Conclusie
1.Windward Holding B.V. (hierna: Windward)
[eiser 2])
Windward c.s.)
1.JZ Logistics Holding (Overseas) Co., Ltd. (hierna: Junzheng)
Sinochem)
NST)
STAK NST)
Junzheng c.s.)
OK) heeft de vorderingen van Windward c.s. goeddeels afgewezen. Dit bestrijdt Windward c.s. in cassatie, m.i. zonder succes.
1.Feiten
arrest). [1] De feiten zijn op verschillende plaatsen enigszins herschikt en verkort weergegeven.
Borealis), een aan Embarcadero Maritime (I) LLC (hierna:
Embarcadero) gelieerde onderneming. Vanaf augustus 2012 werden de aandelen van NST gehouden door Windward (70,56%) en Embarcadero (29,44%). [eiser 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van Windward.
LAE); en op 5 juli 2017 een Binding Offer Letter (hierna ook: de
BOL).
transactie.
Interim Agreement) gesloten waarin partijen zijn overeengekomen dat Sinochem 75% van de aandelen zou overnemen voor een koopprijs van $ 6,75 miljoen, waarvan een bedrag van $ 4,75 miljoen bij overdracht zou worden betaald en het restant van $ 2 miljoen later zou worden betaald en zou dienen als “security and source of funds” voor - voor zover hier van belang - “application as reinvestment” door Windward. Ook werd intrekking van het arbitrageverzoek overeengekomen.
SPA) tot stand gekomen. In de SPA heeft Windward 75% van haar aandelen in NST verkocht aan Junzheng. In art. 3 SPA Pro staat onder andere het volgende:
SLA) gesloten. Ter uitvoering van de SLA heeft Windward een bedrag van $ 45.292,01 ter leen verstrekt aan NST en Junzheng een bedrag van $ 135.876,04 (hierna: de
Shareholders’ Loan). Op die datum is tevens een Shareholders’ Agreement (hierna: de
SHA) gesloten tussen Windward, Junzheng, STAK NST, [eiser 2] en NST, waarbij [eiser 2] werd benoemd tot uitvoerend bestuurder van NST. Ook zijn er twee niet-uitvoerend bestuurders benoemd.
eerste nabetaling).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een procedure aanhangig gemaakt tegen Junzheng c.s. Samengevat heeft Windward (zie het petitum) gevorderd: veroordeling tot betaling van $ 2 miljoen (betaling van de uitgestelde koopprijs); veroordeling tot overneming van Windwards aandelen in NST tegen $ 2.245.000; schadevergoeding; doorbetaling van de management fee van [eiser 2]; verklaringen voor recht inzake de vernietigbaarheid van (delen van) de Interim Agreement en de SPA; vernietiging van het besluit van de algemene vergadering van NST van 5 november 2020 inzake de kapitaalbehoefte; en beslagkosten. Samengevat heeft [eiser 2] gevorderd: vernietiging van het besluit van 25 november 2020 tot schorsing van hem als bestuurder en tot beëindiging van de Management Agreement.
vonnis) heeft de rechtbank, samengevat, Junzheng veroordeeld tot betaling aan Windward van $ 843.164 (ter zake van de tweede nabetaling; zie rov. 4.20-4.23), met rente en beslagkosten, en de vorderingen van Windward c.s. voor het overige afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Misbruik van omstandigheden”)
bijzondere omstandighedenwordt bewogen. [3] Uit de wetsgeschiedenis is ook af te leiden dat het uitbaten van “economisch overwicht” niet automatisch misbruik van omstandigheden oplevert, want “het moet een onredelijke invloed, een misbruik zijn, dat men van dat economische overwicht maakt, wil er grond voor vernietiging zijn.” [4]
causaal verbandis in die zin dus vereist. [9]
misbruikheeft gemaakt van de bijzondere omstandigheden. In dat verband is vereist dat zij (a) wist of behoorde te weten dat de ander door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling (zie sub i hiervoor) en dat er causaal verband is [10] (zie sub ii hiervoor) (kenbaarheid) en (b) gelet daarop de totstandkoming van de rechtshandeling niet had mogen bevorderen, zoals tot uitdrukking komt in de tekst van art. 3:44 lid 4 BW Pro (ongeoorloofdheid). [11]
Interim Agreementen de SPA, in juni, respectievelijk augustus 2019, sprake was van bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW Pro. Ook is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat Junzheng c.s. toen misbruik hebben gemaakt van de verslechterde uitgangspositie van Windward in de onderhandelingen met Junzheng.”
Letter Exclusivity Agreementen de BOL, medio 2017, geheel te wijten was aan de vertraging in de totstandkoming van de joint venture met Sinochem, laat staan dat die verslechtering te wijten was aan tekortkomingen van Sinochem in de nakoming van die eerdere overeenkomsten. Windward heeft zelf ook aan die verslechtering bijgedragen door al in mei 2018 over te gaan tot uitkoop van Embarcadero als aandeelhouder van NST, terwijl zij wist dat Sinochem op dat moment in een privatiseringstraject zat en onduidelijk was wanneer de joint venture met Sinochem tot stand zou kunnen komen. Weliswaar had Sinochem bedongen dat Embarcadero zou worden uitgekocht; Windward had daarmee tot een later moment (tot eind 2018 ingevolge de overeenkomst met Embarcadero) kunnen wachten. Tot slot had de BOL geen “
binding effect” met betrekking tot de beoogde transactie totdat overeenstemming bestond over alle documentatie die benodigd en gewenst was voor de transactie.”
Interim Agreementen artikel 3.3.3 SPA.”
Interim Agreemental afwijzend had gereageerd op voorstellen van Junzheng c.s. om (een deel van) de koopprijs in NST te storten. Het stellen van een deadline voor het bereiken van overeenstemming levert in de geschetste omstandigheden ook geen misbruik van omstandigheden op. Het bewijsaanbod ter zake van de stelling dat “Windward de
Interim Agreementbepaald niet met graagte en uit vrije wil [heeft] gesloten” is niet voldoende specifiek en niet ter zake dienend zodat de Ondernemingskamer dit verwerpt.”
