ECLI:NL:PHR:2025:1374

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
14 december 2025
Zaaknummer
25/00332
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van conservatoir beslag in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar illegaal aanbieden van kansspelen

In deze zaak gaat het om een beklagprocedure naar aanleiding van conservatoir beslag dat is gelegd in het kader van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. De rechtbank Oost-Brabant heeft op 30 mei 2024 het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard, waarbij de klager verzocht om gedeeltelijke opheffing van het beslag op diverse onroerende en roerende goederen. De klager stelt dat er sprake is van overbeslag, omdat de waarde van het beslag het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Het Openbaar Ministerie betwist dit en stelt dat er geen overbeslag is, omdat het beslag is gelegd ter waarborging van een mogelijke ontnemingsmaatregel. De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij hij opmerkt dat de rechtbank voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de persoonlijke belangen van de klager niet zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag. De rechtbank heeft vastgesteld dat het onderzoek naar de strafbare feiten complex is en dat de klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in een zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat het beslag opgeheven zou moeten worden. De zaak heeft ook samenhang met andere zaken die in het kader van het onderzoek ‘Milwaukee’ lopen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00332 B
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klager.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/020110), heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot gedeeltelijke opheffing van het beslag op diverse onroerende en roerende goederen, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00331, 25/00333, 25/00334 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins, allen advocaat in Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Alle middelen hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het eerste, tweede en derde middel komen erop neer dat de rechtbank dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Het vierde en vijfde middel komen erop neer dat de rechtbank voornoemd oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.

2.De zaak in het kort

2.1
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 10] (25/00321), [klager] (aandeelhouder van [medeklager 10] ), [medeklager 8] (25/00331), [medeklager 9] (25/00320) (aandeelhouder van [medeklager 8] ), [medeklager 3] (25/00322), [medeklager 1] (25/00330) (aandeelhouder van [medeklager 3] ) en [medeklaagster] (25/00335) (partner van [medeklager 1] ), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is op 16 juni en 15 september 2021 conservatoir beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende zaken, te weten: een woning, een boot, een tweetal voertuigen, een zestal effectenportefeuilles en een vijftal bankrekeningen. Deze voorwerpen bevinden zich in het onderhavige geval, afgezien van twee ABN AMRO bankrekeningen, in Zwitserland, alwaar [klager] (aandeelhouder van [medeklager 10] ) sinds 2015 woonachtig is.
2.2
Namens de klager is, na zich herhaaldelijk en tevergeefs (schriftelijk) tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 9 augustus 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op bijna 10 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 10 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat van overbeslag in het geheel geen sprake is. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
Het klaagschrift, het standpunt van het OM, het proces-verbaal van de raadkamer en de bestreden beschikking
3.1
Het klaagschrift – dat voor [klager] en [medeklager 10] gelijkluidend is – komt er in de kern op neer dat op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 37.078.322,- in mindering moet worden gebracht i) de omzet afkomstig van spelers uit het buitenland die door de klager wordt geschat op € 226.546,-, ii) de inkomsten uit [A] N.V. (uit welke vennootschap [medeklager 10] dividenduitkeringen ontving) die door de klager worden geschat op € 14.608.137, nu deze vennootschap zich niet bezig heeft gehouden met het aanbieden van kansspelen en iii) 10% van het door de FIOD geschatte ontnemingsbedrag (hetgeen neerkomt op € 3.707.832,-), gelet op de rol van de overheid rondom online kansspelen en hetgeen uit het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:67 daaromtrent zou volgen. Nu de waarde van het beslag volgens de klager – daartoe verwijzend naar bij het klaagschrift gevoegde stukken – neerkomt op € 28.466.599, zou sprake zijn van € 9.930.792,- aan overbeslag (€ 28.466.599,- minus (€ 37.078.322,- – € 226.546,- – € 14.608.137,- – € 3.707.832,- =) 18.535.807,-). Verder geldt dat de klager als gevolg van het (over)beslag niet langer in staat is “alle noodzakelijke uitgaven”, waaronder belastingen en studiekosten van zijn kinderen, te voldoen.
3.2
Meer specifiek houdt het klaagschrift – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):
“1.0. Feiten – algemeen
(…)
1.5
Opgemerkt zij [klager] naast de bovengenoemde bank- en effectenrekeningen, louter beschikt over een niet beslagen bankrekening bij de BCV bank. Daarop wordt maandelijks een bedrag van 15.000 CHF overgeboekt. Dit bedrag is echter niet toereikend om alle noodzakelijke uitgaven te voldoen, daaronder begrepen de scholing van de kinderen alsmede de Zwitserse inkomstenbelasting. (…)
4.0.
Overbeslag
4.1.
Het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel zou volgens de FIOD voor [klager] € 37.078.322 bedragen. Uit de als bijlage 1 opgenomen documenten volgt dat het OM beslag heeft gelegd op vermogen met een waarde van in totaal € 28.466.599.
4.2.
Van de zijde van het OM is opgemerkt dat het percentage spelers uit het buitenland niet hoger zou zijn dan 3,08%. Ten aanzien van dat percentage mag dan gevoeglijk worden aangenomen dat het OM daarvan eveneens van oordeel is dat dit niet is verkregen als gevolg van een schending van de WOK. Dat rechtvaardigt een verdere verlaging van het becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager] ad € 226.546.
4.3.
Daarbij komt dat [A] N.V. zich niet beziggehouden heeft met het aanbieden van kansspelen. Deze vennootschap maakte reclame voor onder andere online-casino’s, hetgeen niet kwalificeert als overtreding van de WOK. In dat kader zouden alle inkomsten uit [A] N.V. uit het wederrechtelijk verkregen voordeel geëlimineerd moeten worden, hetgeen reeds op 20 augustus 2021 door de verdediging onder de aandacht van het openbaar ministerie is gebracht. Van de zijde van de Nederlandse toezichthouders is opgemerkt dat deze werkzaamheden niet verboden waren. In dat kader zou het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager] verlaagd moeten worden met een bedrag ad € 14.608.137
4.4.
Naast het feit dat sprake is van een aanzienlijk bedrag aan overbeslag, dient naar onze stellige overtuiging ook acht te worden geslagen op de rol van de overheid bij onder meer het beleid rondom online kansspelen alsook de beslissingen die zijn genomen in de zaak Milwaukee, welke een verdere matiging van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel rechtvaardigen.
4.5.
In dat licht verwijzen wij naar het Checkpoint-arrest van 25 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:67), waarin de Hoge Raad als volgt heeft geoordeeld:
"3.4.1 Op grond van de vierde volzin van artikel 36e lid 5 Sr "kan" de rechter de betalingsverplichting van de betrokkene lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Deze bevoegdheid van de rechter om de betalingsverplichting te matigen is niet beperkt tot specifieke gevallen. Ook op grond van andere omstandigheden dan die verband houden met de draagkracht van de betrokkene, kan de rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. (Vgl. HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860 en HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.)
3.4.2
Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden om te beslissen welke omstandigheden van belang zijn te achten voor de beslissing of de betalingsverplichting wordt gematigd en, zo ja, met welk bedrag die matiging plaatsvindt.
3.5.1
Het hof heeft blijkens de onder 3.2 weergegeven overwegingen bij zijn beslissing de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting 50% lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel, enerzijds rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, de rol die de ovérheid in dat verband heeft vervuld, en de mate waarin de overheid ten gevolge van de exploitatie van de coffeeshop inkomsten heeft genoten, terwijl het hof anderzijds het maatschappelijk niet aanvaardbaar acht dat een wetsovertreder al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden.
3.5.2
Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat de door het hof daartoe in aanmerking genomen omstandigheden niet kunnen leiden tot matiging van de betalingsverplichting, faalt het gelet op wat onder 3.4 is vooropgesteld over de vrijheid van de ontnemingsrechter. De beslissing van het hof de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting 50% lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel is daarnaast niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het cassatiemiddel."
4.6.
