ECLI:NL:PHR:2026:205

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
24/02518
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 2 OpiumwetArt. 27 lid 1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 26 lid 1 WWM
Verwijzingen
19 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen witwassen van €230.000 in auto met tas achter bijrijdersstoel

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van witwassen van een geldbedrag van €230.000, aangetroffen in een shopperbag achter de bijrijdersstoel van de auto waarin hij als bestuurder zat. De verdachte voerde in cassatie aan dat hij geen feitelijke zeggenschap had over het geld en niet wist van de inhoud van de tas, en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom hij als medepleger werd aangemerkt.

Het hof had vastgesteld dat verdachte en een medeverdachte samen met een derde persoon een tas met geld in de auto laadden na een ontmoeting bij een McDonald's, waarna zij werden aangehouden. Uit diverse bewijsmiddelen, waaronder tapgesprekken, observaties en verklaringen, leidde het hof af dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking en dat de verdachte bewust de tas met geld voorhanden had, ondanks zijn ontkenning.

De advocaat van de verdachte stelde dat verdachte geen feitelijke zeggenschap had en slechts ondergeschikt was aan de medeverdachte die het geld beheerde. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'voorhanden hebben' ook feitelijke macht omvat die niet hoeft te betekenen dat men direct over het geld kan beschikken. Het hof had terecht geoordeeld dat verdachte medepleger was, mede gelet op eerdere betrokkenheid bij witwassen en de nauwe samenwerking met de medeverdachte.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof voldoende en begrijpelijk had gemotiveerd waarom verdachte medepleger was van het witwassen. De verklaring van verdachte dat hij niet wist wat er in de tas zat werd als ongeloofwaardig terzijde geschoven. De strafoplegging en overige aspecten werden niet bestreden in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen witwassen van €230.000 blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02518
Zitting10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004472-17) wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. en 3. telkens “medeplegen van witwassen” en 5. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. Ook heeft het hof een in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp verbeurd verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02580 en 24/02516. [1] In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam , heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek 13Koelruit (ook wel: Koelruit) dat voortvloeit uit het onderzoek Cumana. De verdachte is – als bestuurder – op 15 juni 2014 samen met [medeverdachte 1] naar de McDonald’s in [plaats] gereden. De medeverdachte heeft daar contact met twee personen. Eén van de twee personen rijdt vervolgens met de verdachte en de medeverdachte mee naar een parkeergarage, waar de persoon die bij hen is ingestapt een tas met hengsels uit een andere auto haalt en deze tas vervolgens inlaadt aan de bestuurderszijde van de auto waarin de verdachte en de medeverdachte zich bevinden. Nadat de verdachte en de medeverdachte de parkeergarage zijn uitgereden en voor een portiek van een flat aan de [a-straat] in [plaats] zijn gestopt worden zij aangehouden. Door de politie wordt achter de bijrijdersstoel een shopperbag met als inhoud een tweede shopperbag met daarin € 230.000,- aangetroffen. Door het hof is bewezen verklaard dat de verdachte dit geldbedrag samen met de medeverdachte voorhanden heeft gehad. In cassatie wordt geklaagd over het bewezenverklaarde voorhanden hebben en over het medeplegen. Dit zou niet uit de gebezigde bewijsvoering kunnen worden afgeleid en ook zou het hof niet hebben gereageerd op het door de verdediging specifiek hierover ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het middel

3.1
Het middel houdt in dat het onder 3 bewezenverklaarde voorhanden hebben en medeplegen, mede in het licht van het op deze punten ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 15 juni 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een geldbedragen (totale waarde 230.000 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

44. Een proces-verbaal van 24 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pag. 105 e.v. zaaksdossier € 230.000).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
Ik chauffeerde de persoon met wie ik ben aangehouden (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ), ik haalde hem op bij zijn woning.
Ik moest in opdracht van hem dingen ophalen en ergens naar toe brengen, meestal zat dat in een
plastic boodschappentas. Ik ging het ophalen in de stad in de buurt van het [station] van [plaats] , ik kreeg dan een tas van iemand en het wegbrengen naar een adres. Naar de belwinkel in [wijk 1] . Mijn pingnaam is [pingnaam verdachte] . Hij (het hof begrijpt: de persoon met wie [verdachte] is aangehouden) veranderde steeds, zijn laatste was [pingnaam 1 medeverdachte] en daarvoor was zijn naam [pingnaam 2 medeverdachte] . Ik pingde met de Blackberry die is aangetroffen in de auto.
