Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak in het kort
3.Het eerste middel
Bewijsoverweging
4.Het tweede middel
Strafbaarheid van de verdachte
.Deze uitgangspunten zijn ook van toepassing ten aanzien van de psychische stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr Pro.
ervaarde” (cursivering toegevoegd, MvW), maar zowel [deskundige 2] als [deskundige 1] geven ondubbelzinnig aan dat van volledige doorwerking van bij de verdachte vastgestelde stoornissen in het begaan van de feiten geen sprake was. Gelet op die bevindingen en conclusies, die het hof tot de zijne heeft gemaakt, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte niet in zodanige staat verkeerde dat hij in het geheel niet in vrijheid keuzes kon maken en de gevolgen en strafbaarheid van zijn daden in het geheel niet meer kon overzien. Daarmee heeft het hof, weliswaar door zich te baseren op de rapporten en verklaringen van de deskundigen, zich ook een zelfstandig oordeel gevormd over de mate waarin de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De door de verdediging in hoger beroep aangevoerde argumenten voor het volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren van de verdachte vinden hun weerlegging in de door het hof overgenomen bevindingen en conclusies van de deskundigen. Voor verdere toetsing van het oordeel van het hof over de verminderde toerekenbaarheid van feit 1 aan de verdachte is, verweven als dat is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie geen plaats.
5.Het derde en het vierde middel
Op te leggen straf en maatregel
.Het in artikel 359 lid 2 Sv Pro neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”
eerste deelklachtvan het
derde middelhoudt in dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate de verminderde toerekenbaarheid van feit 1 heeft bijgedragen aan een verlaging van de straf. Deze klacht sluit aan bij de volgende passages uit de pleitnota die de raadsman heeft voorgedragen op de terechtzitting van het hof van 5 december 2024 (met overneming en vernummering van voetnoten):
Verminderd toerekeningvatbaar: straf naar de mate van schuld
Strafrahmen, dat wil zeggen de ruimte tussen een minimum- en maximumstraf waarbinnen de rechter zijn straf moeten bepalen, [12] anders worden als de toerekeningsvatbaarheid van de dader aanmerkelijk (
erheblich) is verminderd. Als voorbeeld kan worden genomen een zaak zoals hier aan de orde. Het bewezenverklaarde in deze zaak zou mogelijk als een moord kunnen worden gekwalificeerd als bedoeld in § 211 StGB omdat de dader zich bewust was van de argeloosheid en weerloosheid van het slachtoffer dat onverhoeds op zijn eigen bank van achteren werd aangevallen. [13] In zo’n geval is een levenslange gevangenisstraf voorgeschreven. Bij een aanmerkelijke vermindering van de toerekeningsvatbaarheid, kan de rechter echter in plaats daarvan een Strafrahmen vaststellen van drie tot vijftien jaren (§§ 49 lid 1 en 38 lid 2 StGB). [14] Overigens is de betekenis van de verminderde toerekeningsvatbaarheid daarmee niet uitgewerkt. Ook bij de strafbepaling binnen de Strafrahmen kan die nog een relevante factor zijn. Van zijn oordeel over de vaststelling van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de vaststelling van de Strafrahmen dient de Duitse rechter in zijn vonnis stap voor stap verslag te doen. [15]
guidelinesvoor verschillende delicten. In beginsel dienen zij deze richtlijnen te volgen (art. 59 lid 1 Sentencing Pro Act 2020). Een voorbeeld van een dergelijke richtlijn is die voor “Manslaughter by reason of diminished responsibility”. [16] Als eerste stap schrijft de richtlijn voor dat de rechter de mate vaststelt van de toerekeningsvatbaarheid die de dader nog had: high, medium of low. Aan de hand daarvan wordt een startpunt en een bereik voor de straftoemeting bepaald. Die is bijvoorbeeld voor ‘licht verminderde toerekeningsvatbaarheid’ 24 jaren respectievelijk 15 tot 40 jaren en voor ‘sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid’ 7 jaren en 3 tot 12 jaren. Rechters dienen daarna nog een groot aantal andere stappen te doorlopen, zoals het verdisconteren van strafverminderende en strafverhogende factoren. [17]
Mathematisierungvan die straftoemeting. [25] Bovendien kan de vraag worden gesteld of een modelmatige aanpak zoals hier wordt voorgesteld in overeenstemming is met de realiteit. Bestaan er inderdaad vijf, goed vaststelbare [26] categorieën van toerekening die min of meer lineair verlopen? En is de mate van schuld, hetgeen niet alleen een feitelijk maar ook een normatief begrip is, daar op lineaire wijze aan te koppelen? In dat verband geldt bovendien dat schuld meer omvat dan toerekeningsvatbaarheid. [27] Als schuld, in navolging van Hofstee, wordt begrepen als de mate van vrijheid van het wilsbesluit dat ten grondslag ligt aan de strafbare gedragingen, [28] dan zijn er nog andere omstandigheden die de mate van schuld doen verlagen dan de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Te denken valt aan omstandigheden die niet voldoende zijn om een beroep op een bepaalde strafuitsluitingsgrond te laten slagen, zoals psychische overmacht, maar daar wel dichtbij komen. [29]