Geen onderscheid tussen “bijzondere omstandigheden” en “misbruik”” en bevat slechts een inleiding zonder klachten, waarin verschillende mogelijke lezingen van rov. 3.9 van het arrest aan de orde worden gesteld.
Bijzondere omstandigheden” en is, als ik het goed zie, gericht tegen rov. 3.7-3.10 van het arrest. Het subonderdeel is verdeeld over nrs. 1.2.1-1.2.11.
klacht a. Zij strandt, omdat de OK ook met inachtneming van de onder 3.8 hiervoor genoemde stellingen begrijpelijkerwijs kon oordelen dat omtrent een “financiële noodtoestand”
van Windwardin het geheel niets is gesteld, waarbij geldt dat de uitleg van de gedingstukken aan de OK was voorbehouden. Uit het gegeven dat
NSTer financieel niet goed voorstond en dat daarom de transactie nodig was, zoals in die stellingen in essentie naar voren komt, volgt immers nog niet dat de OK een beroep
van Windwardop een “financiële noodtoestand” - dat geen rechtsbegrip is -
van haarzelfin die stellingen, die bijvoorbeeld ook geen financiële uitwerking bevatten, [23] moest onderkennen. Het betreft een feitelijke waardering, die niet onbegrijpelijk is.
klacht b. Zij mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest en loopt reeds daarop vast. De OK oordeelt in rov. 3.9 niet dat voor een succesvol beroep op art. 3:44 lid 4 BW Pro vereist is dat het voor Windward cruciaal was om de gehele koopprijs direct bij de overdracht te ontvangen. Wat er wel staat, is dat “niet is gesteld of gebleken dat het voor Windward in verband met haar financiële toestand cruciaal was om de gehele koopprijs van € 6,75 miljoen direct bij de overdracht te ontvangen (…)”. Dit slaat onmiskenbaar terug op de constatering kort daarvoor in rov. 3.9 “dat de koopprijs voor haar aandelen in NST na 2017 [toen de BOL werd gesloten, A-G] niet (wezenlijk) is veranderd” en dat slechts is “bedongen [in de Interim Agreement en de SPA] (…) dat minder dan 1/3 deel van de koopprijs niet direct door Junzheng aan Windward zou worden betaald maar zou worden achtergehouden”. Alleen in de wijze en het moment van betaling - niet in de hoogte - van de kooprijs kan dus de pijn zitten voor Windward, zo heeft de OK begrijpelijkerwijs geconstateerd. Zie onder 3.4.5-3.4.6 hiervoor. Dit gaat, kortom, over het vereiste ‘causaal verband’: zou Windward, indien er al bijzondere omstandigheden waren ten tijde van het sluiten van de Interim Agreement en de SPA in 2019, akkoord zijn gegaan met de transactie indien die bijzondere omstandigheden worden weggedacht? Dat is de vraag die de OK onmiskenbaar heeft beantwoord. Dat is dus iets anders dan wat de klacht ervan maakt.
klacht cmist doel. Ik licht dat toe.
zoalsnoodtoestand, als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW Pro.” Iets anders is dat de OK verderop verkennenderwijs oordeelt dat “[o]mtrent een financiële noodtoestand van Windward (…) in het geheel niets [is] gesteld.”
allein nr. 1.2.1 genoemde omstandigheden kenbaar, dus met zo veel woorden, in haar beoordeling moest betrekken. Want het betreft zeker niet alleen maar essentiële stellingen, voor zover zij al voldoende bepaald zijn om voor stelling door te mogen gaan. [24] Zo gaat het deels om stellingen met betrekking tot de (financiële) toestand van NST en de kennis die Sinochem en Junzheng daarvan hadden, die in de gegeven context naar het kennelijke en begrijpelijke oordeel van de OK géén bijzondere omstandigheden betreffende Windward opleveren. Dat Windward volgens haar stellingen ten tijde van het sluiten van de Interim Agreement nakoming verlangde van een overeenkomst en in dat verband (eerder) een arbitrageprocedure was begonnen, levert naar het impliciete oordeel van de OK begrijpelijkerwijs geen bijzondere omstandigheden op: Windward zag er kennelijk heil in om een minnelijke oplossing te bereiken. Wat niet anders wordt door de omstandigheid dat het voortzetten van de arbitrageprocedure tot een moeilijk ten uitvoer te leggen vonnis zou leiden. Dat vertegenwoordigers van Sinochem lieten weten dat zij die vrijdagavond nog het vliegtuig moesten halen en dat vóór die tijd een overeenkomst gesloten moest zijn, wijst er hooguit op dat er enige druk is uitgeoefend, maar is evident nog geen bijzondere omstandigheid in de verhouding tussen ondernemingen en levert ook niet zonder méér misbruik van andere bijzondere omstandigheden op. Dat geldt evenmin voor de uiteenlopende vermogensposities van partijen. De OK is overigens in rov. 3.9 wél met zo veel woorden ingegaan op de stelling dat de koopprijs in de Interim Agreement afweek van de overeenkomst waarvan Windward nakoming verlangde. Zij overweegt immers: “Wat ook slecht te rijmen valt met het betoog van Windward is, dat de koopprijs voor haar aandelen in NST na 2017 niet (wezenlijk) is veranderd,” etc.
klacht daan de beurt. Dat de advocaat van Windward c.s. zich, met zijn cliënten, machteloos voelde op de dag dat partijen de overeenkomst sloten, zulks aan de hand van een beschrijving van de situatie waar genoemde advocaat, gelijk zijn cliënten, op dat moment mee te maken had, is te vaag en betreft geen essentiële stelling. De OK hoefde die stelling niet kenbaar in haar beoordeling te betrekken, waar zij in rov. 3.9 van het arrest acht slaat op het gegeven dat, kort gezegd, Windward gedurende het gehele onderhandelingstraject tot aan de totstandkoming van de SPA werd bijgestaan door advocaten (van een gerenommeerd kantoor). De klacht stuit daarop af.
klacht e.