45. Een proces-verbaal van 24 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pag. 121 e.v. zaaksdossier € 230.000).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
[pingnaam 2 medeverdachte] vroeg zaterdag of ik zondag mee wilde gaan naar [plaats] . Ik heb hem opgehaald omstreeks 12.00 uur. We zijn naar de McDonald’s in [plaats] gereden.
Er is een tas in mijn auto gelegd.
46. Een proces-verbaal van 17 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pag. 001 e.v. zaaksdossier € 230.000).
Dit proces-verbaal houdt vanaf pagina 050 onder meer in:
Noot verbalisant: De Ping berichten, de SMS-berichten zijn door mij hieronder “ruw” weergegeven.
14 juni 2014 18:02:02 (Ta055 (hof: [medeverdachte 1] ) wgd [telefoonnummer 1] Gesprek 986)
[pingnaam 2 medeverdachte] (sh) wgd nnman8463
[pingnaam 2 medeverdachte] = ja hallo
Nnman= hey broer
[pingnaam 2 medeverdachte] = hey mijn vriend hoe gaat het
Nnman= spreek je E els of Nederlands
[pingnaam 2 medeverdachte] =Engels
NNman= ok, luister kan je morgen 230 ophalen
[pingnaam 2 medeverdachte] =morgen hoe laat?
Nnman= hoe laat kan je
[pingnaam 2 medeverdachte] =ik kan vroeg is beter voor me
Nnmsn= hoe laat dan
[pingnaam 2 medeverdachte] = rond 10 uur
nnman= 10 uur in de ochtend
[pingnaam 2 medeverdachte] = ja meneer
nnman= oke ik ga overleggen en dan bel ikje terug
[pingnaam 2 medeverdachte] = oke je belt me wanneer ik je kan zien oke
Nnman=jaja geen probleem
NNman= oke meneer
[pingnaam 2 medeverdachte] =oke bay bay
14 juni 2014 18:20:51 (Ta055 smsi [telefoonnummer 1] Gesprek 987)
Mcdonald [wijk 2] . Adres: [b-straat 1] . [plaats] . 1.30pm
14 juni 2014 18:20:56 (Ta055 wgd [telefoonnummer 1] Gesprek 988)
[pingnaam 2 medeverdachte] (sh) wgd nnman8463
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja mijn vriend
Nnman=ja mijn vriend ik heb je een adres gestuurd heb je het
[pingnaam 2 medeverdachte] =uh uh mijn vriend,komt over 30 minuten en hij spreekt goed Nederlands dan bel ik je en dan
geef je hem het adres hij weet het goed hier, please
NNman= ik heb je een text bericht gestuurd, kijk er naar
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja oke oke stuur me het adres en de tijd
Nnman= spreek je ook Spaans?
[pingnaam 2 medeverdachte] =pardon
Nnman= spreek je ook Spaans
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja ik spreek ook Spaans
Nnman=is het beter voor jou
[pingnaam 2 medeverdachte] =ik spreek Spaans
Nnman= morgen om 1.30 in de middag
[pingnaam 2 medeverdachte] =1.30 oke chao
Nnman=chao
14-06- 21:55:43 [pingnaam 1 medeverdachte] […] on ik laatje morgen wat weten als ik dat van
2014 lion “ […] ” ophaal
15 juni 2014 13:05:32 (Ta055 wgd [telefoonnummer 1] Gesprek 1011)
[pingnaam 2 medeverdachte] (sh) wgd nnman8463
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja alles klaar
Nnman=ja ik ben op die plek aan het wachten ja op het adres
[pingnaam 2 medeverdachte] =jaja we zijn daar met een half uur
NNman=ja ik sta buiten te wachten
[pingnaam 2 medeverdachte] = we hebben om half een afgesproken we zijn onderweg oke chao
Nmnan= oke chao
15 juni 2014 13:24:23 (Ta055 wd [telefoonnummer 1] Gesprek 1018)
[pingnaam 2 medeverdachte] (sh) wgd nnman8463
Nnman= waar ben je
[pingnaam 2 medeverdachte] =we zijn er bijna
NNman= hoe lang nog
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja
NNman= hoe lang nog
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja we zijn er bijna ja
Nnman=ja maar hoeveel minuten
[pingnaam 2 medeverdachte] =oudje met 10 minuten zijn we daar
Nnman= oke klaar ik wacht buiten ja
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja oke
15 juni 2014 13:40:06 (Ta055 wgd [telefoonnummer 1] Gesprek 1025)
[pingnaam 2 medeverdachte] (sh) wgd nnman8463
[pingnaam 2 medeverdachte] = amigo
NNman=ja waar ben je?