Op grond van bovengenoemde jurisprudentie stellen klagers dat een matiging van het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel met tenminste 10% gerechtvaardigd is. Eén en ander gelet op de rol van de overheid rondom online kansspelen, de beslissingen die zijn genomen in de zaak Milwaukee en het overbeslag. In dat kader dient het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel verder te worden gematigd met € 3.707.832 (te weten 10% van € 37.078.322).
4.7.
In het kader van het vorenstaande kan het overbeslag en de matiging van het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt worden berekend:
5.0.
Eisen van subsidiariteit en proportionaliteit
5.1.
Als gevolg van het feit dat alle bank- en effectenrekeningen, voertuigen en onroerende zaken van klagers zijn beslagen en het OM niet bereid lijkt te zijn om een deel van het beslag op te heffen, kunnen klagers op geen enkele wijze meer voldoen aan hun financiële verplichtingen en nauwelijks het spreekwoordelijke hoofd boven water houden. Noodzakelijke uitgaven kunnen niet gedaan worden en financiële en administratieve verplichtingen kunnen ook niet worden nagekomen.
5.2.
De gevolgen van het voortduren van het beslag zijn voor klagers aanzienlijk en reeds uiteengezet in de brief aan het OM van 19 juli 2023 (reeds bijgevoegd). Voor uw gemak is de betreffende passage hieronder integraal opgenomen:
"Niet alleen is er dus sprake van een substantieel bedrag aan overbeslag, ook is het een feit dat cliënten nauwelijks hun hoofd nog boven water kunnen houden, hetgeen in ieder geval binnen afzienbare tijd tot het faillissement van [medeklager 10] zal leiden en het stopzetten van de studie van beide kinderen.
In dat kader zou het naar onze stellige overtuiging mogelijk moeten zijn om met elkaar afspraken te maken om zodoende te komen tot een situatie die voor alle partijen aanvaardbaar is. Er lijkt ons voorts een gezamenlijk belang aanwezig om te bezien of er afspraken gemaakt kunnen worden zonder verdere procedures.
Wij zouden u in dat kader willen verzoeken om maatregelen te treffen teneinde [medeklager 10] en [klager] in staat te stellen aan hun noodzakelijke verplichtingen te voldoen."
5.3.
Tenslotte zij opgemerkt dat klagers niet verzoeken om het opheffen van het gehele beslag, maar slechts om het vrijgeven van het overbeslag zodat zij gedurende de verdere duur van het strafrechtelijk onderzoek Milwaukee aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. Klagers verzoeken om voor de verdere duur van het onderzoek in hun levensonderhoud te kunnen blijven voorzien. Het onderzoek Milwaukee duurt reeds ruim twee jaren en de reële verwachting is dat het nog ten minste vijf jaren zal duren voor het onderzoek zal eindigen. Dat de redelijke termijn met voeten wordt overschreden is thans een gegeven.
REDENEN WAAROM:
Klagers uw Rechtbank eerbiedig verzoeken het beslag (gedeeltelijk) op te heffen en het bedrag aan overbeslag en matiging wederrechtelijk verkregen voordeel ad € 9.930.792 vrij te (laten) geven.”
3.3
De schriftelijke reactie van het openbaar ministerie op dit klaagschrift komt er in de kern op neer dat geen sprake is van het door de klager gestelde overbeslag, mede omdat in de berekening van de FIOD nog geen rekening is gehouden met vervolgprofijt. De precieze hoogte van dat vervolgprofijt zal (onder meer) moeten blijken uit jaarrekeningen van in het buitenland gevestigde vennootschappen, waarover het openbaar ministerie – in verband met een lopende ‘geheimhoudersprocedure’ – nog geen beschikking heeft. Bovendien zou gelden dat de investeringen en bedrijfsactiviteiten van [A] N.V. bij aanvang zijn gefinancierd met crimineel vermogen, zodat ook de door deze vennootschap gegeneerde inkomsten als vervolgprofijt zouden moeten worden aangemerkt. Ten aanzien van de omzet die volgens de klager uit het buitenland afkomstig zou zijn, merkt het openbaar ministerie op dat het percentage dat de klager in zijn berekening heeft gebruikt nog niet door de opsporing is geverifieerd en dat zich nog “allerlei omstandigheden kunnen voordoen waardoor het percentage dient te worden bijgesteld.” Er zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn van Nederlandse spelers die de beschikking hebben over een buitenlandse bankrekening.
3.4
Meer specifiek houdt de schriftelijke reactie van het openbaar ministerie – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

Geen overbeslag want vervolgprofijt
Klagers stellen dat er sprake is van overbeslag. Het OM betwist dat ten zeerste. De verdediging gaat er steeds, in alle correspondentie en nu ook in de klaagschriften, aan voorbij dat er sprake is van vervolgprofijt. Al het beslag dat is gelegd, stemt overeen met de criminele verdiensten verdiend met de strafbare feiten en voortvloeiend daaruit, waar ook het vervolgprofijt onder begrepen dient te worden.
We hebben in verband met de geheimhouderprocedure nog geen afgerond onderzoek naar het vervolgprofijt tot en met heden van de bedragen van afgerond totaal 37 miljoen (WVV) welke door [klager] en [medeklager 10] vanaf 2007 zijn ontvangen. Wat we wel zien is dat met het vermogen van 37 miljoen tot en met heden een aanzienlijk rendement lijkt te zijn behaald. Dit maakt dat het WVV hoger is dan het bij aanvang van het onderzoek berekende bedrag van 37 miljoen.
Dat rendement valt onder meer af te leiden uit de jaarrekeningen van [medeklager 10] . In de fysieke inbeslagname uit Curaçao zijn geen jaarrekeningen over die jaren aangetroffen. We hebben op dit moment nog niet de beschikking over de digitale inbeslagname uit Curaçao, waardoor we nog geen inzage hebben, voor zover de jaarrekeningen daarin zijn opgeslagen, in de jaarrekeningen van [medeklager 10] over de jaren 2015-2020 (2021 was nog niet opgemaakt in juni 2021) waaruit een vervolgprofijt zou kunnen blijken (als beleggingsresultaat voor de jaren 2015-2020 na aftrek van kosten).
Mogelijk gaan we die jaarrekeningen ook aantreffen in Zwitserland maar deze informatie staat ons nog niet ter beschikking. Dat geldt evenzo met betrekking tot informatie van bankinstellingen in Zwitserland waar [medeklager 10] / [klager] tegoeden hebben.
Uit de fysieke inbeslagname op Curaçao zijn wel diverse vermogensoverzichten aangetroffen van beleggingen bij bankinstellingen. Of deze volledig zijn, is thans nog onduidelijk. Die info is nog niet ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam. Zoals gezegd kan dat vervolgprofijt globaal op de eenvoudigste manier uit de jaarrekeningen worden opgemaakt.
Kort en goed is de situatie aldus zoals we dat nu kunnen zien dat de verdiensten van de klagers aanzienlijk waren, renderen en daarmee inmiddels ook vervolgprofijt hebben gegenereerd. Ook daarop leggen we beslag. Van overbeslag is dus geen sprake.
Overigens, zo er al sprake zou zijn van overbeslag, geldt dat verdachten zelf hebben gesteld dat sommige verdachte vennootschappen failliet dreigen te gaan. Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt het OM zich op het standpunt dat niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat dan het voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Het beslag dient immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering; ook rekening houdend met eventuele faillissementen en meerdere schuldeisers. Dat dit laatste, meerdere schuldeisers, niet denkbeeldig is blijkt uit het feit dat wij zeer recent, 9 april jl. een informatieverzoek ontvingen van een curator/vereffenaar uit Curaçao. Bij dit verzoek is gevoegd een beschikking van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 19 maart 2024 tot heropening van de vereffening van meerdere van onze verdachte rechtspersonen. Dit verzoek Is gedaan door de Nederlandse Belastingdienst/Staat de Nederlanden voor een vermeende belastingaanslag/naheffing voor € 100.000.000,-. Dit zou dan betreffen: VpB, dividend-belasting, OB en kansspelbelasting. Hoe een en ander zich verhoudt tot onze berekening van het WVV dient nog nader te worden bekeken.