kan bijdragenaan haar oordeel dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was. Die overweging kán evident bijdragen aan dit oordeel, nu alle omstandigheden van het geval in aanmerking (kunnen) komen. Zie onder 3.3 sub iv hiervoor. Daarvoor hoefde de OK niet toe te lichten hoe de advocaat van Windward c.s. de omstandigheden waarin Windward zich bij het aangaan van de overeenkomst bevond, had kunnen veranderen. Waar het om gaat, en daartoe strekt die overweging, is dat de bijstand door advocaten in het algemeen eraan zal hebben bijgedragen dat Windward - zelf al “een professionele, ervaren partij” - de implicaties van de overeenkomsten met Junzheng heeft kunnen doorzien en meer in het algemeen niet op zichzelf teruggeworpen was (zonder juridische bijstand), wat naar ’s hofs oordeel niet doorslaggevend, maar wel relevant is.
klacht g, die in de eerste plaats een koppeling aanbrengt tussen klachten a-f en subonderdeel 1.3. Dat parkeer ik. Zie nader onder 3.20-3.27 hierna, waaruit volgt dat de klacht daarmee geen succes boekt. De klacht behelst verder, eigenstandig, dat voor het geval de OK de omstandigheden genoemd in nr. 1.1.4 [26] (ook) ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat onvoldoende is gesteld om ‘misbruik’ aan te nemen, dit oordeel dan uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip ‘misbruik’ althans onbegrijpelijk is. Welnu, deze (sub)klacht loopt reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Uit niets volgt dat de OK die omstandigheden alle (ook) ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat onvoldoende is gesteld om ‘misbruik’ aan te nemen. Daarbij zij bedacht dat rov. 3.9 op bepaald meer ziet dan het vereiste van ‘misbruik’ alleen. Zie onder 3.4-3.4.7 hiervoor. Overigens: bij de beantwoording van de vraag of Windward betreffende ‘misbruik’ als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro voldoende heeft gesteld, mocht de OK - naast andere omstandigheden - in ieder geval acht slaan op de omstandigheid dat niet is gesteld of gebleken dat het voor Windward in verband met haar financiële toestand cruciaal was om de gehele koopprijs van € 6,75 miljoen direct bij de overdracht te ontvangen, laat staan dat Junzheng c.s. dat wist of had behoren te weten.
Misbruik” en is eveneens gericht tegen (voornamelijk) rov. 3.9 van het arrest.
gerechtvaardigdnog een beroep “op de voorwaarde” kon doen en Windward naleving van de gemaakte afspraken kon afdwingen. [28] Daardoor heeft de OK ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting [29] ofwel essentiële stellingen van Windward c.s. ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Zie nr. 1.3.7.
kan dienen(eveneens in rov. 3.9), want het gaat niet erom of de kapitaalstorting in theorie het belang van de aandeelhouders kan dienen, maar of de die storting
voor Windward c.s.nadeliger zou zijn dan een contante betaling. [33] Aan die essentiële stelling is de OK ten onrechte voorbijgegaan. Zie nrs. 1.3.11-1.3.12.
winstgevendheidzal leiden, “kan niet in stand blijven”. In de eerste plaats omdat de OK buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Junzheng c.s. heeft een dergelijke stelling namelijk niet ingenomen. Evenmin is sprake van een feit van algemene bekendheid of van een ervaringsregel. Sterker nog, het is juist een feit van algemene bekendheid dat de enkele storting van kapitaal geenszins tot verbetering van de winstgevendheid van een onderneming leidt. Dat is pas het geval als het kapitaal vervolgens wordt aangewend om maatregelen te treffen die een bijdrage leveren aan de winst van de onderneming. In rov. 3.14 overweegt de OK dat toepassing van art. 3.3.3 SPA ook mogelijk is
zonderdat een concreet plan tot aanwending van de kapitaalstorting voor investeringen voorligt. Dat maakt te meer onbegrijpelijk dat de OK in rov. 3.9 overweegt dat de op Windward c.s. uitgeoefende dwang om art. 3.3.3 SPA op te nemen in de overeenkomst geen misbruik van omstandigheden oplevert, nu een kapitaalstorting dikwijls tot een verbeterde winstgevendheid zal leiden. Zie nr. 1.3.13.
klacht a.
binding effect” met betrekking tot de beoogde transactie totdat overeenstemming bestond over alle documentatie die benodigd en gewenst was voor de transactie.” De OK geeft daarmee geen onbegrijpelijke uitleg aan - klaarblijkelijk - de in rov. 2.5 aangehaalde passage dat de afspraken “
subject” waren “
to reaching agreement and execution of a definitive legally binding SPA and all related transaction documents.” Dat wordt niet anders doordat in nr. 1.3.5 wordt geponeerd dat de BOL op zichzelf een bindende overeenkomst betrof, maar de ‘subject to contract’-clausule ziet op de vraag in hoeverre ná het sluiten van de BOL gemaakte afspraken omtrent de SPA verbindend en dus afdwingbaar zijn. Daarbij wordt verwezen naar vindplaatsen waar dat niet staat, [37] waarop de klacht in zoverre dus al afketst. [38]
klacht b, die in het verlengde ligt van klacht a. Klacht b legt het betoog van Windward c.s. duidelijker bloot: Junzheng mócht de SPA niet met Windward aangaan, omdat er al gedetailleerde afspraken waren. Het desondanks aangaan van de SPA is dan volgens de klacht kennelijk misbruik van omstandigheden. Daarbij betrekt de klacht dat Junzheng c.s. niet meer gerechtvaardigd een beroep kon doen “op de voorwaarde”, waarmee de klacht kennelijk doelt op de in nr. 1.3.5 genoemde ‘subject to contract’-clausule. Dit is in de kern een herhaling van zetten ten opzichte van klacht a en gaat niet vliegen. Wat er zij van die clausule en het bestaan van gedetailleerde afspraken, zij brengen hoe dan ook niet mee, zoals de klacht kennelijk wil, dat het desondanks (opnieuw)
contracterenin afwijking van die veronderstelde (gedetailleerde) afspraken dús automatisch ‘misbruik’ oplevert. Dat misbruik moet immers betrekking hebben op de
bijzondereomstandigheden waardoor de ander wordt bewogen tot het aangaan van de overeenkomst. Zie onder 3.3 sub i hiervoor. Daar komt dan nog bij dat de OK in rov. 3.9 van het arrest een en ander uiteenzet omtrent de verslechterde financiële positie van NST sinds 2017, wat tegenwicht biedt aan het belang van de (volgens Windward) “gedetailleerde afspraken” uit 2017 voor het antwoord op de vraag of daarvan afwijkende afspraken door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. Zie onder 3.4.5 en 3.21.3 hiervoor.