[pingnaam 2 medeverdachte] =ja vriend een minuutje we komen er zo aan, we zijn al hier, waar ben jij?
NNman=ik ben buiten
[pingnaam 2 medeverdachte] =oke dan zie ik je daar oke
Nnman=ja oke
47. Een geschrift zijnde een uitwerking van een tapgesprek (doorgenummerde pagina 216
zaaksdossier € 230.000).
Datum: 17-06-2014 20:37:49
Beller: [telefoonnummer 1]
Gebelde: [telefoonnummer 2] (hof: [medeverdachte 1] )
Inhoud SMS: I need the code for the 230 euro (Ik heb de code voor de 230 euro nodig).
48. Een geschrift zijnde een uitwerking van een tapgesprek (doorgenummerde pagina 217
zaaksdossier € 230.000).
Datum: 18-06-2014 10:50:00
Beller: [telefoonnummer 1]
Gebelde: [telefoonnummer 2]
Inhoud sms: Hey bro, I nef the reference number for the 230eu. Can you text me?
49. Een proces-verbaal van 16 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pag. 061 e.v. zaaksdossier € 230.000 euro).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
Sinds 1 mei 2014 verhuur ik mijn woning aan de [a-straat 1] aan een derde. Daar woont nu een Spaanse meneer.
(Verbalisanten laten verdachte een foto zien, foto 1, waarop [medeverdachte 1] is afgebeeld)De man
op foto 1 is de man die in mijn woning zit.
Ik heb ook een telefoonnummer van hem: [telefoonnummer 2] .
50. Een proces-verbaal van 16 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pag. 054 e.v. zaaksdossier € 230.000).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
13
uur: Op aanwijzing van het tactisch rechercheteam wordt de McDonald’s en het bijbehorende parkeerterrein aan de [b-straat] te [plaats] onder observatie genomen.
13.25
uur: G 124 ziet op de […] de in de informatieset genoemde Nissan Almera Tino, voorzien van [kenteken 1] rijden. G124 ziet dat er twee mannen in de auto zitten. G124 herkent de bestuurder als [verdachte] .
13.45
uur: G123 ziet dat de Nissan het parkeerterrein van de McDonald’s op rijdt en wordt geparkeerd.
13.48
uur: G137 ziet dat er twee mannen uit de Nissan stappen. G137 herkent de bestuurder als [verdachte] en de bijrijder als [medeverdachte 1] .
13.49
uur: G137 ziet dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de McDonald’s binnengaan.
13.5
uur: G153 ziet dat [medeverdachte 1] in de McDonald’s contact heeft met twee onbekend gebleven mannen, NN1 en NN2.
13.55
uur: G137 ziet dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , NN1 en NN2 de McDonald’s uit lopen in de richting van het parkeerterrein
G123 ziet de [verdachte] , [medeverdachte 1] en NN1 in de Nissan stappen. G137 ziet dat NN2 in een zwarte Alfa Romeo, voorzien van [kenteken 2] , stapt.
13.59
uur: G152 ziet dat de Nissan een parkeergarage aan [c-straat] binnen rijdt.
14
uur: G124 ziet dat de Nissan naast een Volkswagen Jetta grijs van kleur, voorzien van [kenteken 3] , parkeert. G124 ziet dat NN1 uit de Nissan stapt en een tas met hengsels uit de Volkswagen Jetta pakt. G124 ziet dat NN1 deze tas aan de bestuurszijde van de Nissan de auto inlaadt.
