het antwoord ontkennend.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals genoemd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het
hof) in rov. 3.1-3.11 van zijn arrest van 12 november 2024. [1] Deze feiten zijn voor de behandeling van deze zaak verder niet relevant.

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Bij inleidende dagvaarding van 28 april 2022 heeft de vrouw de man in rechte betrokken bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de
rechtbank).
2.2
De vrouw vorderde veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 310.000,00.
2.3
De man heeft een conclusie van antwoord genomen.
2.4
Op 11 november 2022 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij vonnis van 19 april 2023 [2] (hierna: het
vonnis), gewezen door één rechter, is de vordering van de vrouw afgewezen.
In hoger beroep
2.6
Bij appeldagvaarding van 6 juli 2023 is de vrouw in hoger beroep gekomen.
2.7
Bij arrest van 26 september 2023 heeft het hof een enkelvoudige mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald voor 11 december 2023.
2.8
Op 11 december 2023 heeft die mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.9
Op 23 januari 2024 heeft de vrouw een memorie van grieven genomen.
2.1
Op 5 maart 2024 heeft de man een memorie van antwoord genomen.
2.11
Op 24 oktober 2024 heeft een enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.12
Bij voornoemde arrest van 12 november 2024 (hierna: het
arrest) heeft het hof het vonnis bekrachtigd, bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
In cassatie
2.13
Bij procesinleiding van 11 februari 2025 heeft de vrouw (tijdig) cassatieberoep ingesteld. [3]
2.14
De man heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2.15
De man heeft zijn stellingen schriftelijk toegelicht, waarna de vrouw heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van de vrouw bevat een inleiding zonder klachten (p. 1-2) en twee onderdelen met klachten (p. 2-3). De klachten zien alle erop dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel heeft geschonden. Ik begin met inleidende opmerkingen over art. 16 Rv, het onmiddellijkheidsbeginsel, en mij gebleken relevante feiten en omstandigheden betreffende de procedure bij het hof. Zie onder 3.2-3.18 hierna.
Art. 16 Rv
3.2
Art. 16 Rv bevat bepalingen voor gerechtshoven. [4] Deze bepaling luidt:
1. Bij het gerechtshof worden zaken, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist door een meervoudige kamer, bestaande uit drie raadsheren.
2. Tenzij de zaak in eerste aanleg door een meervoudige kamer is beslist, kan de meervoudige kamer naar een enkelvoudige kamer verwijzen de zaken die aanhangig zijn gemaakt ingevolge het bij of krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde en die naar haar oordeel daarvoor geschikt zijn.
3. Indien de verwezen zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één raadsheer, wijst zij deze terug naar de meervoudige kamer.
4. Verwijzing of terugwijzing kan geschieden in elke stand van de procedure. De behandeling van een verwezen of teruggewezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
5. De meervoudige kamer kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen rechter-commissaris. De raadsheer-commissaris oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan het gerechtshof toegekend.
3.3
Uitgangspunt is ingevolge art. 16 lid 1 Rv dat de zaken bij het gerechtshof door een meervoudige kamer worden
behandeld en beslist. [5] Op dit uitgangspunt biedt art. 16 Rv twee uitzonderingen, te weten: (i) dat de meervoudige kamer de zaak verwijst naar de enkelvoudige kamer, die vervolgens
behandelt en beslist(zie nader art. 16 lid 2-4 Rv); [6] of (ii) dat de meervoudige kamer bepaalt dat de
behandelingvan de zaak geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen ‘rechter-commissaris’, [7] die daarbij de bevoegdheden uitoefent die aan het gerechtshof zijn toegekend (zie art. 16 lid 5 Rv). Indien van de laatste uitzondering gebruik wordt gemaakt, blijft de
beslissingvoorbehouden aan de meervoudige kamer. [8] Zo’n enkelvoudige behandeling van zaken die zich daarvoor lenen, moet bijdragen aan een eenvoudigere en snellere afdoening van die zaken en moet leiden tot een ontlasting van de gerechtshoven. [9] Behandeling en beslissing door de meervoudige kamer blijft evenwel de hoofdregel, omdat dit een goede rechtsbedeling bevordert. [10]
Onmiddellijkheidsbeginsel
3.4
De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2014 het onmiddellijkheidsbeginsel als zodanig een plaats in ons civiele procesrecht gegeven. [11] Ik citeer: [12]
Een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling (daaronder begrepen een comparitie van partijen of pleidooi in dagvaardingszaken), behoort, behoudens bijzondere omstandigheden, te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. (…) Mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting kan van wezenlijke invloed zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en kan niet altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven, nog daargelaten dat het opmaken van een proces-verbaal niet in alle gevallen wettelijk is voorgeschreven.