Geen strijd met subsidiariteit en proportionaliteit
Eerder heeft het OM al aangegeven dat het uit coulance en geheel onverplicht aan [klager] en zijn partner reeds eenmalig een bedrag van €75.000,- heeft vrijgegeven.
Daarnaast heeft de Zwitserse officier van justitie - zonder overleg met ons - besloten dat vanuit het beslag per augustus 2022 elke maand aan [klager] en zijn partner een bedrag van 15.000 Zwitserse Francs wordt voldaan. Dat is
omgerekend bijna € 16.000,- per maand (!), en dat elke maand (!!), al sinds augustus 2022. Dat is inmiddels een bedrag van 21 x 15.000 = 315,000,- Zwitserse Francs, omgerekend ruim
€ 320.000,-.En dat bedrag loopt iedere maand op. En het beslagen saldo neemt iedere maand met dat bedrag af.
Tot slot geldt dat voor twee auto's, namelijk een Mercedes en een Porsche Macan zekerheid is gesteld door [klager] . Ze hebben vervoer. En ook overigens staat het OM zeer open voor voorstellen tot het stellen van zekerheid (mits redelijk; taxatiewaarde).
Van strijd met subsidiariteit en proportionaliteit is dan ook geen sprake.
[A] N.V.
De verdediging stelt dat [A] NV zich niet bezig gehouden heeft met het aanbieden van kansspelen en dat daarom een bedrag van ruim 14 miljoen uit het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel geschrapt zou moeten worden. Het OM betwist dit en stelt het navolgende.
[F] AB heeft voor de casino-groep een bedrag betaald van € 132.306.452, bestaande uit de volgende componenten (AMB-001- APV):
1. € 2.820.676 zichtbaar eigen vermogen;
2. € 129.485.776 aan goodwill (5,9 x EBIT over 2013).
Ad 1
Dit betreft het met de criminele activiteiten (het illegaal aanbieden van internetgokken op de Nederlandse markt) opgebouwd eigen vermogen. Dit betreft volgens het OM dan ook direct uit de strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ad 2
Bij de aandelenverkoop aan [F] was sprake van een goodwill-bedrag. Goodwill vertegenwoordigt de waarde van toekomstige inkomsten van de ondernemingen die nog niet gewaardeerd zijn op de balans, maar die al wel bestaan in de vorm van reputatie, kennis, klanten, marktpositie, merken, personeel, etcetera.
De waardestijging van de aandelen van de casinogroep is ontstaan doordat de met de criminele activiteiten verdiende gelden zijn aangewend voor de (uitbreiding) van de bedrijfsactiviteiten van de casinogroep. Hierdoor heeft de casinogroep een organisatie opgebouwd met een reputatie, kennis, klanten, marktpositie, merken, personeel, waar derden, in casu [F] AB, een verdiencapaciteit aan koppelen. Deze verdiencapaciteit is door [F] AB gewaardeerd op € 129.485.776.
Zonder de criminele activiteiten en de aanwending van de daarmee gerealiseerde opbrengsten in de bedrijfsvoering van de casinogroep zou deze verdiencapaciteit niet zijn gerealiseerd. Het OM merkt de waardestijging van de aandelen, die door de verkoop hiervan aan [F] AB wordt gerealiseerd, dan ook aan als vervolgprofijt. Deze waardestijging had niet kunnen worden gerealiseerd zonder die eerdere aanwending van met criminele activiteiten verdiende gelden.
Voor deze goodwill kan een parallel worden getrokken met de waardestijging van een met crimineel geld aangeschaft pand. In een daarop betrekking hebbende uitspraak concludeert de Hoge Raad:
Dat voordeel kan bestaan uit voordeel dat d.m.v. – en dus rechtstreeks uit – strafbare feiten is verkregen (primair voordeel) alsook uit vervolgprofijt, d.w.z. voordeel dat uit de baten van strafbare feiten is verkregen. Opvatting dat ontneming van vervolgprofijt slechts mogelijk is indien de omvang van het primaire voordeel blijkt, gaat uit van een eis die geen steun vindt in het recht. Hof heeft o.m. vastgesteld dat betrokkene twee panden van de opbrengsten van strafbare feiten heeft gekocht en dat die panden in waarde zijn gestegen. Het heeft geoordeeld dat die waardestijging als vervolgprofijt bij de schatting van w.v.v. kan worden betrokken omdat die waardestijging niet was gerealiseerd zonder die eerdere aanwending van de genoemde opbrengsten zodat het bedrag van die waardestijging in zijn geheel is aan te merken als w.v.v. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Voor [A] NVgeldt hetzelfde als hiervoor vermeld. De investeringen en bedrijfsactiviteiten van [A] N.V. zijn bij aanvang betaald dan wel gefinancierd met door criminele activiteiten gegenereerde gelden (het illegaal aanbieden online gokken). De door [A] N.V. hiermee gegenereerde winsten zijn daarom ook aan te merken als vervolgprofijt. Dat geldt ook voor een waardestijging van de aandelen [A] N.V. die werd gerealiseerd bij de verkoop aan [F] .
Ook hier kan een parallel worden getrokken met een met crimineel geld aangeschaft pand dat wordt verhuurd. De huuropbrengsten, die ook afkomstig zijn van personen die op geen enkele wijze betrokken zijn bij het strafrechtelijk onderzoek, van het met crimineel geld aangeschafte pand zijn aan te merken als vervolgprofijt.
3% omzet uit het buitenland
Het OM merkt op dat de vermeende 3% omzet die uit het buitenland afkomstig zou zijn herleid is uit gegevens van de verdediging zelf. Deze is nog niet door de opsporing geverifieerd. Dit is wel noodzakelijk, nu er zich allerlei omstandigheden kunnen voordoen waardoor het percentage dient te worden bijgesteld. Zo kan er sprake zijn van Nederlandse spelers die de beschikking hebben over een buitenlandse bankrekening.
Daarnaast zal de FIOD en het OM zich nog beraden op de vermengingsleer van legale en illegale inkomsten. Dit kan er toe leiden dat we geen rekening houden met een (overigens zeer miniem) deel eventuele legale inkomsten. We zouden op de muziek vooruit lopen indien we hier nu al rekening mee zouden houden door beslag terug te geven.
Het is al met al dus niet aan de orde en verre van opportuun nu een verrekening toe te passen zoals door de verdediging voorgesteld.
Conclusie
Het OM verzoekt de rechtbank (…) om de klaagschriften ongegrond te verklaren.”
3.5
Blijkens het proces-verbaal van de raadkamer van 19 april 2024 hebben de raadslieden van de klager aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. In die pleitnota wordt verder voortgebouwd op het in het klaagschrift ingenomen standpunt dat op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moeten worden gebracht i) omzet van spelers uit het buitenland en ii) inkomsten uit [A] N.V. Benadrukt wordt dat de klager bij zijn berekening van de omzet van spelers uit het buitenland is uitgegaan van het percentage dat door de FIOD zelf is genoemd en dat dit percentage vermoedelijk nog hoger zal uitvallen, omdat daarbij nog geen rekening is gehouden met Nederlandse spelers die – bijvoorbeeld tijdens een vakantie of zakenreis – vanuit het buitenland aan de kansspelen deelnamen.
3.6
Meer specifiek houdt de pleitnota – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):
“2.0. Verlaging becijfering wederrechtelijk verkregen voordeel: Percentage spelers die zich niet in Nederland bevonden.
2.1.
Volgens het Openbaar Ministerie zijn alle beslagen gelden uit misdrijf afkomstig en is het meerdere zonder meer vervolgprofijt. In de klaagschriften is uiteengezet dat het Openbaar Ministerie en de FIOD hebben geverbaliseerd over het percentage spelers uit het buitenland dat niet hoger zou zijn dan 3,08%. Dit betreft geen standpunt van de verdediging, maar hetgeen door de FIOD is geverbaliseerd. Vastgesteld kan worden dat het Openbaar Ministerie meent dat de omzet en het resterende resultaat voor 3,08% niet voortvloeit uit het aanbieden van kansspelen aan Nederlandse spelers.
2.2.