14.01
uur: G124 ziet dat de Nissan met [verdachte] en [medeverdachte 1] de parkeergarage uit rijdt in de richting van de rijksweg A15.
15.08
uur: G154 ziet dat de Nissan stopt voor het portiek van een flat aan de [a-straat] te [plaats] . G154 ziet dat [verdachte] en [medeverdachte 1] worden aangehouden.
51. Een proces-verbaal van 16 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pag. 068 e.v. zaaksdossier € 230.000).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Door mij werd een voertuig doorzocht. Het voertuig betrof een Nissan Almera voorzien van [kenteken 1] . In het voertuig werden onder andere de volgende goederen aangetroffen:
Achter bijrijdersstoel: een shopperbag van de supermarktketen Dirk met als inhoud een tweede shopperbag van Dirk met daarin € 230.000,-
52. Een proces-verbaal van 15 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pag. 069 e.v. zaaksdossier € 230.000).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Wij zagen dat het hier ging om 24 bundels met geld, die wij vervolgens geteld hebben. Het totaalbedrag bleek € 230.000,-. In de genoemde Nissan werd een zwart tasje aangetroffen van het merk Armani. In het tasje zat een portemonnee met allerlei pasjes op naam van [verdachte] .”
3.4
Het bestreden arrest houdt verder nog het volgende in:

c. Feit 2 (zaaksdossier ‘Phone en Tone’)
Feitelijke vaststellingen 12 juni 2014
Uit observaties van de politie blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 12 juni 2014 contact met elkaar hebben. Zij arriveren rond 13:54 uur in een auto (Nissan, [kenteken 1] ) bij de verblijfplaats van [medeverdachte 1] , te weten de [a-straat 1] te [plaats] . Ze gaan naar binnen.
Enkele minuten later, om 14:08 uur, komt [verdachte] de flat weer uitlopen. Hij draagt een grijze plastic tas van de winkel Gall & Gall. Hij stapt in de Nissan met het [kenteken 1] en rijdt naar de belwinkel Phone en Tone aan de [d-straat 1] te [plaats] . Om 14:38 uur loopt hij bij de Nissan vandaan met in zijn rechterhand een Gall & Gall plastic tasje. Hij gaat de winkel in en komt vrijwel direct weer naar buiten zonder het tasje. Hij rijdt vervolgens weg.
Om 14:40 uur is de politie binnengetreden in de belwinkel. In de ruimte achter de winkel is op een bed een plastic tas van Gall & Gall aangetroffen met daarin en daarnaast een bedrag van in totaal 89.230 euro.
De eigenaar van de belwinkel, [betrokkene 2] , heeft verklaard dat hij vlak voor het binnentreden door de politie van een man een plastic tas heeft aangenomen waarin dit geld zat. Het ging om een bedrag van ongeveer 89.000 euro. In een afgeluisterd telefoongesprek van 13 juni 2014 zegt [verdachte] tot twee keer toe dat hij gisteren negenentachtig en tweehonderddertig heeft betaald. Het hof leidt daaruit af dat hij op de hoogte was van de inhoud van de plastic tas.
Nauwe en bewuste samenwerking [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
[verdachte] heeft ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de Gall & Gall tas naar de belwinkel bracht op verzoek van [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft verder verklaard dat hij een serienummer had ontvangen, maar dat hij naderhand terug naar de winkel moest. Hij moest contact zoeken met de eigenaar van de belwinkel omdat er iets niet goed gegaan was; [pingnaam 2 medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) had gezegd dat het papier niet goed was en dat er nog iets bij moest.
Het voorgaande correspondeert met de voor het bewijs gebezigde pinggesprekken:
Direct nadat [verdachte] op 12 juni 2014 de winkel heeft verlaten heeft hij (onder de naam ‘ [pingnaam verdachte] ’) een ping conversatie met [medeverdachte 1] (onder de naam ‘ [pingnaam 1 medeverdachte] ’). Hij vertelt hem dat hij in 30 of 40 minuten bij hem is.
Kort hierna, om 14:52 uur, heeft [medeverdachte 1] een ping conversatie met NN73. [medeverdachte 1] zegt: ‘Jongen, de geldverzending is klaar, we hebben al 89.230 afgegeven, het nummer van de transactie is 60094403834’.
