Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van de middelen
Slechts wordt het tijdstip waarop dividend in contanten voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking wordt genomen, volgens de heersende leer verschoven naar het tijdstip waarop het voor de certificaathouder bij de Stichting (art. 33, lid 1, letter b, IB '64) ,,inbaar (is) geworden'(zie res, 21 juli 1958, nr. B8/2151, Belastingberichten (oude reeks), I. 1428, lid 2; W.E. Kremer, Belastingbeschouwingen, oktober 1958, I. 3; A, J. van Soest, De naamlooze vennootschap, mei 1959, jaargang 37, blz. 38; H. Herckens, WFR 4718 d.d. 10 september 1964, jaargang 93, blz. 768). Maar bijzondere uitkeringen moeten ten opzichte van de certificaathouders op de zelfde wijze gekwalificeerd worden als ten opzichte van de oprichters- aandeelhouders zelf (aldus impliciete HR 19 maart 1958, BNB 1958/184 met noot Hollander; 18 februari 1959, BNB 1959/124 met noot P. den Boer) en bij verkoop van certificaten aan de betrokken NV kan van een uitdeling van winst sprake zijn (zoals wanneer zij haar eigen aandelen inkoopt; zie Hof 's- Gravenhage 17 november 1970, BNB 1971/225, V-N 9 december 1971, punt 7).”
BNB1958/56, besliste echter in een geval van bijstempeling van aandelen dat de certificaathouder geniet op het tijdstip van bijstempeling van de aandelen en dat het latere tijdstip van bijstempeling van het certificaat niet beslissend was. In dezelfde zin besliste HR 19 maart 1958, nr. 13 506,
BNB1958/185, ter zake van omwisseling van aandelen bij een fusie. Daarmee verwierp de Hoge Raad de opvatting van het Ministerie van Financiën zoals neergelegd in de aanschrijving van 13 april 1953, nr. 130 namelijk dat het tijdstip van betaalbaarstelling door het administratiekantoor het aangewezen tijdstip was. In de resolutie van 21 juli 1958, nr. B8/2151, legde het ministerie het standpunt van de Hoge Raad beperkt uit. HR 14 maart 1979, nr. 19 022,
BNB1979/167, bevestigde de opvatting dat de certificaathouder het normale dividend niet eerder ontvangt dan op het tijdstip waarop dit door het administratiekantoor ter beschikking wordt gesteld.”