misbruikwerd gemaakt van bijzondere omstandigheden aan de zijde van Windward.
klacht d. De OK geeft, in haar samenvatting in rov. 3.7 van het arrest, de kern van het onderhavige betoog van Windward c.s. aldus weer:
Interim Agreementen de SPA te ondertekenen, wat voor haar een nadeel meebracht want tot dan toe was zij niet verplicht een deel van de koopsom na een daartoe genomen besluit van de algemene vergadering van NST in NST te investeren.”
klacht e. Ook zij loopt spaak. Art. 3:44 lid 4 BW Pro laat toe dat de OK
laat meewegen, zoals zij doet in rov. 3.9 van het arrest, dat de koopprijs niet (wezenlijk) is veranderd. De OK moest immers alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien, in de beoordeling betrekken. Zie onder 3.3 sub iv hiervoor. Dat toepassing van art. 3:44 lid 4 BW Pro geen nadeel
vereist(zie onder 3.3 sub ii hiervoor), staat daaraan niet in de weg. Het is ook niet onbegrijpelijk dat de OK die omstandigheid laat meewegen, gezien de bredere context van rov. 3.7-3.9. Dat zij oordeelt dat de koopprijs niet (wezenlijk) is veranderd en dat dit van gewicht is, wordt ook niet onbegrijpelijk door wat de klacht aanduidt als “de hiervoor genoemde stellingen”, maar zonder enige specificatie De klacht voldoet in zoverre niet aan de daaraan uit hoofde van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv te stellen eisen. Ook de klacht aan het slot dat “[t]egen dezelfde achtergrond” de overweging dat een kapitaalstorting het belang van de aandeelhouders
kan dienenvan een onjuiste rechtsopvatting getuigt, faalt, omdat de OK dat mocht meewegen bij de beantwoording van de vraag of er, al met al, sprake is van ‘misbruik’ als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro. Te meer op de genuanceerde wijze zoals zij dat doet in rov. 3.9, daarbij mede betrekkend dat een kapitaalstorting “de intrinsieke waarde van de aandelen [verhoogt] en dikwijls ook tot een verbeterde winstgevendheid [zal] leiden”, wat dus bepaald meer behelst dan dat zo’n storting slechts theoretisch het belang van de aandeelhouders kan dienen. [41] Daaraan kan niet afdoen dat Windward (volgens de klacht) heeft betoogd dat het erom gaat of de kapitaalstorting
voor Windward c.s.nadeliger zou zijn dan een contante betaling, welk betoog (als nader weergegeven in de klacht) [42] ook onvoldoende tegenover die overwegingen van de OK stelt om als essentieel aangemerkt te kunnen worden.
zonderdat een concreet plan tot aanwending van de kapitaalstorting voor investeringen voorligt. Dat maakt, aldus de klacht, te meer onbegrijpelijk dat de OK in rov. 3.9 overweegt dat de op Windward c.s. uitgeoefende dwang om art. 3.3.3 SPA op te nemen in de overeenkomst geen misbruik van omstandigheden oplevert nu een kapitaalstorting dikwijls tot een verbeterde winstgevendheid zal leiden. Welnu, dit laatste staat niet in rov. 3.9 en ligt daarin ook niet besloten. De voordelen van een kapitaalstorting vormen in de overwegingen in rov. 3.9 immers niet meer dan een deel van de argumenten die de OK ten grondslag legt aan het oordeel dat het beroep op misbruik van omstandigheden niet slaagt. Zie onder 3.4-3.4.7 hiervoor. De klacht mist in zoverre dus feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Overigens geldt dat het gegeven dat toepassing van art. 3.3.3 SPA ook mogelijk is zonder dat een concreet plan tot aanwending van de kapitaalstorting voor investeringen voorligt, niet meebrengt dat de OK bij de door art. 3:44 lid 4 BW Pro verlangde beoordeling niet zou mogen meewegen dat de kapitaalstorting feitelijk een voordeel kan opleveren voor aandeelhouders.
klacht g. Zij faalt reeds voor zover zij voortbouwt op klachten a-f, die dus falen. Zie onder 3.21-3.26.2 hiervoor. De omstandigheden genoemd in nr. 1.1.2 onder (3)-(5) liggen overigens onmiskenbaar niet ten grondslag aan het oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Zie onder 3.4-3.4.7 hiervoor. Voor zover de klacht behelst dat de beslissing van de OK ook blijk geeft van een onjuiste uitleg van het begrip ‘bijzondere omstandigheden’, omdat de omstandigheden genoemd in nr. 1.1.2 onder (3)-(5) zien op het “uitnutten” van de situatie en niet op de beschrijving van de situatie waarin Windward c.s. verkeerde, mist zij feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want de OK is onmiskenbaar niet van oordeel dat die omstandigheden ‘bijzondere omstandigheden’ opleveren. Zie onder 3.4-3.4.7 hiervoor.