Een duidelijke parallel kan worden getrokken met een zaak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 april 2008 (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0903) waarin een vennootschap in Hongarije binnen een vennootschapsstructuur zogenoemde 'technisch eiproducten' "omkatte" tot humaan eiproducten. Daarbij ging het Hof ervanuit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel was opgekomen binnen de vennootschap [bedrijf 10] en ging het Hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de transacties die via [bedrijf 10] zijn gelopen. Het voordeel werd, aangezien de exacte administratieve gegevens ontbreken ten aanzien van de inkoop en verkoop van de eiproducten, vastgesteld op basis van de door [bedrijf 10] aan [bedrijf 3] uitgekeerde dividenden. Het Hof oordeelt als volgt:
"Zoals hiervoor onder Dl.3 is overwogen gaat het hof uit van een percentage van 96,97% van de totale hoeveelheid ingekocht eiproduct waarmee gefraudeerd is. Het gedeelte van het dividend dat als wederrechtelijk genoten voordeel wordt aangemerkt, wordt op grond daarvan eveneens op een percentage van 96,97% bepaald."
2.3.
Uitgaande van 3,08% die niet wederrechtelijk is, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004,
productie 1) werd verdiend met de online casino's te weten op euro's afgerond € 35.327.489 (ten aanzien van [medeklager 10] ) en € 1.750.833 ( [klager] ) - na aftrek van het wederrechtelijk verkregen dat betrekking heeft op [A] N.V. nu hierover in onderdeel 3 van de pleitnota nader wordt ingegaan - in totaal een bedrag ad € 33.768.058 zou een bedrag van
€ 1.040.056in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen en dient het beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van [klager] en/of [medeklager 10]
2.4.
Het is echter (ook) een feit dat de opbrengst van spelers die hebben ingezet van buiten Nederland veel groter is geweest dan 3,08%.
2.5.
Overigens is het percentage "Nederland" in de tabel gebaseerd op het adres dat de speler bij registratie heeft opgegeven. Dat betekent een overschatting ten opzichte van deelname aan een kansspel vanuit Nederland, omdat wanneer deze spelers voor korte of langere tijd in het buitenland verbleven (voor vakantie of werk, op een hotelkamer, een luchthaven) en dan een storting deden deze ook aan Nederland wordt toegerekend. Terwijl er dan geen sprake was van deelname aan een kansspel vanuit Nederland.
2.6.
In de Nadere Memorie van Antwoord bij de Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet (Eerste Kamer, 2007 2008, 30 583, E, pagina 2) staat:
"De Wet op de kansspelen laat wel toe dat Nederlandse belastingplichtigen vanuit het buitenland, bijvoorbeeld wanneer zij daar met vakantie zijn of verblijven, (via internet) deelnemen aan kansspelen. Dergelijke buitenlandse internetkansspelen kunnen als toelaatbaar worden aangemerkt."
2.7.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch overwoog in zijn uitspraak van 11 maart 2024 (zaak Rykiel):
"Hoewel niet met zoveel woorden vervat in de delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling."
2.8.
Er kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de omzet die afkomstig is van spelers in het buitenland niet als wederrechtelijk kan worden aangemerkt.
2.9.
Het gemiddeld aantal vakantiedagen per inwoner van Nederland (15 jaar en ouder) dat werd doorgebracht in het buitenland was 14,6 dagen per jaar (2007-2014)
• 2007 13,9
• 2008 15,1
• 2009 14,6
• 2010 14,8
• 2011 14,9
• 2012 14,8
• 2013 14,4
2.10.
Dat betekent dat inwoners van Nederland (15 jaar en ouder) gemiddeld 4% van de dagen doorbrachten in het buitenland voor vakantie (2007-2014).
2.11.
In 2019 maakten Nederlanders in totaal 3,7 miljoen zakelijke vliegreizen en de gemiddelde verblijfsduur was 3,9 dagen. Het gemiddeld aantal verblijfsdagen voor zakenreizen per vliegtuig was daarmee 1,0 per inwoner van Nederland (18 jaar en ouder).
2.12.
Dat betekent dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 0,28% van de 365 dagen doorbrachten in het buitenland voor zakenreizen (2019). Dat is dus exclusief zakenreizen per auto of trein.
2.13.
Opgeteld betekent dat dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 4,28% van de dagen doorbrachten buiten Nederland.
2.14.
De ervaring leert dat spelers tijdens verblijf in het buitenland niet minder spelen dan thuis. In tegendeel, tijdens verblijf in hotel of op een luchthaven zijn kansspelen een populair tijdverdrijf (dit blijkt ook uit de vele casino's in het buitenland op dergelijke locaties).
2.15.
Het is dus een veilige conclusie dat 4,28% van 96,92% = nog eens 4,15% niet aan Nederland toe te rekenen valt. Dus in plaats van 96,92% is het nauwkeuriger om uit te gaan van 96,92% - 4,15% = 92,77%. Een percentage van 7,23% is niet aan omzet van Nederlandse spelers toe te rekenen.
2.16.
In verband met het beslag zou dat er toe leiden dat een bedrag van 7,23% niet wederrechtelijk is verkregen, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004, productie 1) werd verdiend met de online casino's (na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op [A] NV) te weten op euro's afgerond € 33.768.058 zou een bedrag van
€ 2.441.431in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen en dient het beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van [klager] .
2.17.
Vanaf 28 maart 2012 was oranjecasino.com niet meer te bezoeken in België. De Belgische cijfers na die tijd, te weten de 3,08%, zijn dus niet vergelijkbaar met de periode daarvoor. Ook voor [casino 1] zijn de cijfers over 2013 fors lager dan in voorgaande jaren, omdat daar geen Belgische spelers geaccepteerd werden tijdens de vergunningsaanvraag in België, die een groot deel van 2013 liep.
2.18.
In aangehechte e-mail (
productie 2) aan de bestuurder van [casino 1] en [casino 2] , [betrokkene 1] , zijn percentages opgenomen over een eerdere periode, namelijk 1 januari 2012 tot en met 28 maart 2012. Toen was het aandeel in het totaalbedrag deposits NL/BE/RoW (overige landen):
• bij [casino 2] : 91,6%/6,2%/2,2% (dus 8,4% buiten NL)
• bij [casino 1] : 88,9%/7,9%/3,2% (dus 11,1% buiten NL)
dat kwam neer op in totaal 9,75% buiten Nederland.
2.19.
Indien we uitgaan van de cijfers uit 2012 (9,75% buiten Nederland, dus 90,25% Nederland), dan is het 4,28% van 90,25% = 3,86%. Dat komt dan dus neer op 90,25% - 3,86% = 86,39% Nederland in het eerste kwartaal van 2012.
2.20.
Op basis van de hiervoor benutte rekenmethodiek zou dan 13,61% van € 33.768.058 (verkregen voordeel na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op [A] NV) als niet wederrechtelijk dienen te worden aangemerkt. Dat betreft dan € 4.595.833.
3.0.
[A] N.V.
3.1.
[A] N.V. heeft zich nimmer bezig gehouden met het aanbieden van online kansspelen. Door middel van publicaties op het internet werd informatie verschaft over kansspelen.
3.2.
Niet alleen de aard van de onderneming wijkt af, ook de feitelijke betrokkenheid is geheel anders dan bij de overige verdachte vennootschappen. De aandeelhouders zijn niet hetzelfde als bij de andere vennootschappen.
3.3.
Van groot belang voor deze procedure is dat [A] N.V. meerdere cliënten had en haar omzet zelfs voor meer dan de helft aan andere cliënten te danken had. Het merendeel van de omzet was derhalve afkomstig van partijen die met de huidige strafzaak niets van doen hebben. Meer concreet was de omzet voor 45,3% afkomstig van betalingen van [casino 2] en [casino 1] . Voor een percentage van 54,7% heeft het resultaat van [A] N.V. in het geheel niets te maken met de door het Openbaar Ministerie veronderstelde criminele organisatie. Dus zelfs als [A] N.V. gerekend zou dienen te worden tot een criminele organisatie, quod non, zelfs dan kan niet worden gesteld dat alle revenuen van deze N.V. aangemerkt kunnen worden als wederechtelijk verkregen.
3.4.