3.5
Die zaak ging over een in de loop van de procedure defungerende rechter. De rechter was nog betrokken bij de mondelinge behandeling, maar werd vervangen voordat de beslissing was genomen (de zogeheten ‘rechterswisseling’). [13]
3.6
Deze situatie kan - toegespitst op een zaak bij een gerechtshof - onderscheiden worden van de situatie waarin de mondelinge behandeling van de zaak ten overstaan van één raadsheer heeft plaatsgevonden, terwijl de beslissing door drie raadsheren wordt genomen. Die laatste situatie kan zich dus voordoen als toepassing wordt gegeven aan art. 16 lid 2-4 Rv of art. 16 lid 5 Rv. In dat eerste geval als de enkelvoudige kamer de behandeling doet, maar de zaak vervolgens terugwijst. In dat laatste geval, waarbij een raadsheer-commissaris de behandeling doet, altijd.
3.7
Indien een zaak bij een gerechtshof meervoudig wordt beslist, dient een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, [14] in beginsel plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zullen nemen. Dat uitgangspunt geldt niet als de mondelinge behandeling niet mede dat doel heeft (maar zie onder 3.8 hierna). Heeft een mondelinge behandeling wel mede dat doel, maar bepaalt het gerechtshof dat de behandeling van de zaak geschiedt ten overstaan van een raadsheer-commissaris (dus: er wordt toepassing gegeven aan art. 16 lid 5 Rv), dan moet het gerechtshof uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling (schriftelijk of elektronisch) aan hen mededelen dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris [15] (hierna: de
mededelingsplicht), [16] en aan partijen gelegenheid geven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, waarbij een termijn kan worden gesteld voor het doen van dit verzoek (hierna: de
gelegenheidsplicht). [17]
3.8
Heeft een mondelinge behandeling niet mede tot doel dat partijen in de gelegenheid worden gesteld hun stellingen toe te lichten, maar wordt de mondelinge behandeling in werkelijkheid daarvoor wel (ook) benut, dan zal alsnog gelegenheid moeten worden gegeven om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. De raadsheer-commissaris kan partijen die gelegenheid al bij de mondelinge behandeling geven. Partijen kunnen dan desgewenst tijdens de behandeling afstand doen van de mogelijkheid om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer te verzoeken. [18]
Relevante feiten en omstandigheden betreffende de procedure bij het hof
3.9
Uit het digitale roljournaal bij het hof (het “Journaal Civiel Gerechtshoven”) [19] blijken voor de onderhavige zaak onder meer de volgende rolhandelingen:
3.1
Zoals ook hieruit blijkt, heeft het hof (in de combinatie mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. M.M.A. Wind) op 26 september 2023 een arrest gewezen, waarin partijen zijn opgeroepen voor een enkelvoudige mondelinge behandeling na aanbrengen. Daarin staat onder meer:
3.1
Het hof zal een enkelvoudige mondelinge behandeling door een aan te wijzen raadsheer-commissaris bepalen om inlichtingen te verkrijgen en met partijen te onderzoeken of een oplossing (schikking) kan worden bereikt. Tijdens de zitting kan ook met partijen worden overlegd hoe de procedure verder zal verlopen. Daarbij kan over eventuele bewijsvoering of rapportage door deskundigen worden gesproken.