Eigen schuld van het slachtoffer als relevante factor (omstandigheid (2))” en is ook gericht tegen rov. 3.9, evenals rov. 3.7, van het arrest.
ookaan de verslechtering van haar positie heeft bijgedragen, [45] geeft de OK blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 3:44 lid 4 BW Pro. Noch bij de invulling van het begrip ‘bijzondere omstandigheden’, noch bij de invulling van het begrip ‘misbruik’, noch bij de invulling van het causaal verband speelt een rol of het slachtoffer mede door haar eigen handelen in de positie is komen te verkeren waarin zij verkeerde ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. De OK had deze omstandigheid dan ook niet aan haar beslissing ten grondslag mogen leggen. [46] Zie nr. 1.4.1.
klacht a. ‘Misbruik’ als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro is aan de orde indien een partij het aangaan van een rechtshandeling bevordert, terwijl wat zij wist of behoorde te weten omtrent bijzondere omstandigheden aan de zijde van haar wederpartij, haar daarvan moet weerhouden. Zie onder 3.3 sub iii hiervoor. In dit verband is niet
op voorhand, dus
categorisch, zonder relevantie of haar wederpartij zelf aan de verslechtering van haar positie heeft bijgedragen. Het hangt er maar net van af wat er precies aan de hand is. De redactie van art. 3:44 lid 4 BW Pro laat toe - vooral gelet op de woorden “daarvan zou behoren te weerhouden”, waar toch elastiek in zit - dat zo’n verslechtering onder omstandigheden voor rekening moet komen van de partij die zich op misbruik van omstandigheden beroept. [53] Immers, alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die rechtshandeling moeten, in onderling verband en samenhang bezien, in beschouwing worden genomen. Zie onder 3.3 sub iv hiervoor. Daarbij past niet wat de klacht als rechtens verdedigt. Het in de klacht genoemde Hoge Raad-arrest biedt daaraan ook geen steun. [54] Hierop stuit de klacht af.
klacht b. De OK onderkent in rov. 3.7 en 3.9 van het arrest met zo veel woorden dat Sinochem heeft bedongen dat Embarcadero zou worden uitgekocht. Er zit vervolgens geen licht tussen
enerzijdsde bedoelde stellingen van Windward - Embarcadero zou volgens de Settlement Agreement worden uitgekocht, wat zou leiden tot terugtrekking van acht schepen van Borealis
ultimo 2018- en
anderzijdsde overwegingen van de OK in rov. 3.9 dat Windward zelf aan de verslechtering heeft bijgedragen door
al in mei 2018over te gaan tot uitkoop van Embarcadero als aandeelhouder van NST, terwijl Windward - kort gezegd - met de uitkoop had kunnen wachten “tot een later moment (tot eind 2018 ingevolge de overeenkomst met Embarcadero)”. Uit de bedoelde stellingen volgt niet, anders dan de klacht poneert, dat de uitkoop in mei 2018 helemaal niet heeft bijgedragen aan de ontstane situatie. Dat de OK dit laatste niet leest in die stellingen, zoals blijkt uit het bestreden oordeel, is dan ook niet onbegrijpelijk. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
klacht c. Zij strandt in het voetspoor van klacht b. Ik licht toe. In de kern hamert Windward op (i) het overeengekomen tijdpad, dat meebracht dat de schepen van Borealis ultimo 2018 zouden worden teruggetrokken, en (ii) de vertraging aan de zijde van Sinochem door de privatisering. In rov. 3.9 van het arrest ligt besloten dat de OK onderkent en meeweegt dat de verslechtering van de financiële situatie van NST in de twee jaren na het sluiten van de LEA en de BOL
medete wijten was aan de vertraging in de totstandkoming van de joint venture met Sinochem (wegens de privatisering). Dit betekent niet dat de OK bij de toepassing van art. 3:44 lid 4 BW Pro niet óók, begrijpelijkerwijs, in de beoordeling kon betrekken dat - kort gezegd - Windward in mei 2018 met de uitkoop had kunnen wachten (toen de privatisering voor vertraging zorgde). Voor zover wordt betoogd dat art. 3:44 lid 4 BW Pro verlangt dat wordt bepaald althans dat cruciaal is wat de ‘root cause’ is van - zo bedoelt de klacht kennelijk - de bijzondere omstandigheden, geldt dat dit nergens uit volgt. [55] De in dat verband betrokken stellingen zijn dus niet essentieel. De OK mocht immers de verscheidene factoren, waaronder dus het gegeven dat Windward tot uitkoop van Embarcadero overging terwijl zij kon wachten, in de afweging betrekken. Dit volgt uit wat onder 3.31 hiervoor aan de orde kwam. De OK hoefde zich dus niet te buigen over de vraag of de verslechterde positie van NST eenduidig door Junzheng c.s. is veroorzaakt, in die zin dat dé oorzaak voor haar rekening komt. Daar komt nog bij dat de OK in rov. 3.44 (inderdaad) kenbaar respondeert op grief 1, [56] die - naar de klacht betoogt - de essentie bevat van die stellingen betreffende de ‘root cause’. Het stond de OK natuurlijk vrij haar arrest zo in te richten.
Alternatieve lezing: geen causaal verband” en is gericht tegen rov. 3.9 van het arrest. Het subonderdeel bestaat uit nr. 1.5.1. Voor zover de OK in rov. 3.9 zou hebben beslist dat van causaal verband geen sprake is en één of verschillende omstandigheden uit rov. 3.9 aan die beslissing ten grondslag zou(den) liggen, herhaalt Windward c.s. de klachten uit nrs. 1.1.1-1.4.5. Ook is de OK in dat geval buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, want geen van de door de OK genoemde omstandigheden in rov. 3.9 is aan het beroep op ontbreken van causaliteit ten grondslag gelegd. Voor zover de OK dat wel zou hebben gedaan, getuigt de overweging voorts van een “onbegrijpelijke” (ik lees: onjuiste) uitleg van het begrip ‘door’ uit art. 3:44 lid 4 BW Pro, althans is de motivering van de OK zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
niet is gesteld of geblekendat het voor Windward in verband met haar financiële toestand cruciaal was om de gehele koopprijs van € 6,75 miljoen direct bij de overdracht te ontvangen” en “[o]mtrent een financiële noodtoestand van Windward (…)
in het geheel niets [is] gesteld.” [58] Zie onder 3.4.5 hiervoor. Dit heeft dus inderdaad betrekking op wat Windward volgens de OK moest stellen omtrent het causaal verband, getuigt niet van een onjuiste uitleg van het begrip ‘door’ uit art. 3:44 lid 4 BW Pro en is evenmin onbegrijpelijk.
