ECLI:NL:PHR:2025:320

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
23/01124
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet dierenArt. 437 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken geldig cassatiemiddel

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren en kreeg een taakstraf opgelegd. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in met een cassatiemiddel dat stelde dat het arrest onrechtmatig was omdat het zonder motivering voorbijging aan cruciale feiten en het verweer van de verdachte.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde echter dat het ingediende cassatiemiddel niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat het geen stellige en duidelijke klacht bevatte over de schending van een rechtsregel of vormvoorschrift. Bovendien was het cassatieberoep niet tijdig ingediend door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437 lid 2 Sv Pro.

Daarom stelde de procureur-generaal voor het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De conclusie benadrukt dat de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen behandelt die voldoen aan de wettelijke criteria en dat de motivering van het hof voldoende was. Dit leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldig cassatiemiddel en het niet naleven van de indieningstermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01124
Zitting18 maart 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 17 maart 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (21-000177-22) wegens “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast de onttrekking aan het verkeer bevolen van vier (prik)halsbanden en vier losse schakels voor prikbanden.
1.2
Namens de verdachte heeft F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, een schriftuur ingediend.

2.De ontvankelijkheid van het beroep

2.1
De schriftuur bevat één voorgesteld cassatiemiddel, dat luidt:
“Het recht is geschonden en/of de naleving van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften is verzuimd, doordat het arrest geheel en zonder enige motivering voorbijgaat aan de werkelijkheid , de datering van beelden, enkele cruciale onderdelen van het politierapport, de feitelijke situatie en de wijze waarop [verdachte] , die op juiste gronden meent " part noch deel" aan de feitelijke situaties te hebben, zijn verweer ter zitting heeft laten voorleggen aan het hof, waarbij tevens fundamentele rechten van [verdachte] zijn geschonden”.
2.2
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen als in de wet bedoeld. Volgens vaste rechtspraak kan als cassatiemiddel alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [1]
2.3
Het voorgestelde cassatiemiddel, ook bezien in samenhang met de toelichting daarop en de overgelegde producties, voldoet niet aan dit vereiste, zodat het onbesproken moet blijven.
2.4
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet voldaan aan art. 437 lid 2 Sv Pro. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen. [2]

3.Slotsom

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, r.o. 2.1 en HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:268, r.o. 2.1.
2.Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat de schriftuur een klacht over de bewijsvoering bevat die als een cassatiemiddel moet worden aangemerkt, dan ligt niet voor de hand de zaak af te doen op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro. De verdachte is in eerste aanleg immers vrijgesproken (vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,