(…)
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bepaalt een mondelinge behandeling, waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor een nog aan te wijzen raadsheer-commissaris, voor het hierboven omschreven doel;
(…)
bij deze mondelinge behandeling bestaat geen gelegenheid om pleitnotities/spreekaantekeningen voor te dragen;
(…)
3.11
In het roljournaal staat op diezelfde dag vermeld:
EV MBNA is bepaald op 11-12-2023 te 10.00 uur (Team 5). 1x PD is aanwezig.
3.12 “
“EV MBNA” zal staan voor enkelvoudige mondelinge behandeling na aanbrengen en “PD” voor procesdossier. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling staat onder meer:
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling (…) door raadsheer-commissaris mr. J.G. Knot, die wordt bijgestaan door C.F.C. van Lookeren Campagne, griffier.
(…)
Partijen zijn verschenen om een schikking te bereiken.
Na schorsing laten de advocaten van partijen weten dat een schikking niet mogelijk is gebleken.
De raadsheer-commissaris verwijst de zaak naar de roldatum van
23 januari 2024voor memorie van grieven aan de zijde van [de vrouw].
3.13
Nadat partijen memorie van grieven respectievelijk memorie van antwoord hebben genomen, heeft het hof blijkens het roljournaal op 19 maart 2024 beslist over de verdere voortgang. In de kolom “aanvulling” behorend bij die datum (de onderste van de twee) staat:
(wel/ geen MBNMVA)
(enkelvoudig / meervoudig).
3.14 “
“MBNMVA” zal staan voor mondelinge behandeling na memorie van antwoord. In de rij boven deze opmerking staat dat op dezelfde dag de zaak is geselecteerd voor mondelinge behandeling na memorie van antwoord. In de kolom “opmerking” behorend bij die rij staat:
enkelvoudig
3.15
Op 9 april 2024 staat in het roljournaal, in verband met opgave van verhinderdata door partijen, in de kolom “aanvulling” behorend bij die datum: [20]
t.b.v. een enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord + 1x kopie procesdossier appewllant ontvangen op 04-04-2024.
3.16
En op 30 april 2024:
Aanvullende verhinderdata t.b.v. een enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord + 1x kopie procesdossier appewllant ontvangen op 04-04-2024. aantal aanhoudingen: 2x
3.17
De enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord vond plaats op 24 oktober 2024. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling staat onder meer: [21]
De raadsheer-commissaris [dat is mr. C. Koopman, A-G] opent de zitting, heet partijen welkom en deelt de inhoud mee van het bestreden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 april 2023. De raadsheer-commissaris deelt mee over welke stukken het hof beschikt en de advocaten verklaren over dezelfde stukken te beschikken. De raadsheer-commissaris schetst de gang van zaken op de mondelinge behandeling en deelt mee dat de zaak enkelvoudig wordt behandeld, maar dat de beslissing meervoudig zal worden genomen.
De aanwezigen hebben - zakelijk weergegeven - als volgt verklaard:
(…)
De raadsheer-commissarisdeelt partijen mee dat zij het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling krijgen toegestuurd, dat zij daar - zo nodig - op mogen reageren en dat de uitspraak gepland staat voor 17 december 2024. Beide advocaten verklaren ermee akkoord te gaan dat de uitspraak eerder wordt gedaan als deze eerder klaar is. De raadsheer-commissaris sluit de mondelinge behandeling. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is ondertekend door de raadsheer-commissaris.
3.18
De einduitspraak (het arrest) is, net als de onder 3.10 hiervoor bedoelde tussenuitspraak, meervoudig beslist (nu in de combinatie mr. C. Koopman, mr. J.G. Knot en mr. L. van Dijk). In het arrest staat onder meer:
1.4.
Op 24 oktober 2024 heeft een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van die mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). (…) Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald.
De klachten
3.19
Tegen deze achtergrond bezie ik de klachten. [22]
3.2
Onderdeel 1begint met de opmerking dat de meervoudige kamer van het hof volgens art. 16 lid 5 Rv weliswaar kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen raadsheer-commissaris. Maar door tijdens de mondelinge behandeling na memorie van antwoord op 24 oktober 2024
enkelvoudigde zaak te behandelen en daarna
meervoudigeinduitspraak te doen, heeft het hof miskend dat, ook in gevallen als het onderhavige, het onmiddellijkheidsbeginsel meebrengt dat als de zaak meervoudig wordt beslist, de aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen (voldoende) in de gelegenheid stelt om hun stellingen toe te lichten, in beginsel, moet plaatsvinden ten overstaan van alle raadsheren die de beslissing zullen nemen. Door na enkelvoudige mondelinge behandeling op 24 oktober 2024 ten overstaan van de raadsheer-commissaris de zaak meervoudig in het arrest te beslissen, heeft het hof het recht geschonden.