Voortbouwklacht” en is gericht tegen rov. 3.8-3.11, 3.18-3.22, 3.24, 3.33 en 3.44 van het arrest.
klacht a. Zij strandt, nu geen van de in subonderdelen 1.2-1.5 opgenomen klachten slaagt. Zie onder 3.7-3.37.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
klacht b. Zij is gericht tegen een bijkomend argument van de OK naast een eigenstandige redenering voor de verwerping van grief 1 en kan dus al bij gebrek aan belang niet slagen. Ik citeer uit rov. 3.44 van het arrest, met cursivering door mij:
Grief 1houdt in dat de rechtbank niet (kenbaar) in haar beoordeling heeft betrokken dat de ernstige vertraging in de totstandkoming van de joint venture met Sinochem tot grote problemen leidde voor NST en dat die door Sinochem veroorzaakte problemen uiteindelijk reden waren om de nabetalingen om te zetten in kapitaal en [eiser 2] te schorsen en te ontslaan. Uit het voorgaande blijkt reeds dat en waarom die grief niet tot vernietiging van het Vonnis kan leiden.
Daar komt nog bijdat Windward in artikel 9 van Pro de Interim Agreement uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar recht om zich te beroepen op de vertraging in de totstandkoming van de joint venture tot dat moment, ook voor het geval de beoogde joint venture tot stand zou komen. In artikel 18.5 SPA wordt nog eens bevestigd dat die bepaling van kracht blijft na de totstandkoming van de SPA.”
Strijd met de redelijkheid en billijkheid”)
Dwang om af te wijken van de BOL” en is gericht tegen rov. 3.11 van het arrest.
onaanvaardbaarheidnaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, is prima te volgen dat de OK in dit verband verwijst naar haar overwegingen in rov. 3.9 ten aanzien van de aard van de (volgens de OK beperkte) afwijking van eerdere afspraken, de aanleiding daarvoor (de gewijzigde financiële toestand van NST) en de omstandigheden waaronder deze is bedongen (waaronder de bijstand van advocaten van een gerenommeerd kantoor), waarin mede besloten ligt dat de door Windward c.s. bedoelde dwang in werkelijkheid onvoldoende uit de verf is gekomen. Kortom, de OK heeft gerespondeerd op het door Windward c.s. bedoelde betoog, en geenszins onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Voortbouwklacht” en is gericht tegen rov. 3.11, 3.20-3.24, 3.33 en 3.44 van het arrest. Het subonderdeel bestaat uit nr. 2.2.1. Geklaagd wordt - vergaand samengevat - dat als subonderdeel 2.1 slaagt, via een cascade-effect rov. 3.11, 3.20-3.24, 3.33 en 3.44 niet in stand kunnen blijven.
De uitleg van art. 3.3.3 SPA”)
De plaatsing van de bepaling” en is gericht tegen rov. 3.14 van het arrest.
Security” zou blijken dat art. 3.3.3 SPA ook van toepassing is zonder concreet plan tot aanwending van de kapitaalstorting voor investeringen heeft de OK de grenzen van de rechtsstrijd miskend, dan wel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, dan wel een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van Junzheng c.s. gegeven. Junzheng c.s. heeft namelijk niet gesteld dat de kop van de bepaling relevant is voor de uitleg. Zie nr. 3.1.3.
Headings and sub-headings in this Agreement are inserted for convenience only and shall not affect the interpretation of this Agreement.” Als het de OK al vrijstond om ambtshalve de kop van de bepaling (dus art. 3.3 SPA) te betrekken bij de uitleg van de overeenkomst, dan had de OK ook ambtshalve acht moeten slaan op art. 1.1.2 SPA. “Vgl. in dat verband ook HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1131.” Voor zover de OK art. 1.1.2 SPA impliciet bij haar oordeel heeft betrokken, is het onbegrijpelijk dat de OK aan de kop van de bepaling steun ontleent voor de door Junzheng c.s. bepleite uitleg. Zie nrs. 3.1.4-3.1.5.
Security” - bij de uitleg moeten betrekken. Art. 3.3.1 SPA begint ermee dat de Deferred Payment beschikbaar is voor
verrekeningmet claims van koper uit hoofde van de overeenkomst, inclusief uit hoofde van garantieclaims, claims onder vrijwaring en eventuele koopprijsaanpassing. Verrekening heeft onder andere een zekerheidsfunctie. De kop “
Security” slaat op deze twee bepalingen en niet op art. 3.3.3 SPA. Zie nr. 3.1.6.
Security”), in beschouwing neemt. [64] Partijen konden - afgezien van de hierna te bespreken klacht b - erop bedacht zijn dat de OK acht zou slaan op dat opschrift nu het nauw verband houdt met de litigieuze bepaling, art. 3.3.3 SPA, zelf. Dat is alles behalve wereldschokkend.
or otherwise” na “
investments”) en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3.3.3 SPA, die dat uitlegoordeel in de gedachtegang van de OK onmiskenbaar óók kunnen dragen indien het aan het opschrift ontleende argument wordt weggedacht. Uit niets volgt immers - indien rov. 3.14 in haar totaliteit wordt bezien - dat de inhoud van het opschrift (“
Security”), dat de OK slechts terloops vermeldt, cruciaal is in de daar door de OK opgezette redenering. Daarbij constateer ik dat de OK niet uitschrijft wat zij nu precies aan dat opschrift ontleent en dat, niettemin, ook zuiver kijkend naar de tekst van art. 3.3.3 SPA, de uitleg die de OK daaraan in rov. 3.14 geeft (een concreet plan tot aanwending van de kapitaalstorting voor investeringen wordt niet vereist) erg voor de hand ligt en de door Windward c.s. verdedigde uitleg navenant weinig.