de tweede deelklachtvan het
derde middel. Die zou volgens de steller van het middel daarin zijn gelegen dat het hof heeft overwogen dat het in de regel voor enkelvoudige doodslag, zonder recidive, gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaar oplegt, terwijl het even verderop in het arrest tot het oordeel komt dat “onder deze omstandigheden een gevangenisstraf voor de maximum wettelijke duur in beginsel is aangewezen”. Het hof zou niet hebben gemotiveerd hoe het ondanks de in het middel genoemde strafmatigende omstandigheden is gekomen tot een straf boven de gebruikelijke bandbreedte en nabij het maximum. Ik zie die motivering wel. Uit de overwegingen van het hof kan immers worden opgemaakt dat het, gelet op de door het hof beschreven feiten en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd én de recidive voor een grotendeels vergelijkbaar levensdelict, in beginsel voor de gepleegde doodslag uitkomt op een gevangenisstraf die even lang is als het voor dat feit geldende maximum, te weten vijftien jaren. Uit de overwegingen van het hof volgt dat daarnaast het tweede feit, het doden van het hondje, nog strafverzwarend werkt. Daarbij moet worden bedacht dat ten tijde van het begaan van de feiten voor samenloop van deze twee feiten maximaal achttien jaar gevangenisstraf kon worden opgelegd. [31] Met een gevangenisstraf van vijftien jaar – vóór de vermindering met zes maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn – is het hof mitsdien ergens tussen de naar eigen zeggen gebruikelijke bandbreedte voor enkelvoudige doodslag en de maximum wettelijke duur voor het bewezenverklaarde tezamen uitgekomen. Ervan uitgaande dat voor beide feiten samen in beginsel een hogere straf zou worden opgelegd dan de vijftien jaar die het hof alleen al voor feit 1 als uitgangspunt had genomen, is dit bovendien een strafverlaging. Dat betekent dat het hof de in beginsel passend geachte gevangenisstraf wel degelijk heeft gematigd, waarbij in ieder geval de verminderde toerekenbaarheid van de doodslag aan de verdachte is genoemd als factor die in zijn voordeel is meegewogen. Aangezien het hof daarmee heeft uitgelegd waarom het op een gevangenisstraf zoals opgelegd is uitgekomen, is van innerlijke tegenstrijdigheid van de motivering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf, wat mij betreft, geen sprake.
vierde middelopgenomen klacht dat de hoge leeftijd van de verdachte zou maken dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de opgelegde straf proportioneel is, treft evenmin doel. Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat het hof rekening had moeten houden met de noodzaak tot behandeling van de verdachte na afloop van de uitgezeten gevangenisstraf, voortvloeiend uit zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, miskent het dat het hof een langdurige behandeling niet noodzakelijk heeft geacht. In het middel wordt verder gesteld dat het hof het verbod op onmenselijke behandeling van art. 3 EVRM Pro wordt geschonden, maar dit wordt verder op geen enkele manier toegelicht, zodat ik hier verder niet op in zal gaan. Voor zover in het middel nog redenen worden genoemd waarom de straf niet proportioneel zou zijn, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb geschreven over de vrijheid van de rechter bij de straftoemeting, de eisen die worden gesteld aan de strafmotivering en de toetsing daarvan door de Hoge Raad.
derde middel, over de door het hof ambtshalve toegepaste strafvermindering voor overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, behoeft geen bespreking, omdat de verdachte daarbij geen belang heeft. In cassatie kan namelijk niet met vrucht worden geklaagd over het oordeel omtrent de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte dan wel diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. In zo’n geval moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. [32] Uit het arrest blijkt dat de behandeling in hoger beroep op tegenspraak is geweest, terwijl uit de pleitnota voor het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 noch uit het proces-verbaal van diezelfde terechtzitting volgt dat door of namens de verdachte verweer is gevoerd ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn. [33]
6.Het vijfde middel
Op te leggen straf en maatregel
eist. Er moet sprake zijn van dusdanig gevaar voor ernstige recidive dat maakt dat dwangverpleging geboden is.