Behandeling
3.21
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.22
De mondelinge behandeling waar het hier om gaat, die van 24 oktober 2024 in hoger beroep, vond plaats in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten in hoger beroep. Bij een dergelijke mondelinge behandeling geldt in het algemeen dat deze mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten. [23] Dit geldt ook hier, te meer nu in hoger beroep eerder al - op 11 december 2023 - een mondelinge behandeling na aanbrengen had plaatsgevonden (zie onder 3.10-3.12 hiervoor). Dat de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 mede dat doel had, was tegen die achtergrond, en gelet ook op “MBNMVA” (dus na voornoemde schriftelijke uitwisseling), ook kenbaar uit het roljournaal (zie onder 3.9 en 3.13-3.16 hiervoor). En strookt bovendien met de gang van zaken bij die mondelinge behandeling, waarbij kort gezegd blijkens het proces-verbaal (dat zo’n 7,5 pagina’s beslaat) partijen, zijdens de vrouw mede op basis van voorbereide spreekaantekeningen, na inleidende opmerkingen van de raadsheer-commissaris in twee termijnen hun stellingen hebben toegelicht en vragen van de raadsheer-commissaris hebben beantwoord. Het is ook niet voor niets dat het hof in rov. 5.4 van het arrest, doelend op die mondelinge behandeling, wijst op hetgeen gebleken is “uit (…) wat op de mondelinge behandeling bij het hof is besproken”.
3.23
Ten aanzien van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 heeft het hof toepassing gegeven aan art. 16 lid 5 Rv. Dat blijkt mede uit het proces-verbaal van die mondelinge behandeling (zie onder 3.17 hiervoor) en uit het arrest (zie onder 3.18 hiervoor). Dit strookt ook met het roljournaal: daarin wordt niet gerept van verwijzing van de zaak naar een enkelvoudige kamer ter (behandeling en) beslissing, wel van “een enkelvoudige mondelinge behandeling” in de zaak na memorie van antwoord (zie onder 3.9 en 3.13-3.16 hiervoor). De eerdere mondelinge behandeling na aanbrengen betrof trouwens ook “een enkelvoudige mondelinge behandeling”, oftewel een behandeling van de zaak ten overstaan van een raadsheer-commissaris (zie onder 3.9-3.12 hiervoor). Het arrest is als gezegd meervoudig gewezen, net als de tussenuitspraak van 26 september 2023 meervoudig is beslist (zie onder 3.10 en 3.18 hiervoor). Ik kan daarlaten of het hier überhaupt gaat om een Boek 1 BW-zaak in de zin van art. 16 lid 2 Rv.
3.24
Art. 16 lid 5 Rv biedt het hof de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel dat de mondelinge behandeling plaatsvindt ten overstaan van de raadsheren die beslissen (“kan bepalen”), op voorwaarde dat, indien het een mondelinge behandeling betreft die mede tot doel heeft om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, is voldaan aan de mededelings- en gelegenheidsplicht. Zie onder 3.7 hiervoor.
3.25
Ik meen dat het hof hier voldoet aan beide plichten.