Geen scherpe onderhandelingen” en is gericht tegen rov. 3.14 van het arrest. Het subonderdeel bestaat uit nr. 3.1 (bedoeld zal wel zijn: nr. 3.2.1) en bevat de volgende klacht. De OK overweegt in rov. 3.14 dat uit de eigen stellingen van Windward c.s. volgt dat over art. 3.3.3 SPA scherp is onderhandeld. Ook met deze overweging treedt de OK buiten de grenzen van de rechtsstrijd, althans geeft de overweging blijk van een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken van Windward c.s. Windward c.s. heeft een dergelijke stelling simpelweg niet ingenomen. Nr. 11 van de spreekaantekeningen in eerste aanleg van de zijde van Windward c.s. ziet op de SPA als geheel en niet specifiek op art. 3.3.3 SPA en bovendien ontbreekt de kwalificatie “scherp”. De stelling van Windward c.s. is integendeel dat art. 3.3.3 SPA onder invloed van misbruik van omstandigheden aan Windward is opgelegd.
envan Windward c.s.
volgtdat over art. 3.3.3 SPA scherp is onderhandeld. Kortom, de OK leidt dat laatste (zelf) af uit meerdere stellingen van Windward c.s., wat overigens te volgen is. [65] Vervolgens klaagt Windward c.s. dat zij “een dergelijke stelling” niet heeft ingenomen (welke stelling, in enkelvoud, blijft onduidelijk) en dat zij (in ieder geval) niet de kwalificatie “scherp” heeft gegeven. De klacht ziet dus eraan voorbij dat de OK niet overweegt dat Windward c.s. heeft gesteld dat er over art. 3.3.3 SPA scherp is onderhandeld, maar dat zélf afleidt - als gezegd: niet onbegrijpelijk - uit stellingen van Windward c.s.
Geen investeringsplan” en is gericht tegen rov. 3.14 van het arrest. Het subonderdeel bestaat uit nr. 3.3.1 en bevat de volgende klacht. De uitleg van art. 3.3.3 SPA in rov. 3.14 verhoudt zich slecht tot rov. 3.9, waarin de OK - bij haar oordeel over het opnemen van art. 3.3.3 SPA in de overeenkomst - juist overweegt dat een kapitaalstorting dikwijls tot verbeterde winstgevendheid leidt. Met die overweging valt niet te rijmen dat de OK in rov. 3.14 vervolgens van oordeel is dat art. 3.3.3 SPA niet noopt tot het treffen van maatregelen die een bijdrage leveren aan de winst. Rov. 3.9 en 3.14 zijn dus innerlijk tegenstrijdig en reeds daarmee onbegrijpelijk.
naar verwachting(want “dikwijls”) tot een verbeterde winstgevendheid zal leiden en zo het belang van de aandeelhouders kan dienen. [66] Deze overweging dwingt, anders dan de klacht wil, geenszins tot een uitleg van art. 3.3.3 SPA volgens welke dat artikel slechts kan worden ingeroepen indien er (reeds) een concreet plan tot aanwending van de kapitaalstorting voor investeringen voorligt. [67] Van de aangewreven “innerlijke” tegenstrijdigheid is geen spoor te vinden.
Voortbouwklacht” en is gericht tegen rov. 3.14-3.15 van het arrest. Het subonderdeel bestaat uit nr. 3.4.1. Geklaagd wordt dat als de “hiervoor geformuleerde klachten” (ik lees: één of meer van de klachten in subonderdelen 3.1-3.3) slagen, rov. 3.14 niet in stand kan blijven. De OK zou
dan(dus bij het slagen van één of meer van de klachten in subonderdelen 3.1-3.3) enkel op basis van de tekst van de bepaling de bepaling hebben uitgelegd en daarmee de Haviltex-maatstaf hebben miskend, althans is de beslissing van de OK dan niet begrijpelijk gemotiveerd. Althans dient het verwijzingshof dan op basis van de overblijvende omstandigheden opnieuw een feitelijke afweging te maken over de uitleg van de bepaling. Rov. 3.15 bouwt voort op rov. 3.14 en dient dan ook te worden vernietigd.
Vernietigbaarheid van de besluiten op de voet van art. 3.3.3 SPA”)
besluiten). Nr. 4.1.3 bevat een weergave van stellingen en standpunten van Windward c.s. Nrs. 4.1.4-4.1.9 bevatten vervolgens de volgende - plaatselijk enigszins samengevatte - klachten.
alleomstandigheden als vermeld in rov. 3.16 ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing dat ten aanzien van
beidebesluiten van de algemene vergadering het beroep op vernietigbaarheid verworpen moet worden, heeft de OK miskend dat elk van deze besluiten op zijn eigen merites diende te worden beoordeeld, tegen de achtergrond van de situatie op het tijdstip waarop de besluiten genomen werden. Althans heeft de OK haar beslissing onbegrijpelijk gemotiveerd door niet duidelijk te maken wélke omstandigheden zij ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing met betrekking tot het besluit van 5 november 2020 en welke aan haar beslissing met betrekking tot het besluit van 10 maart 2023. Zie nr. 4.1.9.
klacht a.
Voortbouwklacht” en is gericht tegen rov. 3.19-3.22, 3.24 en 3.33 van het arrest. Het subonderdeel bestaat uit nr. 4.2.1. Geklaagd wordt dat als subonderdeel 4.1 slaagt, rov. 3.20 t/m 3.22 niet in stand kunnen blijven. Bovendien werkt rov. 3.19 ook door in rov. 3.24, meer specifiek de overweging dat “hiervoor [al bleek] dat de Ondernemingskamer dat verzet onterecht acht”. Voorts werkt rov. 3.19 door in rov. 3.33 en kan ook die overweging niet in stand blijven gelet op het voorgaande.
Schorsing van [eiser 2]”)
urgentieontbrak. [72] De beoordeling of die urgentie aanwezig is, dient plaats te vinden aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij van belang is welke andere middelen zijn beproefd om in de ongewenst geoordeelde ontwikkelingen in te grijpen. Zie nrs. 5.5-5.7.