[klager] ontving - ook volgens het Openbaar Ministerie - in totaal € 2.203.444 aan dividenden uit [A] N.V. Een bedrag van
€ 1.205.283kan op basis van het huidige strafdossier in ieder geval niet als wederrechtelijk verkregen te worden aangemerkt.
3.5.
De verkoopopbrengst wordt gesteld op € 24.809.385. Daarvan is dan 54,7% niet als wederrechtelijk aan te merken, te weten € 13.570.733. Een derde is [klager] toegekomen, dient dat te leiden tot een verlaging van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van
€ 4.523.578.
3.6.
Zoals hiervoor opgemerkt was de omzet voor 45,3% afkomstig van [casino 2] en [casino 1] . Van die omzet was ten minste 3,08% afkomstig van spelers buiten Nederland.
3.7.
Van de dividenden ad € 2.203.444 is € 998.160 toe te rekenen aan de omzet van [casino 2] en [casino 1] . Van dat laatste bedrag is dan 3,08%, te weten
€ 30.743, niet als wederrechtelijk aan te merken.
3.8.
Van de verkoopopbrengst ad € 24.809.385 is € 11.238.651 toe te rekenen aan de omzet van [casino 2] en [casino 1] . Van dat laatste bedrag is dan 3,08%, te weten € 346.150, niet als wederrechtelijk aan te merken. Een derde kwam aan [klager] toe: € 115.383.
3.9.
Het verweer betreffende [A] betreft in totaal een bedrag van
€ 5.874.986.
4.0.
Subsidiariteit en proportionaliteit
4.1.
Het zogeheten summiere karakter van de onderhavig procedure betekent niet dat uw Raadkamer louter dient te toetsen of sprake is van een verdenking van een misdrijf van de vijfde boetecategorie en of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot een veroordeling of toewijzing van de ontnemingsvordering zal komen. Het 'summiere karakter' is immers geen vrijbrief om helemaal niet naar feitenkwesties te kijken, bijvoorbeeld met betrekking tot de proportionaliteit van het voortduren van beslag waartegen beklag wordt gedaan. Daarbij komt dat rechtskwesties wel ten volle dienen te worden beoordeeld en dat daarover moet worden beslist. Mevis schreef hierover in zijn noot bij het overzichtsarrest:
"En rechtskwesties dienen ten volle te worden beoordeeld en beslist, bijvoorbeeld bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het beslag (aub niet verschuilen achter de RC: HR 12 oktober 2010, NJ 2010/563 met verwijzing naar HR 20 juni 1988, NJ 1989/213) of in het kader van de naleving van formaliteiten bij beslag (art. 94b en art. 94c Sv, waarbij de rechter tot een niet altijd even gemakkelijke excursie naar BRv wordt uitgenodigd)."
4.2.
In het verweerschrift is door het Openbaar Ministerie aangegeven dat uit coulance en geheel onverplicht aan [klager] reeds eenmalig een bedrag van € 75.000 is vrijgegeven. Dat bedrag is echter direct opgegaan aan het voldoen van diverse facturen, Zwitserse belasting en schoolgelden, en was dienaangaande geenszins toereikend.
4.3.
Ten aanzien van de maandelijkse toelage die door de Zwitserse autoriteiten is toegekend aan [klager] en zijn gezin zij het volgende opgemerkt. De Zwitserse wet noopt er kennelijk toe dat verdachten van een strafrechtelijk onderzoek in hun (en dat van het gezin) primaire levensonderhoud moeten kunnen blijven voorzien. Dat betekent dat men nog boodschappen moet kunnen doen, verzekeringen en premies moeten kunnen betalen en zich moeten kunnen blijven vervoeren. Alhoewel de uitlatingen van het OM wellicht doen vermoeden dat de maandelijkse toelage een 'vetpot' is, is het allesbehalve dat. [klager] heeft sinds de zomer van 2021 geen Zwitserse belastingen ad CHF 17.500 per maand kunnen betalen en hij heeft het schoolgeld van zijn kinderen moeten voldoen met geleend geld. Het lenen bij vrienden en familie is na bijna drie jaren ook tot een einde gekomen. Van belang is voorts dat het levensonderhoud in Zwitserland meer dan het dubbele kost dan in Nederland. Opgemerkt zij voorts dat het OM gepoogd heeft om tijdens hun bezoek aan de Zwitserse autoriteiten in januari 2023, de maandelijkse toelage van het gezin van [klager] te doen stoppen.
4.4.
Inmiddels ligt het beslag er voor een periode van meer dan 2 jaren en 10 maanden. Behalve een paar processenverbaal en wat documenten die zijn toegezonden, is er een radiostilte. Er zijn al heel veel stukken vrijgegeven aan het Openbaar Ministerie, maar toch blijft het mantra dat men niets kan zonder stukken. Die stukken zijn er in grote aantallen. Er zijn DOC's met een nummering boven de 1.000. Er zijn ook AMB's. Alles wordt aan de verdachten onthouden.
4.5.
Bij cliënten bestaat de indruk dat nu alle financiële middelen zijn bevroren het Openbaar Ministerie het eigenlijk verder wel goed vindt. Het leven is stilgezet en de veroorzakende overheid doet alsof dit een definitief oordeel is. Cliënten werd in een brief medegedeeld dat ze maar aan hun nieuwe situatie moeten wennen. Het Openbaar Ministerie had immers al gesproken. Cliënten vertrouwen op de rechter, maar zolang een echte behandeling niet waarschijnlijk lijkt in de komende jaren, verzoeken zij uw Raadkamer het klaagschrift toe te wijzen en het leven - tot de datum van de uiteindelijke zitting - mogelijk te maken.
Conclusie:
In het kader van het vorenstaande handhaaft klager het klaagschrift van 9 augustus 2024 en verzoekt u het beslag op te heffen voor de bedragen die hiervoor zijn genoemd.”
3.7
Het proces-verbaal van de raadkamer houdt verder nog het volgende in:

De officieren van justitie:
Desgevraagd door de voorzitter geef ik aan dat daar waar het Openbaar Ministerie stelt geen stukken te hebben dit gaat over inbeslagnames in Zwitserland.
Desgevraagd geef ik aan dat ik nog niet kan zeggen of er onderdelen zijn waar wij ons kunnen vinden in de gestelde waardes van de verdediging.
(…)
De klager:
De voorzitter vraagt mij of ik een toelichting kan geven over of en hoe de inbeslagnames effect op mijn leven en op mijn bedrijf hebben gehad. Waar kan ik beginnen. Zojuist kreeg ik te horen dat mijn zoon is toegelaten tot de universiteit en het eerste wat ik dan bedenk is hoe ik dit ga kunnen betalen. Wat mij enorm stoort is dat er wordt gedaan alsof ik enorme geldbedragen vanuit de Zwitserse inbeslagnames al terug aan het krijgen ben. Ik kan het lijstje wel opnoemen aan verplichte kosten die ik in Zwitserland heb. De toelage schiet ruimschoots te kort voor mijn maandelijkse verplichtingen. Buitenlanders die in Zwitserland wonen moeten namelijk belasting betalen over hun vermogen. Dat is een kleine 200.000 franken per jaar wat ik daar aan betaal. Daarnaast moet ik nog belasting betalen en dan heb je het nog niet eens over de ziektekostenverzekeringen van het gezin en dat soort kosten. We zijn onlangs in Nederland bij een bevriende tandarts langs geweest om deze kosten te beperken. Het is volledig doorgeslagen.
Ik ben er van overtuigd dat ik niets fout heb gedaan en mijn financiën zijn een open boek. Gelukkig hebben vrienden en familie mij financieel kunnen helpen, maar dat houdt ook een keer op. Het onrecht wat mij wordt aangedaan houdt mij dagelijks bezig. We zijn jarig bezig geweest om wetgeving in Nederland te krijgen voor online kansspelen. Nu zie je partijen met vergunning die exact hetzelfde doen. Ze kunnen doen wat ze willen. Wij hebben dan ook niets fout gedaan, maar wij zijn de enigen die worden aangepakt. Ik sluit me aan bij hetgeen [medeklager 1] zegt over dat [F] zijn activiteiten in Nederland jarenlang heeft voortgezet en via [G] een vergunning heeft.