3.26
Uit het roljournaal blijkt afdoende dat is bepaald dat de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 zal worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris (“een enkelvoudige mondelinge behandeling”), gelijk geschiedde bij de eerdere mondelinge behandeling na aanbrengen. Zie onder 3.9-3.16 hiervoor. Daaraan doet m.i. niet af dat het roljournaal niet met zoveel woorden rept van een mondelinge behandeling ‘gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris’: dát is immers waar
enkelvoudig(in “een enkelvoudige mondelinge behandeling”) kenbaar op ziet. Dat (de advocaten van) partijen dit laatste anders hebben begrepen, blijkt ook nergens uit. Zo maakt het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 geen gewag van enige discussie naar aanleiding van de onder 3.17 hiervoor geciteerde mededeling van de raadsheer-commissaris “dat de zaak enkelvoudig wordt behandeld, maar dat de beslissing meervoudig zal worden genomen”. Die mededeling beantwoordde kennelijk aan de verwachting van partijen (en hun advocaten). Zie verder onder 3.22-3.23 hiervoor. Daarmee is voldaan aan de mededelingsplicht. Zie onder 3.7 hiervoor.
3.27
Naar bekend mag worden verondersteld, bevat vanaf 1 juli 2023 [24] - en ook ruim daarvóór al [25] - elk Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, dat algemeen toegankelijk is, in hoofdstuk 4 de bepaling onder “Verzoek meervoudige behandeling” dat iedere partij die in een meervoudig te beslissen zaak wordt opgeroepen voor een zitting ten overstaan van een raadsheer-commissaris, welke zitting mede ten doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, binnen twee weken na dagtekening van de oproeping kan verzoeken deze zitting te houden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. [26] Gezien ook 3.26 hiervoor hadden partijen (ieder vertegenwoordigd door een advocaat) die mogelijkheid in dit geval dus evenzeer, en wel reeds ruim voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024. [27] Daarmee is tevens voldaan aan de gelegenheidsplicht. Zie onder 3.7 hiervoor. [28]
3.28
Het onderdeel klaagt niet, althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, dat het hof de mededelingsplicht en/of de gelegenheidsplicht niet of onjuist heeft toegepast. Dit is al fataal, nog daargelaten dat het hof als gezegd voldoet aan die plichten.
3.29
Onderdeel 2aklaagt dat het hof partijen ten onrechte niet, voor het arrest, de gelegenheid heeft gegeven te verzoeken om (hernieuwde) mondelinge behandeling door de meervoudige kamer. Daarbij tekent het aan dat het hof aldus miskende dat nu deze zaak inhoudelijk enkelvoudig mondeling is behandeld en meervoudig bij einduitspraak werd beslist, de raadsheer-commissaris niet kon en mocht volstaan met de (enkele)
mededelingdat de zaak enkelvoudig werd behandeld en de beslissing meervoudig zou worden genomen, maar bij die gelegenheid partijen al erop had (kunnen en) behoren te wijzen dat zij voor de uitspraak konden verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer c.q. mede ten overstaan van de overige twee raadsheren, waarbij zij desgewenst op voorhand afstand hadden kunnen doen van het gebruik van die mogelijkheid. [29]
Behandeling
3.3
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.31
Onder 3.24-3.27 hiervoor zette ik al uiteen dat het hof in dit geval niet alleen voldoet aan de mededelingsplicht, maar ook aan de gelegenheidsplicht. Van een onjuiste rechtsopvatting dienaangaande van het hof is geen sprake.
3.32
Dit wordt niet anders door het betoog in het onderdeel dat de raadsheer-commissaris ter mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 partijen erop had (kunnen en) behoren te wijzen dat zij voor de uitspraak konden verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer c.q. mede ten overstaan van de overige twee raadsheren, waarbij zij desgewenst op voorhand afstand hadden kunnen doen van het gebruik van die mogelijkheid. Dit betoog vindt geen steun in het recht. Ik licht toe.
3.33
Volgens het onderdeel is hier sprake van “vaste rechtspraak”. Dit is onjuist, in ieder geval voor een geval als het onderhavige.
3.34
Slechts één van de door het onderdeel aangehaalde Hoge Raad-uitspraken raakt aan voornoemde betoog. Ook die uitspraak, van 19 juli 2019, [30] mist evenwel relevantie.
3.35
Ik citeer, met mijn onderstreping:
3.2.2
In zijn hiervoor in 3.2.1 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen, kort weergegeven, dat als hoofdregel geldt dat indien een zaak door een meervoudige kamer wordt beslist, een mondelinge behandeling in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de rechters die de beslissing zullen nemen, en dat in afwijking van deze hoofdregel de mondelinge behandeling door één rechter kan plaatsvinden.