NJ2004/520 mee dat de OK daarop niet mocht afgaan zonder Windward c.s. eerst in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Zie nr. 5.11.
klacht e. Ook zij strandt. Geklaagd wordt
niet, althans niet kenbaar en gericht conform de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv, over de overweging van de OK dát [eiser 2] vanuit NST betalingen heeft gedaan - daargelaten of dat ‘selectieve betalingen’ waren - aan vennootschappen waarin hij een belang hield, terwijl overige crediteuren van NST, waaronder Sinochem-entiteiten, onbetaald bleven. Dat Windward c.s. - zoals nu in de klacht naar voren wordt gebracht - het algemene standpunt heeft ingenomen dat van een belangenverstrengeling geen sprake was, maakt niet dat de appreciatie van de OK van de aan het schorsingsbesluit ten grondslag gelegde gronden onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Uit de klacht wordt immers ook helemaal niet duidelijk waarom de OK niet kon oordelen zoals zij doet, in het kader van de terughoudende inhoudelijke toetsing van het schorsingsbesluit (zie onder 3.81.3 hiervoor), dat het bestuur van NST aan het schorsingsbesluit mede de aanwezigheid van de daar bedoelde belangenverstrengeling ten grondslag kon leggen. [91] Dat volgt niet uit de stelling dat het belang in de bedoelde ondernemingen slechts 8% was en dat [eiser 2] transparant was over die belangen, want dat heeft kennelijk betrekking op de rol van art. 5.1.7 SHA. [92] In dit verband valt bovendien niet in te zien wat precies de relevantie is van de stelling dat NST ten tijde van het schorsingsbesluit de weg naar een winstgevende situatie weer had gevonden. Ook de door de klacht aangehaalde rechtspraak over ‘selectieve betalingen’ in de context van bestuurdersaansprakelijkheid, [93] wat toch echt iets anders is (mede gelet op de voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders geldende verhoogde drempel van, kort gezegd, een persoonlijk ernstig verwijt), brengt niet mee dat de OK in de context van de terughoudende inhoudelijke toetsing van het schorsingsbesluit niet kon oordelen zoals zij doet. Dat een bestuurder niet snel aansprakelijk is wegens selectieve betalingen betekent immers niet dat selectieve betalingen aan vennootschappen waarin die bestuurder een belang heeft (terwijl andere crediteuren onbetaald blijven) niet (mede) ten grondslag kan worden gelegd aan een besluit tot schorsing van die bestuurder. Zulks gelet ook op wat onder 3.81.1-3.81.3 hiervoor aan de orde kwam.
klacht d. Zij treft hetzelfde lot als de vorige klachten. Zij heeft niet betrekking op hoe de OK is omgesprongen met de toets van art. 2:8 lid 1 BW Pro, vanuit een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsbesluit, maar op een stap daarvóór. Onbegrijpelijk zou zijn dat de OK in rov. 3.24 overweegt dat [eiser 2] niet betoogt dat de vereisten voor de totstandkoming van het besluit niet zijn nageleefd. Daarbij verwijst de klacht naar vindplaatsen, zonder te vermelden (i) wat daar dan concreet staat - behalve dat is betoogd dat de totstandkomingsvereisten niet zijn nageleefd - en (ii) waarom daaruit zou volgen dat de bewuste overweging van de OK onbegrijpelijk is. [96] Het is niet aan de cassatierechter om dat eigenhandig uit te pluizen. De klacht voldoet dus niet aan de daaraan uit hoofde van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv te stellen eisen.
klacht g. Zij deelt in het lot van klachten a-f, die dus falen. Zie onder 3.82.1-3.82.7 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
De uittreedvordering”)
Duurzame ontwrichting”. Het bestaat uit nrs. 6.1.1-6.1.6. Nrs. 6.1.1-6.1.5 zijn van inleidende aard. Nr. 6.1.6 bevat de klacht dat de OK de in nr. 6.1.5 genoemde “stellingen” heeft genegeerd in rov. 3.31-3.37 van het arrest. Aldus geldt dat de OK ofwel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 2:343 BW Pro ofwel heeft verzuimd essentiële stellingen van Windward te betrekken, dan wel de gedingstukken op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd. Die “stellingen” komen neer op wat in nrs. 6.1.1-6.1.4 wordt uiteengezet over de voorwaarden voor toewijzing van een uittreedvordering uit hoofde van art. 2:343 BW Pro (zoals dat luidde vóór 1 januari 2025) [97] en het standpunt dat daaraan is voldaan. Voorts is in nr. 6.1.5 aan te treffen dat zonder toewijzing van de uittreedvordering volstrekt onrealistisch is dat uitzicht bestaat op een redelijke oplossing en dat de toestand in NST onhoudbaar is, aangezien van een goede samenwerking in het vennootschapsverband allang geen sprake meer is en de kans op verbetering van de relatie nihil is. Daarbij wordt verwezen naar nr. 150 van de memorie van grieven en nr. 29 van de memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident.
Schending van joint venture verplichtingen”. Het subonderdeel bestaat uit nrs. 6.2.1-6.2.5. Nrs. 6.2.1-6.2.3 zijn van inleidende aard. Nr. 6.2.4 bevat de klacht dat de OK de (volgens Windward c.s.) essentiële stellingen bedoeld in nrs. 6.2.1-6.2.3 niet noemt in rov. 3.31 van het arrest en daarop ook niet ingaat in rov. 3.33-3.36. In nrs. 6.2.1-6.2.3 wordt uiteengezet wat Windward heeft aangevoerd in nrs. 75-89 van de dagvaarding in eerste aanleg en in nrs. 6-45, 147 van de memorie van grieven. Aldus geldt ofwel dat rov. 3.31-3.37 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over art. 2:343 BW Pro (pre-2025) ofwel dat de OK de hiervoor genoemde essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten, dan wel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van Windward. Uit de stellingen van Windward blijkt namelijk dat sprake is van schending van joint venture-verplichtingen door Junzheng c.s. Dat is (dus) een gedraging aan de zijde van Junzheng c.s., die voor toewijzing van een uittreedvordering voldoende kan zijn, waarbij het subonderdeel terugverwijst naar nrs. 6.1.1-6.1.5 en naar de memorie van grieven, nrs. 4, 145. In nr. 6.2.5 wordt daaraan toegevoegd dat Junzheng c.s. in reactie op deze stellingen alleen heeft aangevoerd dat ze te vaag zijn en dat het feitencomplex waarnaar Windward verwijst niet alleen ziet op Junzheng, maar op alle geïntimeerden. Deze algemene en vage betwistingen leveren niet op dat “het verwijzingshof na verwijzing” niet tot een andere uitkomst kan komen dan de OK in het bestreden arrest.
Algemene voortbouwklacht”)