Conclusie
Nummer23/01060
Inleiding
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten aanzien van alle feiten
AMB-007), te weten een ambtsedige verklaring Omzetbelasting d.d. 29 juni 2015 (dossierpagina 121-135) - zakelijk weergegeven - inhoudende:
€ 54.960,22 -/-
€ 39.991 -/-
als relaas van de verbalisant:
De bespreking van de middelen
eerstemiddel is gericht tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit en houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring omdat daaruit niet volgt dat a) [A] BV en/of de verdachte als feitelijk leidinggever
opzettelijkgeen aangifte is gedaan en b) [A] BV en/of de verdachte als feitelijk leidinggever een
bij de Belastingwet voorziene aangifteniet heeft gedaan omdat een uitnodiging daartoe ontbreekt, althans dat het hof het verweer dat daarop betrekking heeft op ontoereikende gronden heeft verworpen.
BNB2004/180, m.nt. Feteris en
FED2004/207, m.nt. Djebali overwoog de Hoge Raad (mijn cursivering):
wordt zij eerst in het leven geroepen door de uitreiking op de voet van art. 6, eerste lid, AWR door de inspecteur van een aangiftebiljet; daardoor wordt de vermoedelijk belastingplichtige uitgenodigd tot het doen van aangifte. Daaraan doet het bepaalde in de art. 52a en 53a van de Wet op de accijns niet af, nu die voorschriften slechts bewerkstelligen dat de termijn waarbinnen de verschuldigde accijns op aangifte moet worden voldaan, wordt verkort.
onjuisteof
onvolledigeaangifte. Sinds 1 januari 2020 geldt op grond van art. 9 lid 4 AWR Pro dat een ‘spontane aangifte’ – een aangifte dus zonder een daaraan voorafgaande uitnodiging – ook heeft te gelden als het op uitnodiging doen van aangifte als bedoeld in art. 8 lid 1 AWR Pro. [6] Daarmee werd eerdere rechtspraak van de Hoge Raad gecodificeerd. [7] Zou in die gevallen het ontbreken van een uitnodiging in de weg staan aan een veroordeling dan zouden aan de onjuist of onvolledig ingevulde aangifte geen consequenties verbonden kunnen worden.
op zichzelfonvoldoende grond om er vanuit te gaan dat er een uitnodiging is geweest. Dat neemt niet weg dat uit de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden afgeleid dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de kwartaalaangiften omzetbelasting, wist dat hij de aangifte omzetbelasting over het twee kwartaal 2014 (naar eigen zeggen) nog
moestindienen (bewijsmiddel 1). Dat de verdachte hiervan op de hoogte was wordt ondersteund door de omstandigheid dat hij over de overige kwartalen van dat jaar de belastingaangifte wel heeft gedaan. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat aan het niet doen van die aangifte over het tweede kwartaal van 2014 geen bijzondere reden ten grondslag lag (bewijsmiddel 2). In zoverre meen ik dat de voorliggende zaak vergelijkbaar is met de eerder genoemde zaak waarin de Hoge Raad op 12 november 2002 arrest wees en dat in de vaststellingen van het hof besloten ligt dat sprake was van een uitnodiging tot het doen van aangifte. Het middel faalt daarom in zoverre.
opzettelijkgeen aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014 heeft gedaan, waarbij het hof bovendien de professionele achtergrond van de verdachte – hij was registeraccountant en adviseur, en gespecialiseerd op het gebied van accountancy, belastingadvies en consultancy – heeft betrokken, acht ik in het verlengde daarvan niet onbegrijpelijk.
tweedemiddel keert zich met drie (sub)deelklachten tegen het onder 2 bewezenverklaarde feit:
Intracommunautaire verwerving
Beoordeling
Het hof overweegt dat in de eerste plaats onvoldoende is onderbouwd dat sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen. Vast staat dat verdachte geruime tijd registeraccountant is geweest en dat hij als zodanig jarenlang werkzaam is geweest in de accountancy, onder meer als vennoot bij [E] . Met de hoedanigheid als registeraccountant, kennis en opgedane ervaring mag bij verdachte niet alleen op boekhoudkundig, maar ook op fiscaal terrein de nodige kennis worden verondersteld. Afgezien daarvan, op de internetsite van de Belastingdienst is voor verdachte, met zijn specifieke achtergrond, eenvoudig te lezen hoe intracommunautaire verwervingen in een aangifte OB verwerkt moeten worden. Dat het desondanks, zoals door de raadsman aangevoerd, kennelijk bij tenminste 8400 ondernemers fout is gegaan maakt dit niet anders. Van die ondernemers kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, immers niet worden gesteld dat zij zowel op boekhoudkundig als op fiscaal terrein over enige kennis beschikken.
derdemiddel heeft betrekking op het onder 6 bewezenverklaarde feit en behelst de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [B] BV ter zake van de door de verdachte gereden auto de hoedanigheid van aangifteplichtige voor de loonbelasting had en/of [B] BV als vertegenwoordiger daarvan kan worden aangemerkt, althans dat de bewijsvoering met betrekking tot dat feit onvoldoende redengevend is. Wat dat laatste betreft, doelt de steller van het middel er blijkens de toelichting op dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er een aangifte onjuist is gedaan.
vierdemiddel klaagt over de benadelingsbedragen die het hof bij de strafoplegging als uitgangspunt heeft genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal misdrijven die alle tot doel hadden om financieel gewin te behalen. Zo heeft hij feitelijke leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, loonbelasting en premie volksverzekeringen door twee bedrijven waar hij mede-eigenaar van was, te weten [A] BV en [B] BV. Voor laatstgenoemd bedrijf heeft verdachte een vervalste kilometeradministratie bij de belastingdienst ingediend met betrekking tot een periode van drie jaren. Ten slotte heeft verdachte een factuur valselijk opgemaakt. Het benadelingsbedrag dat door het handelen van verdachte voor de Belastingdienst – en daarmee voor de samenleving – is ontstaan, wordt door het hof begroot op een bedrag rond de tweehonderdduizend euro.