Mijn raadsman vraagt mij hoeveel schulden ik heb. Ik zou het niet weten, maar van familie en vrienden heb ik ruim vier ton geleend. Ik zit nu al in de fase dat ik gewoon bij hele oude vrienden langs moet gaan en bij familie waar ik eigenlijk niet zo close meer mee ben. Het is gênant en ik gun het niemand. Ik heb volledige transparantie betracht met mijn Zwitserse advocaat en een volledige inzage van de financiële stroom van 2007 tot drie jaar geleden gegeven. Je wordt uitgerookt als een of andere crimineel die geld zou krijgen waar hij geen recht op heeft. Hoe leg je dat aan je kinderen en je partner uit? En dan wordt mijn vrouw, een week voordat haar klaagschrift werd behandeld, ook als verdachte bestempeld. Het stapelt zich op en daardoor kan ik overdag niet meer zo veel. Als ik mij vandaag de dag dan ook nog ergens mee bezig houdt dan is het investeerders zoeken om een bedrijf waar ik in heb geïnvesteerd in de lucht te houden. Ik zou graag zelf willen bijstorten want er zit potentie in dat bedrijf. Er kunnen straks 93 mensen met een gezin die bij het bedrijf werken op straat komen te staan en dan is het niet mijn fout geweest.
(…)
De officieren van justitie:
(…)
Ik heb soms het idee dat er sprake is van totaal andere belevingswerelden. Het Openbaar Ministerie wil ontzettend graag door met de zaak, maar wij kunnen en mogen geen enkele bemoeienis hebben met de geheimhoudersprocedure. Met de FIOD is de afspraak gemaakt dat zodra de geheimhoudersprocedure is afgerond er binnen enkele een eindproces-verbaal klaar zal zijn. Het Openbaar Ministerie wil graag de discussie met de verdachten voeren en zijn bereid om creatieve maatregelen te nemen om het proces te versnellen. Hierom was ook het voorstel gedaan om FIOD medewerkers naar Zwitserland te sturen, maar dit heeft jammer genoeg niet mogen plaatsvinden.
Daarnaast merk ik op dat het summiere karakter van de raadkamerprocedure wordt overstegen als hier nu de discussie over of spelers die vanaf een vakantieland gokken moeten meetellen in de berekeningen gevoerd zou worden.
Ten aanzien van [A] N.V. merk ik op dat in het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie is opgenomen dat investeringen en bedrijfsactiviteiten bij aanvang zijn gefinancierd door criminele gelde, hetgeen er voor zorgt dat hierna gegenereerde winsten als vervolgprofijt dienen te worden gezien.
(…)
De klager:
De voorzitter vraagt mij of ik nog iets wil zeggen. Er werd net gesteld dat [A] N.V. is opgestart met crimineel geld. Dat is niet zo. Ik had ook geld uit andere legitieme bronnen. Laten we er even van uitgaan dat ik het geld waarmee het bedrijf is opgestart, omgerekend zo’n 400 euro, gewoon zelf had.”
3.8
De bestreden beschikking houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):
De standpunten.
Het standpunt van klagers
(…)
Inhoudelijk is verzocht het beklag gegrond te verklaren, omdat het voortduren van het conservatoir gelegde beslag in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu (zakelijk weergeven):
- er sprake is van ‘overbeslag’, gelet op het bedrag aan vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dit is berekend door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de waarde van het door het Openbaar Ministerie gelegde beslag;
en,
- klagers als gevolg van (het lange voortduren van) de beslagen en het stagneren van het onderzoek niet (langer) in staat zijn om te voldoen aan hun financiële verplichtingen en nauwelijks het spreekwoordelijke hoofd boven water kunnen houden.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie (zakelijk weergegeven).
(…)
Subsidiair dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Daarbij heeft het Openhaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van ‘overbeslag’ omdat de verdediging er aan voorbij gaat dat er sprake is van 'vervolgprofijt' en dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De beoordeling.
(…)
Inhoudelijke beoordeling.
Er is sprake van conservatoir beslag uit hoofde van artikel 94a Sv. Teneinde rechtsgeldig conservatoir beslag te leggen dient te worden voldaan aan de hiervoor geldende voorwaarde, namelijk dat sprake is van enige verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ten aanzien van klagers is er gelet op de inhoud van de door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken sprake van een verdenking van overtreding van artikel 1 van de Wet op de Economische delicten (WED) juncto artikel 1 onder a en artikel 36 van de Wet op de Kansspelen (WOK), een verdenking van witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aan de hiervoor genoemde voorwaarde is dus voldaan.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarbij heeft het onderzoek een summier karakter. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er wederrechtelijk verkregen voordeel is ontstaan bij klagers en is voornemens een ontnemingsprocedure aanhangig te maken. In de visie van het Openbaar Ministerie is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat te zijner tijd door de strafrechter een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klagers hebben op dit punt geen verweer gevoerd.
Gelet op de op dit moment beschikbare informatie acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter aan de klagers, als verdachten, voor de feiten waarvan zij verdacht worden een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Proportionaliteit en subsidiariteit voortzetten beslag
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
Klagers hebben in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit twee standpunten ingenomen die de rechtbank zal bespreken.
Het ‘overbeslag'.
Allereerst voeren klagers aan dat sprake is van overbeslag. Klagers stellen daarbij de waarde van het beslag op ongeveer € 28,5 miljoen, tegenover het vooralsnog door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van circa € 37 miljoen. Van laatstgenoemd zou nog een bedrag van circa € 10,5 miljoen moeten worden afgetrokken in verband met (legaal) behaalde omzet uit het buitenland en de (legale) inkomsten van [A] . Volgens klagers sprake van overbeslag en is het beslag in zoverre in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader aangevoerd dat het - vanwege de nog lopende procedure met betrekking tot de geheimhouderstukken - op dit moment niet beschikt over de stukken uit Zwitserland, Luxemburg en Malta en daarom de hoogte van het beslag niet zelf kan vaststellen. Het Openbaar Ministerie kan niet uitgaan van de waarde die de verdediging toekent aan het beslag omdat het dit niet kan controleren. Daarnaast is in het door de FIOD voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nog geen rekening gehouden met vervolgprofijt. Gelet op de grote bedragen die zijn verdiend, kan dit vervolgprofijt aanzienlijk zijn. De verwachting is daarom dat het uiteindelijk te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel een stuk hoger uit gaat komen.
Zoals hierboven reeds is vermeld, draagt de beoordeling van een beklag als bedoeld, in artikel 552a Sv een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd inhoudelijk in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat ook zij niet beschikt over de stukken die zijn nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag. De stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd zijn onvoldoende om deze vaststelling te kunnen doen.
Ten aanzien van klagers bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. De afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken zou in feite neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Een dergelijke afweging zou naar het oordeel van de rechtbank te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak en gaat het beoordelingskader van deze procedure te buiten. De rechtbank kan en zal in deze procedure daarom niet inhoudelijk reageren op de door de raadsman voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat sprake is van overbeslag, zoals door de verdediging is gesteld. In zoverre is de rechtbank daarom van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De belangen van klagers.
Klagers hebben daarnaast aangevoerd dat zij als gevolg van het voorduren van het beslag en het stagneren van het onderzoek al 2 jaar en 10 maanden beslagen zijn en op dit moment niet langer aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen terwijl een inhoudelijke behandeling van de zaak naar verwachting nog lang op zich zal laten wachten. Vanwege deze persoonlijke belangen achten klagers het voortduren van het beslag eveneens in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het Openbaar Ministerie heeft erop gewezen dat het onverplicht een bedrag van € 75.000,00 aan klager [klager] uit het beslag heeft vrijgegeven. Daarnaast wordt aan klager [klager] sinds augustus 2022 maandelijks uit het beslag een bedrag van CHF 15.000,00 uitgekeerd. De officier van justitie in Zwitserland heeft hiertoe, zonder overleg met het Openbaar Ministerie, beslist. Van strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is daarom geen sprake.