Hierna volgen meer gesprekken over het serienummer.
Om 15:31 vraagt [medeverdachte 1] via Ping aan [verdachte] : ‘Jongen, heeft [betrokkene 3] jou niet het biljet met het serienummer gegeven?’
[verdachte] antwoordt: ‘Ja, genoteerd. Op een papier’.
NN73 zegt om 15:33 uur tegen [medeverdachte 1] : ‘Als er geen serienummer is, dan wordt er niet geleverd, en onze kwitantie dat zijn het biljet en de foto. Dus ook al duurt het wat langer, laten we het goed doen’.
[medeverdachte 1] zegt vervolgens tegen NN73: ‘Hij zegt dat hij een papier met het nummer heeft gegeven. Ik stuur hem daarnaartoe, het is een belwinkel’.
NN73 maant [medeverdachte 1] nog eens: ‘Zonder foto en serienummer krijgen wij niets, dus de volgende keer alles met biljet en foto’.
[verdachte] belt om 16:30 uur, met [betrokkene 2] , en zegt dan: ‘Dag vriend, ik moet de brief hebben met serienummer niet op papier geschreven ik kom straks langs’.
Uit de omstandigheid dat [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 1] het geld heeft weggebracht en uit voornoemde pinggesprekken, leidt de rechtbank [bedoeld zal zijn: het hof,
PHvK] af dat ook [medeverdachte 1] betrokken was bij en wetenschap had van deze geldtransactie. Hij communiceert immers na die transactie met [verdachte] , die van hem instructies krijgt om alsnog het eurobiljet met het serienummer te verkrijgen. [medeverdachte 1] heeft ondertussen ook contact met NN73, die hem zegt: ‘Als er geen serienummer is dan wordt er niet geleverd en onze kwitantie dat zijn het biljet en de foto’. Verder pingt [medeverdachte 1] het exacte bedrag aan NN73.
Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Gelet hierop concludeert het hof dat [verdachte] en [medeverdachte 1] het geldbedrag als medeplegers voorhanden hebben gehad en overgedragen.
[…]
Witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden
rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
(Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
[…]
d. Feit 3 (zaaksdossier ‘230.000 euro’)
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 15 juni 2014 met de auto, een Nissan, naar een McDonald’s in [plaats] rijden en daar de auto parkeren. Ze stappen uit en gaan de McDonald’s binnen. [medeverdachte 1] heeft in de McDonald’s contact met twee personen. [verdachte] , [medeverdachte 1] en de twee personen lopen uit de McDonald’s in de richting van het parkeerterrein. [verdachte] , [medeverdachte 1] en één van de twee personen stappen in de Nissan. De andere persoon stapt in een Alfa Romeo. Vervolgens rijdt de Nissan een parkeergarage aan [c-straat] binnen. De Nissan parkeert naast een Volkswagen Jetta. De persoon die met [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de McDonald’s in de Nissan was gestapt, stapt uit en pakt een tas met hengsels uit de Volkswagen Jetta. Hij laadt deze tas aan de bestuurderszijde van de Nissan de auto in. Daarna rijdt de Nissan met [verdachte] en [medeverdachte 1] de parkeergarage uit. De Nissan stopt voor het portiek van een flat aan de [a-straat] te [plaats] . [verdachte] en [medeverdachte 1] worden vervolgens aangehouden.
De politie treft in de Nissan achter de bijrijdersstoel een shopperbag van de supermarktketen Dirk aan, met als inhoud een tweede shopperbag van Dirk met daarin € 230.000,-. Uit deze bevindingen, bezien in samenhang met de observaties en de verklaring van [verdachte] , volgt dat deze tas met € 230.000,- door de persoon die met [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de McDonald’s in de Nissan was gestapt - in de parkeergarage in de Nissan is gezet.
Vermoeden van witwassen
Voor het beoordelingskader voor witwassen verwijst het hof naar hetgeen hierover bij het zaaksdossier Phone & Tone is overwogen. Met betrekking tot het vermoeden van witwassen stelt het hof voorop dat het hier gaat om een zeer groot contant geldbedrag dat, na een ontmoeting bij de McDonald’s tussen verschillende personen, in een parkeergarage in een plastic tas vanuit de ene auto naar de andere auto wordt overgedragen.