Indien - in de in genoemde beschikking nader aangeduide gevallen - wordt besloten tot enkelvoudige behandeling, gelden de regels genoemd in de uitspraken van de Hoge Raad van 22 december 2017 [31] . Die regels houden in, kort gezegd, dat iedere partij de gelegenheid moet worden gegeven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer, en dat dit verzoek in beginsel zal moeten worden ingewilligd en alleen kan worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.
In aanvulling op die regels geldt dat indien een enkelvoudige kamer het voornemen heeft de zaak na de mondelinge behandeling voor de beslissing te verwijzen naar de meervoudige kamer, zij dit al bij de behandeling aan partijen kan mededelen en erop kan wijzen dat, in het geval van die verwijzing, partijen kunnen verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer. Partijen kunnen dan desgewenst op voorhand afstand doen van het gebruik van die mogelijkheid.(rov. 3.2.4-3.2.5)
(…) [32]
3.36
Het in de onderstreepte alinea besproken geval, erop neerkomend dat bij de enkelvoudige kamer het voornemen bestaat tot terugwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer na eerdere verwijzing van de zaak door de meervoudige kamer naar de enkelvoudige kamer (art. 16 lid 2-4 Rv), doet zich hier niet voor. Zie mede onder 3.23 hiervoor.
3.37
Voor zover het onderdeel veronderstelt dat dit geval zich hier wel voordoet, ontbeert zij dus feitelijke grondslag.
3.38
Tot slot: wordt het voorgaande anders door een Hoge Raad-uitspraak van 17 april 2020? [33] Het onderdeel beroept zich daarop niet. M.i. terecht.
3.39
Ik citeer, weer met mijn onderstreping:
3.2.1
Indien een zaak meervoudig wordt beslist, dient een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters die de beslissing zullen nemen. Van dit doel is in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Daarnaast kan van dit doel sprake zijn bij een mondelinge behandeling in een andere stand van het geding, maar dat hoeft niet het geval te zijn. [34]
Indien in een meervoudig te beslissen zaak wordt bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris, en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, zal uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Zodanig verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, en kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld. [35]
3.2.2
De hiervoor in 3.2.1 vermelde regels zijn niet van toepassing indien de mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter-commissaris niet mede tot doel heeft dat partijen de gelegenheid krijgen om hun stellingen toe te lichten, maar bijvoorbeeld uitsluitend ertoe strekt om een schikking te beproeven of om inlichtingen in te winnen. [36] Dat is evenwel anders indien een dergelijke mondelinge behandeling in werkelijkheid (ook) wordt benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten. [37] In dat laatste geval zal aan partijen alsnog gelegenheid moeten worden gegeven om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. De rechter-commissaris kan partijen die gelegenheid al bij de behandeling geven. Partijen kunnen dan desgewenst tijdens de behandeling afstand doen van de mogelijkheid om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer te verzoeken. [38]
3.4
Het in de onderstreepte alinea besproken geval, erop neerkomend dat de mondelinge behandeling ten overstaan van de raadsheer-commissaris niet mede tot doel heeft dat partijen de gelegenheid krijgen om hun stellingen toe te lichten, maar de mondelinge behandeling in werkelijkheid (ook) wordt benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, doet zich hier evenmin voor. Zie onder 3.22 hiervoor.
3.41
Voor zover het onderdeel veronderstelt dat dit geval zich hier wel voordoet, ontbeert zij dus feitelijke grondslag.
3.42
Hierop ketst het onderdeel integraal af.