De rechtbank stelt voorop dat betekenis kan toekomen aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. In dat kader acht de rechtbank van belang dat het onderzoek ‘Milwaukee’ waarbinnen deze beslagen zijn gelegd een uitgebreid strafrechtelijk financieel onderzoek betreft, waarin meerdere rechtshulpverzoeken zijn gedaan naar verschillende landen. Het beslag uit de verschillende landen is nog niet (volledig) is overgedragen en/of geschoond op geheimhouderstukken en staat nog niet ter beschikking van het onderzoeksteam van de FIOD en het Openbaar Ministerie. De verwachting is dat het daarom nog de nodige tijd zal duren voordat een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten.
De rechtbank is van oordeel dat klager(s) onvoldoende hun persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag met stukken hebben onderbouwd en onvoldoende concreet inzage hebben gegeven in hun daadwerkelijke (dagelijkse) financiële verplichtingen. Zij hebben ook niet concreet aangegeven en onderbouwd welk bedrag noodzakelijk zou zijn om alsnog te kunnen voorzien in essentieel (levens)onderhoud en/of om noodzakelijke facturen te kunnen betalen om een (dreigend) faillissement te voorkomen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat aan klager [klager] uit coulance door het Openbaar Ministerie reeds eenmalig een bedrag van € 75.000,- is vrijgegeven en dat Zwitserse officier van justitie kennelijk per augustus 2022 heeft besloten om een bedrag van omgerekend CHF 15.000,= per maand aan klager [klager] en zijn partner vrij te geven. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat klagers elk als gevolg van het gelegde beslag in een zodanig nijpende financiële situatie verkeren dat voortduring van het beslag, tegen de achtergrond van een omvangrijk en complex onderzoek, in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Gelet op al wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”

4.Het eerste tot en met het derde middel

4.1
Als gezegd klagen het eerste tot en met het derde middel dat de rechtbank haar oordeel dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
4.2
Het eerste middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “zij niet beschikt over de stukken die nodig [zijn] om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag” en dat “de stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd onvoldoende [zijn] om deze vaststelling te kunnen doen”. Het tweede middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “de afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken in feite [zou] neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel”. Het derde middel richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat zij “niet [kan] vaststellen dat sprake is van overbeslag” en dat zij “in zoverre (…) van oordeel [is] dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijk bespreking.
Het juridisch kader
4.3
Het gaat in deze zaak om de vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen aan de motivering van zijn beslissing moeten worden gesteld. Voor de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.
4.4
De Hoge Raad is op deze vraag ingegaan in zijn arrest van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128. Daarin overwoog de Hoge Raad onder andere het volgende:

Proportionaliteit en subsidiariteit
2.4.1
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
2.4.3
Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
2.4.4
Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2-3.3.3.)
2.4.5
Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.”
4.5
De omstandigheid dat door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en) kan dus maken dat de rechter gehouden is blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vraag of een dergelijke motiveringsplicht is ontstaan, en zo ja, welke eisen aan de motivering moeten worden gesteld, is volgens de Hoge Raad, naast het tijdsverloop en de termijn waarbinnen een beslissing van de rechter in de strafprocedure kan worden verwacht, afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten en van hetgeen daarover door het OM is ingebracht. Van het OM mag daarbij worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting. Is de beklagrechter van oordeel dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, dan brengt zijn onderzoekstaak met zich dat hij zich nader laat informeren.
4.6
Het hiervoor door de Hoge Raad genoemde arrest EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië) [1] geeft een nadere invulling aan de geformuleerde onderzoeksplicht. In de zaak die leidde tot deze uitspraak van het EHRM ging het om een verdenking van verschillende (economische) delicten, waarbij het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op € 1.060.000,-. Als gevolg daarvan had het openbaar ministerie beslag gelegd op onroerend goed van de verdachte, waarover laatstgenoemde tevergeefs had geklaagd. In het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure had de verdachte de rechtbank verzocht de reikwijdte van het beslag opnieuw te beoordelen, omdat (nog altijd) sprake zou zijn van een grove wanverhouding tussen de waarde van het beslag en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter onderbouwing van dat standpunt had de verdachte een “detailed assessment” van de waarde van het beslag overgelegd dat gebaseerd was op openbaar beschikbare informatie over de marktwaarde van onroerend goed in Kroatië. Volgens die informatie betrof de waarde van het beslagen onroerend goed € 9.887.084,- (en dus een negenvoud van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel). Het EHRM onderzocht in het kader van de inbreuk die dit beslag maakte op het recht van ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in art. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, of sprake was van een “reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised” (§ 67). In het bijzonder keek het Hof naar “procedural safeguards” die nodig zijn om een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht te voorkomen (§ 68). Het EHRM overwoog daarover het volgende:
“77. In this respect the Court notes, although it is impossible for it to speculate on the exact value of the restrained property, that the applicant’s allegations were not frivolous and devoid of any substance. In any event, in view of the overall circumstances of the case, the Court considers that such a request made by the applicant should have prompted the Supreme Court to examine his allegations carefully. This is particularly true given that the applicant’s business activity arguably related to the possibility of him freely disposing of his real property (see paragraph 17 above) and that a relevant assessment of the value of the seized real property had never been made (see paragraphs 67-69, and 71-75 above).
78. Having said that, the Court notes that the Supreme Court, without making any further assessment with regard to the applicant’s specific allegations concerning the disproportion between the impounded property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain, and although being unable to benefit from any such assessment made by the Vukovar County Court, rejected the applicant’s arguments as speculative, without explaining why it ignored the applicant’s detailed assessment of the value of his restrained property made on the basis of publicly available information on the market value of properties in Croatia (see paragraph 28 above).
79. The Supreme Court thereby allowed the impugned situation to persist for more than two and a half years without ever addressing the applicant’s specific arguments of disproportion between the value of the seized property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain. In this connection the Court finds it important to note that the overall seized property was not alleged to be a result of crime or traceable to the crime. The seizure at issue was rather applied as a provisional measure on the applicant’s overall property aimed at securing enforcement of a possible confiscation order imposed at the outcome of the criminal proceedings.
80. In these circumstances, the Court notes that the impugned seizure of the applicant’s real property in the context of the criminal proceedings at issue, although in principle legitimate and justified, was imposed and kept in force without an assessment of whether the value of the seized property corresponded to the possible confiscation claim. The Court therefore finds that the application of such a measure was not adequate to demonstrate that a requirement of “fair balance” inherent in the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1 was satisfied.”
4.7
Voor het aannemen van een schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de grond dat de rechter de proportionaliteit van de beslaglegging onvoldoende (kenbaar) heeft onderzocht, achtte het EHRM, naast de daarmee samenhangende persoonlijke belangen van de verdachte, aldus van belang dat hetgeen door de verdachte was aangevoerd “not frivolous and devoid of any substance” was. Onder die omstandigheden had het Kroatische gerecht hetgeen door de verdachte was aangevoerd zorgvuldig moeten onderzoeken en dit niet als speculatief terzijde mogen schuiven, zonder daarbij nader te motiveren waarom het de betrokkene niet volgde in zijn “detailed assessement” over de wanverhouding tussen het beslagene en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel.
De bespreking van de middelen
4.8
Namens de klager is op de onder 3.1 samengevatte wijze aangevoerd dat de waarde van het beslag het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel met € 9.930.792,- overstijgt. Met betrekking tot de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen zijn daartoe diverse stukken overgelegd, waaronder een kopie van een notariële akte inhoudende een zogenoemde “Vente a terme conditionelle” van de beslagen woning alsmede overzichten van de beslagen bankrekeningen en effectenportefeuilles. Het openbaar ministerie heeft het standpunt van de klager betwist op de wijze zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven. Kort gezegd zouden de namens de klager aangevoerde gronden die tot vermindering van het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel moeten leiden niet opgaan dan wel zou de beoordeling daarvan het summiere karakter van de beklagprocedure overstijgen. Bij het door de FIOD genoemde bedrag moet bovendien nog vervolgprofijt worden opgeteld, waarvan de precieze hoogte afhankelijk is van stukken waarover het nog niet beschikt. Of er onderdelen zijn waar het openbaar ministerie zich kan vinden in de door de klager gestelde waardes van het beslag kon het ten tijde van de raadkamer “nog niet zeggen” (zie randnr. 3.7).