Voorts is van belang dat [medeverdachte 1] op 14 juni 2014 om 18.02 uur, dus kort voorafgaand aan de ontmoeting bij de McDonald’s, wordt gebeld en dat aan hem wordt gevraagd of hij morgen 230 kan halen. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij dat kan. Op 14 juni 2014 om 18.20 uur ontvangt [medeverdachte 1] een sms bericht met de tekst: ‘McDonalds [wijk 2] . Adres: [b-straat 1] . [plaats] . 1.30pm.’ Vervolgens wordt [medeverdachte 1] in dezelfde minuut gebeld door deze persoon. Er wordt voor morgen om 13.30 uur afgesproken. Op 15 juni 2014 om 13.05 uur wordt [medeverdachte 1] nogmaals gebeld en dan zegt de beller dat hij op de plek aan het wachten is. [medeverdachte 1] geeft hierop aan dat hij er met een half uur is. Op 17 juni en 18 juni 2014 krijgt de telefoon van [medeverdachte 1] – die dan al is aangehouden – berichten binnen dat men ‘the code’/‘the reference number' voor de ‘230’ euro nodig heeft.
Gelet op voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is sprake van een vermoeden van witwassen.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat het geld in de tas afkomstig was van de verkoop van een landgoed in Colombia. Deze verklaring heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd en de verklaring is, gelet op de omstandigheden waaronder de overdracht is uitgevoerd en de wijze waarop het geld is aangetroffen, ook hoogst onaannemelijk. Daarmee heeft [medeverdachte 1] geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van het geld.
[verdachte] heeft verklaard dat hij niet wist wat er in de tas zat en heeft dus geen verklaring voor de herkomst van het geld gegeven.
Met betrekking tot de wetenschap van [verdachte] overweegt het hof het volgende.
[verdachte] nam destijds, onder meer met [medeverdachte 1] , deel aan een criminele organisatie
gericht op handel in cocaïne, wat het hof hierna nader zal toelichten. Daarbij was, zo komt uit het dossier naar voren, vaker sprake van het overdragen en vervoeren van grote geldbedragen in plastic tassen. Zo waren [medeverdachte 1] en [verdachte] op 12 juni 2014, drie dagen voor het onderhavige feit, betrokken bij het witwassen van een groot geldbedrag, zoals het hof hiervoor bewezen heeft geacht en nader heeft toegelicht. Ook dit bedrag zat in een plastic tas. Voorts heeft [verdachte] bij de politie verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] dingen moest ophalen, meestal in een plastic boodschappentas, en naar de belwinkel in [wijk 1] moest brengen. Gelet hierop en op de omstandigheid dat ook bij het onderhavige feit blijkens de hiervoor gedane feitelijke vaststellingen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , schuift het hof de verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat dat dit/een groot geldbedrag in de tas zat als ongeloofwaardig terzijde.
Gelet op al het voorgaande kan een legale herkomst van het geld worden uitgesloten en is het medeplegen van witwassen bewezen. Dat het geld zou toebehoren aan (een) ander(en) dan [verdachte] maakt het voorgaande niet anders.”
3.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd aan de hand van zijn aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang, het volgende in:

5 Feit 3 (medeplegen witwassen € 230.000)
11. Wat resteert zijn in wezen drie feiten: het medeplegen van witwassen onder 3 en de criminele organisaties die cumulatief/alternatief onder 5 ten laste zijn gelegd.
12. Ik begin met de bespreking van het witwassen. De rechtbank heeft de feiten goed vastgesteld. Die komen op het volgende neer. [medeverdachte 1] en [verdachte] gaan naar de MacDonalds in [plaats] . Daar spreekt [medeverdachte 1] (en dus niet: [verdachte] ) met de twee heren. Vervolgens rijden [medeverdachte 1] , [verdachte] en een van de twee heren naar een parkeergarage bij [c-straat] . Daar stapt die derde uit, pakt een tas uit een andere auto en legt deze in de auto waarin [medeverdachte 1] en cliënt zitten. In die tas, die achter de passagiersstoel werd geplaatst, bleek later 230.000 euro te zitten.