3.43
Onderdeel 2bklaagt als volgt:
Bovendien, of althans, heeft het hof zijn (rol)beslissingen op 24 oktober 2024 dan wel eindarrest niet naar de eisen der wet met (afdoende) redenen omkleed. Allereerst volgt niet uit het proces-verbaal, het roljournaal en/of het eindarrest dat het hof op of na de mondelinge behandeling partijen de gelegenheid heeft gegeven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer, en/of dit op zwaarwegende gronden is afgewezen, welke gronden het hof in de uitspraak had moeten vermelden (HR 22 december 2017 en HR 19 juli 2019 voornoemd). Niet blijkt dat het hof partijen de gelegenheid heeft gegeven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer (mrs. Koopman, Knot en Van Dijk). De (enkele) mededeling van de raadsheer-commissaris ter zitting van 24 oktober 2024, dat de beslissing meervoudig zou worden genomen (p.-v., blz. 1), is daarvoor niet voldoende. Uit het proces-verbaal, het roljournaal, het eindarrest en correspondentie van de advocaten van partijen met het hof, waaronder de brieven met opmerkingen op het proces-verbaal, blijkt evenmin dat partijen op of na de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 op voorhand, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig, afzagen van de mogelijkheid om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer te vragen. Aldus getuigt het arrest in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting en, of althans, is zonder nadere motivering, die echter ontbreekt, onbegrijpelijk dat en op grond van welke (zwaarwegende) gronden het hof partijen daartoe niet (meer) gelegenheid heeft geboden (vgl. HR 19 juli 2019, rov. 3.2.3).
Behandeling
3.44
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.45
Zij veronderstelt dat het hof “op of na” de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 partijen de gelegenheid had moeten geven te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer en/of in het arrest had moeten vermelden op basis van welke zwaarwegende gronden dit is afgewezen/partijen daartoe niet (meer) gelegenheid is geboden.
3.46
Naar volgt uit de behandeling van de onderdelen 1 en 2a is deze veronderstelling onjuist. Kort en goed: het hof (i) heeft toepassing gegeven aan art. 16 lid 5 Rv, en (dus) al ruim vóór de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 beslist dat de zaak enkelvoudig zou worden behandeld en meervoudig zou worden beslist; en (ii) heeft in dat verband voldaan aan de mededelings- en gelegenheidsplicht, eveneens ruim vóór die mondelinge behandeling. Zie onder 3.21-3.28 en 3.30-3.42 hiervoor. Onder die omstandigheden is er logischerwijs geen beslissing van het hof tot zo’n afwijzing/geen gelegenheid (meer) bieden, en hoefde het hof niet datgene te doen wat het onderdeel voorstaat (‘had moeten’). Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het onderdeel. Dit behoeft geen verdere toelichting. [39]
3.47
Als laatste wordt geklaagddat gegrondbevinding van (een of meer klachten van) de onderdelen 1 t/m 2b betekent dat niet in stand kan blijven wat het hof in het arrest heeft geoordeeld en in het dictum heeft beslist.
Behandeling
3.48
Deze klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de onderdelen 1 t/m 2b, die als gezegd falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Slotsom
3.49
Het cassatiemiddel van de vrouw is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.5
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6991.
2.Zie Rb. Midden-Nederland 19 april 2023, zaaknr. C/16/538432/HL ZA 22-109 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
3.Blijkens de procesinleiding (p. 1) is dit beroep gericht tegen “de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht, handel, onder nr. 200.330.880/01 op 24 oktober 2024 gegeven (rol)beslissingen c.q. handelingen alsmede het op 12 november 2024 gewezen en uitgesproken eindarrest tussen de vrouw als appellante, oorspronkelijk eiseres en de man als geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde.”
4.Daartoe beperk ik mij in deze conclusie. Zie ook art. 15 Rv (eerste aanleg) en art. 17 Rv (cassatie).
5.Zie over het onderscheid hiertussen bijv. A.I.M. van Mierlo,
6.Wordt de zaak ingevolge art. 16 lid 2 Rv naar de enkelvoudige kamer verwezen, dan kan de enkelvoudige kamer de zaak ingevolge art. 16 lid 3 Rv weer terugwijzen naar de meervoudige kamer indien deze naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor de behandeling en beslissing door één raadsheer. Zie ook art. 16 lid 4 Rv.
7.Dit moet raadsheer-commissaris zijn. Dat hier rechter-commissaris staat, berust kennelijk op een fout. Zie mede
8.Dat de beslissing voorbehouden blijft aan de meervoudige kamer is benadrukt door de wetgever, mede door het opnemen van het woord “daarbij” (dus: bij de
9.Zie bijv.