4.9
De rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet inhoudelijk zal reageren op de door de klager voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit in feite neer zou komen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee zou zij te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de straf- of ontnemingszaak en dit zou het beoordelingskader van de beklagprocedure te buiten gaan. De rechtbank heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek in de raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat een beoordeling van hetgeen namens de klager is aangevoerd over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarvoor te ver voert. Dat oordeel acht ik, gelet op de onder 3.2 en 3.6 weergegeven aard en inhoud van de door de klager aangevoerde gronden die tot vermindering van het door de FIOD berekende bedrag zouden moeten leiden, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het openbaar ministerie die gronden grotendeels heeft betwist en dat het openbaar ministerie tijdens een raadkamerprocedure in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kan doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
4.1
De rechtbank heeft verder overwogen dat zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag en dat de door de klager overgelegde stukken daartoe onvoldoende zijn. Gelet daarop kan zij niet vaststellen dat sprake is van overbeslag. In zoverre, zo vervolgt zij, is de rechtbank “daarom” van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het in die overwegingen besloten liggende oordeel van de rechtbank dat zij, zonder zich een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag, het klaagschrift kan beoordelen en haar onderzoekstaak derhalve niet met zich brengt dat zij zich nader laat informeren, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat hetgeen door de klager is aangevoerd over de waarde van het beslag bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan “not frivolous and devoid of any substance” en “detailed” en dat het openbaar ministerie volgens het onder 3.7 weergegeven proces-verbaal daartegen niet meer heeft ingebracht dan dat het “nog niet kan zeggen” in hoeverre het zich daarin kan vinden. Dit terwijl van hem mag worden verlangd dat hij, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting en ten tijde van de raadkamer sinds de beslaglegging inmiddels ruim twee en een half jaar waren verstreken. Daarbij neem ik verder in aanmerking dat de rechtbank niet gemotiveerd heeft geoordeeld dat het voor het openbaar ministerie niet mogelijk is deze informatie te verschaffen en wat daar, mede gelet op het genoemde tijdsverloop, de gevolgen van zouden moeten zijn.
4.11
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld, doch leidt niet tot cassatie. Zelfs al zou de rechtbank – al dan niet na daartoe ingesteld nader onderzoek – de klager immers volgen in zijn standpunt dat de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen € 28.466.599,- bedraagt, dan overstijgt die waarde het door het openbaar ministerie voorlopig op € 37.078.322,- geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel geenszins. Van ‘overbeslag’ kan dan ook, het onder 4.9 overwogene daarbij in aanmerking genomen, geen sprake zijn.

5.Het vierde en vijfde middel

5.1
Als gezegd klagen het vierde en vijfde middel dat de rechtbank haar oordeel dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de persoonlijke belangen van de klaagster bij de opheffing van het beslag. Anders dan bij de hiervoor behandelde middelen wordt niet ook geklaagd dat de rechtbank een onderzoeksplicht heeft miskend.
5.2
Het vierde middel klaagt in het bijzonder dat de rechtbank weliswaar heeft geoordeeld dat “betekenis kan toekomen aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten” en dat in de onderhavige zaak “de verwachting is dat het (…) nog de nodige tijd zal duren voordat een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten”, maar dat de rechtbank aan die vaststelling ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden. Het vijfde middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “klager(s) onvoldoende hun persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag met stukken hebben onderbouwd en onvoldoende concreet inzage hebben gegeven in hun daadwerkelijke (dagelijkse) financiële verplichtingen”, waardoor zij “niet [kan] vaststellen dat klagers elk als gevolg van het gelegde beslag in een zodanig nijpende financiële situatie verkeren dat voortduring van het beslag, tegen de achtergrond van een omvangrijk en complex onderzoek, in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
5.3
Uit het onder 4.4 weergegeven arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2023 volgt dat de rechter – naast de hiervoor besproken omstandigheid dat wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en) – ook gehouden kan zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met art. 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan. Voor de beantwoording van de vraag wanneer de rechter blijk moet geven van zo’n onderzoek, en als dat het geval is, welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing is van belang i) de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten en ii) hetgeen daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan iii) het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan iv) de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs te verwachten valt. Naarmate meer tijd is verstreken kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. Daarbij komt ten slotte ook betekenis toe aan de vraag in hoeverre die persoonlijke belangen in grotere mate worden geschaad dan in de regel uit een beslag zal voortvloeien. [2]
5.4
Namens de klager is aangevoerd dat het beslag reeds meer dan twee jaren en tien maanden voortduurt en dat de klager “op geen enkele wijze meer [kan] voldoen aan [zijn] financiële verplichtingen en nauwelijks het spreekwoordelijke hoofd boven water [kan] houden”, hetgeen “in ieder geval” binnen afzienbare tijd tot het faillissement van [medeklager 10] zal leiden en tot het stopzetten van de studie van beide kinderen. “Noodzakelijke uitgaven” kunnen niet gedaan worden en financiële en administratieve verplichtingen kunnen ook niet worden nagekomen. Sinds de zomer van 2021 zou de klager geen Zwitserse belastingen hebben kunnen betalen en zou hij het schoolgeld van zijn kinderen moeten hebben voldoen met geleend geld. Het openbaar ministerie heeft daartegenin gebracht dat het reeds eenmalig een bedrag van € 75.000,- heeft vrijgegeven en dat daarnaast maandelijks € 16.000,- uit het beslag wordt vrijgegeven. Volgens de klager schiet dat echter “ruimschoots” te kort voor zijn maandelijkse verplichtingen, waaronder belastingen, maar ook ziektekostenverzekeringen van het gezin “en dat soort kosten”.
5.5
De rechtbank heeft geoordeeld dat de klager zijn persoonlijke belangen onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, dat hij onvoldoende concreet inzage heeft gegeven in zijn daadwerkelijke (dagelijkse) financiële verplichtingen en dat hij niet concreet heeft aangegeven en onderbouwd welk bedrag noodzakelijk zou zijn om alsnog te kunnen voorzien in essentieel (levens)onderhoud en/of om noodzakelijke facturen te kunnen betalen om een (dreigend) faillissement te voorkomen, waarbij de rechtbank betrekt dat aan de klager de door het openbaar ministerie genoemde bedragen zijn en worden vrijgegeven. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet kan vaststellen dat de klager als gevolg van het gelegde beslag in een zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat voortduring van het beslag in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat oordeel, waarmee de rechtbank overeenkomstig de onder 4.4 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad blijk heeft gegeven van een – op de standpunten van de klager en het openbaar ministerie toegespitst – onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat door en namens de klager in feite niet meer is aangevoerd dan de niet (met stukken) onderbouwde en algemene stelling dat hij als gevolg van de beslaglegging niet meer aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen en waarbij het gestelde niet zonder meer betrekking heeft op essentieel (levens)onderhoud.
5.6
Dat de rechtbank heeft overwogen dat de verwachting is dat het nog de nodige tijd zal duren voordat een beslissing in de strafzaak of de ontnemingsprocedure te verwachten valt, maakt het voorgaande niet anders. Kennelijk heeft de rechtbank, overwegende dat haar proportionaliteits- en subsidiariteitsoordeel moet worden bezien “tegen de achtergrond van een omvangrijk en complex onderzoek”, geoordeeld dat die omstandigheid niet maakt dat de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de vaststellingen van de rechtbank besloten ligt dat de maandelijkse uitkering van de Zwitserse autoriteiten wordt voortgezet.
5.7
De middelen falen.

6.Afronding

6.1
Geen van de middelen kan tot cassatie leiden. Alle middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.ECLI:CE:ECHR:2016:0517JUD003835913.
2.Vgl. de uitspraak waar de Hoge Raad in het arrest onder 4.4 naar verwijst: EHRM 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije) § 104 (ECLI:CE:ECHR:2019:1107JUD003264409),