Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
zij in de periode van 14 mei 2017 tot en met 1 februari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid hen, toen zij deze ontvingen bekend was met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft.”
2. Proces-verbaal van verdenking, d.d. 13 maart 2018, dossierpagina’s 369 tot en met 372, met bijlagen voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
(het hof: bijlagen 1 tot en met 10)weergegeven waarin over "postzegels" wordt gesproken. [medeverdachte 1] : " [medeverdachte 1] " genoemd, [medeverdachte 2] " [medeverdachte 2] ", [medeverdachte 3] " [medeverdachte 3] " en [verdachte]
(het hof begrijpt hier steeds: de verdachte [verdachte] )" [verdachte] ".
(het hof: bijlagen 11 tot en met 23).
15.stuks leveren
(het hof begrijpt: valse bankbiljetten)aan [medeverdachte 4]
(het hof begrijpt: [medeverdachte 4] : [medeverdachte 4]). Tijdens dit gesprek heeft medeverdachte [medeverdachte 1] het over een totaalbedrag van € 3.200,00, waarop de verdachte tegen [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 4] al € 100,00 betaald heeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt vervolgens tegen de verdachte dat hij tegen [medeverdachte 2] (
het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft gezegd dat het akkoord is als ze hem (
het hof begrijpt: [medeverdachte 4]) 15 postzegels geeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt daarnaast tegen de verdachte dat de "postzegels" normaal een rug kosten en dat hij er dan € 7.500,00 mee wit kan maken. Vervolgens wordt de verdachte op voornoemde datum omstreeks 19:11 uur gebeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt aan de verdachte of zij naar [plaats] kan komen en of het 15 "hele" zijn. Dit laatste wordt door de verdachte bevestigd.
in voorraad hebbenvan vervalste bankbiljetten – waarvan de valsheid de verdachten, toen zij deze ontvingen, bekend was – met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Het lijkt mij dat ‘in voorraad hebben’ ook gezien de wetsgeschiedenis [2] dezelfde betekenis heeft als ‘voorhanden hebben’. Wat mij betreft ligt het derhalve in de rede om bij de uitleg van de reikwijdte van het begrip ‘in voorraad hebben’ aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het voorhanden hebben in de zin van art. 420bis Sr. Dit betekent dat voor het medeplegen van het in voorraad hebben, “moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp”, hetgeen vereist dat de verdachte zich bewust is van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp. [3] Deze bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken, waaronder begrepen de omvang van het geldbedrag, of de exacte locatie daarvan. Ook moet vaststaan dat de verdachte tezamen met zijn mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen. [4]
(DP: ik begrijp dat hier wordt gedoeld op het bedrag dat [medeverdachte 4] zal moeten betalen voor het nepgeld)en suggereert dat het € 3200 is; verdachte antwoordt instemmend, maar merkt op dat hij (
DP: ik begrijp [medeverdachte 4]) al € 100 euro heeft betaald. Ze geeft ook aan [medeverdachte 3] te zullen bellen; even later geeft zij aan [medeverdachte 1] aan dat dit niet is gelukt.
DP: ik begrijp vijftien briefjes van € 500) en verdachte bevestigt dit.