10.Zie bijv. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264,
11.Aldus bijv. Asser Procesrecht/W.D.H. Asser,
12.Zie HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076,
13.Zie bijv. annotator W.D.H. Asser onder
14.De Groot en Steenberghe spreken in dit verband over een mondelinge behandeling met een “pleitkarakter”, zie D. de Groot & H. Steenberghe,
15.Ik neem aan dat hieronder ook kan vallen - althans in een geval als het onderhavige, waarin partijen in de procedure worden vertegenwoordigd door een advocaat - een kenbaar daartoe strekkende, zichtbare aantekening door het hof in het digitale roljournaal. Vgl. bijv. J.P. de Haan, ‘Nieuwe ontwikkelingen rond de rechterswisseling na een mondelinge behandeling’,
16.Of aan de mededelingsplicht is voldaan, kan blijkens rechtspraak van de Hoge Raad ook worden afgeleid uit ná de mondelinge behandeling opgemaakte processtukken, zoals het proces-verbaal en de einduitspraak. Zie bijv. HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:106,
17.Aan de gelegenheidsplicht kan worden voldaan door bij procesreglement te regelen dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Zie bijv. HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271,
18.Zie bijv. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726,
19.Zie de uitdraai overgelegd bij de schriftelijke toelichting zijdens de man, productie 1.
20.De verschrijving staat in het origineel. Dat geldt ook voor 3.16 hierna.
21.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024, p. 1 en 7.
22.De vetgedrukte woorden staan zo in de desbetreffende onderdelen.
23.Zie bijv. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726,
24.Zie art. 4.14: in de veertiende versie, ingangsdatum 1 juli 2023 (
25.Zie bijv. art. 4.14 in de twaalfde versie, ingangsdatum 1 april 2021 (
26.Ik wijs er nog op dat art. 10.1 van voornoemde procesreglement (ook al vóór de dertiende versie ervan) bepaalt dat hoofdstuk 4 van toepassing is op zaken waarbij het exploot van dagvaarding op of na 1 oktober 2019 rechtsgeldig is betekend. De appeldagvaarding in de onderhavige zaak dateert van 6 juli 2023. Zie onder 2.6 hiervoor. De dagvaarding in eerste aanleg dateert van 28 april 2022. Zie onder 2.1 hiervoor.
27.Blijkens het roljournaal vond de dagbepaling voor deze mondelinge behandeling plaats op 7 mei 2024, en is de keuze voor een enkelvoudige mondelinge behandeling al gemaakt op 19 maart 2024. Daarna hebben partijen hun verhinderdata opgegeven. Zie onder 3.9 hiervoor.
28.Ik wijs er nog op dat in cassatie niet ter discussie staat dat voornoemde procesreglement van toepassing is. Zie bijv. de schriftelijke toelichting zijdens de man, nrs. 5-10 en de repliek zijdens de vrouw, nrs. 1-4.
29.Aan het slot staat in het onderdeel: “(…) (vaste rechtspraak; zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264,
30.Zie HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1280,
31.[Noot in het origineel, A-G:] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264 en ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.1 en 3.6.3-3.6.5.
32.Toevoeging A-G: zie in dezelfde zin een uitspraak van een week eerder, HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202,
33.Zie HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726,
34.[Noot in het origineel, A-G:] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.1.
35.[Noot in het origineel, A-G:] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.6.2-3.6.4 en HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, rov. 3.4.1.
36.[Noot in het origineel, A-G:] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.2.
37.[Noot in het origineel, A-G:] Vgl. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, rov. 4.1.4.
38.[Noot in het origineel, A-G:] Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202, rov. 3.2.5.
39.Bij die stand van zaken, en gegeven ook de laatste zin waarin het onderdeel culmineert (“Aldus getuigt het arrest”, etc.), voel ik mij vrij om daar te laten: in hoeverre de vrouw met het onderdeel nu eigenlijk specifiek in beroep komt tegen bepaalde “(rol)beslissingen op 24 oktober 2024”; en voor zover daarvan al sprake zou zijn, in hoeverre dat kan (zie bijv. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2568,