Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
an sichvan de betreffende verklaringen van de medeverdachten, overweegt het Hof in de bestreden uitspraak als volgt:
Beschouwingen omtrent het gebruik van verklaringen van de verdachten voor het bewijs
in zijn eigen zaakniet vrij was om te verklaren wat hij wilde, omdat hem een mogelijke veroordeling voor meineed boven het hoofd hing. Ik zie – zonder nadere onderbouwing van de klacht – niet in waarom zich in de onderhavige zaak een vergelijkbare beperking van de verklaringsvrijheid van de verdachte zou hebben voorgedaan. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat in feitelijke aanleg geenszins is geklaagd over een dergelijke beperking.
4.Het derde middel
medeplegenvan de gekwalificeerde doodslag (feit 1) blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend is gemotiveerd.
medeplegenvan (gekwalificeerde) doodslag. De figuur van het medeplegen zorgt ervoor dat een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit als hij niet zelf (als pleger) alle delictshandelingen of -bestanddelen heeft verwezenlijkt. [18] Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met één of meer anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht was. De Hoge Raad geeft geen algemene regels over wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is dat gesproken mag worden van medeplegen. De beantwoording van die vraag dient plaats te vinden aan de hand van een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. [19] Als factoren waarmee de rechter bij de vorming van zijn oordeel rekening kan houden noemt de Hoge Raad “de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten”. [20]