13. Uit het getuigenverhoor van [medeverdachte 1] van 4 april 2024 blijkt dat cliënt niet wist van het geldbedrag en dat hem ook niets was verteld daarover. Ik verwijs naar p. 12 van het proces-verbaal van het ottz.
14. In veel soortgelijke zaken gaat het uiteindelijk om de vraag naar de herkomst van het geld. Was het nou afkomstig uit enig misdrijf, of niet? Die vraag speelt hier niet. Er is 230.000 euro aangetroffen en ik betoog hier niet dat dit geld ook wel eens een legale herkomst zou hebben kunnen gehad.
15. Het gaat mij om twee punten: (1) had cliënt het geld, al of niet samen met [medeverdachte 1] , voorhanden en (2) wist hij van de criminele herkomst? Het zwaartepunt ligt bij het eerste.
5.1 (
Medeplegen van) voorhanden hebben?
16. Voor het plegen van het voorhanden hebben is vereist dat cliënt zich bewust was van de aanwezigheid van het voorwerp (HR:2014:112), maar ook dat hij daarover feitelijke zeggenschap had (HR:2013:2009). Medeplegen is in de regel nog wat lastiger, omdat dan het voorhanden hebben in nauwe en bewuste samenwerking moet hebben plaatsgevonden.
17. Cliënt had geen feitelijke zeggenschap. Het geld was van [medeverdachte 1] . Hij wist ervan en hij en alleen hij kon erover beschikken. [verdachte] kon dat niet. Dat hij misschien wist (in de zin van: zich bewust was) van de aanwezigheid van de tas, is onvoldoende om aan te nemen
18. Het onder 2 bewezen te verklaren medeplegen van witwassen ondersteunt in mijn ogen deze stelling. Daaruit blijkt immers dat [verdachte] onder [medeverdachte 1] staat en alleen maar iets mag doen als hij daartoe opdracht krijgt. Daaruit volgt dat als iemand anders met iets in de weer is, zoals [medeverdachte 1] hier met de 230.000 euro is, het hem helemaal niet vrijstaat daarover te beschikken, beter gezegd feitelijke zeggenschap uit te oefenen. Ik denk dat als [verdachte]
even aan dat geld had gezeten of er wat van had gepakt, er wat had gezwaaid voor hem.
19. Dat hij wist van de tas, bestrijd ik niet. Dat hij feitelijke zeggenschap had over de tas en inhoud, wel. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van het plegen.
20. Van een nauwe en bewuste samenwerking is evenmin gebleken. Dat volgt uit het voorgaande. [medeverdachte 1] is pleger en [verdachte] niet.
5.2
Wetenschap van de misdadige herkomst
21. Er is een tas achter de passagiersstoel gelegd. Niet zichtbaar was wat er in die tas zat. Uit het getuigenverhoor van [medeverdachte 1] volgt dat hij niet met [verdachte] heeft gedeeld wat erin zat. Misschien moest [verdachte] vermoeden dat het niet koosjer was, dat wil ik de A-G nog wel toegeven. Maar weten kan niet worden bewezen. Ik benadruk dat de tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis Sr en niet op art. 420quater Sr.”
3.6
In aanvulling op punt 20 is door de raadsman ter terechtzitting nog het volgende aangevoerd:
“- op pagina 5 bij paragraaf 20: medeplegen kan dan ook niet bewezen worden verklaard.”
3.7
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte het in de bewezenverklaring genoemde bedrag van € 230.000,- al dan niet als medepleger voorhanden heeft gehad. Volgens de steller van het middel kan uit de gebezigde bewijsvoering volgen dat (i) een tas met daarin het geldbedrag in het voertuig waarin de verdachte zich bevond is neergezet door een derde, waarna de verdachte en [medeverdachte 1] met dat voertuig zijn weggereden en (ii) de verdachte zich bewust was van de tas en dat hij daarvan dus wetenschap had. Uit deze omstandigheden zou echter niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de tas en de inhoud daarvan, laat staan dat dit het geval was in nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij speelt volgens de steller van het middel ook een rol hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman bij pleidooi naar voren is gebracht, te weten dat het enkele gegeven dat de verdachte zich in een voertuig bevond waarin een tas met geld werd neergezet nog niet meebrengt dat de verdachte feitelijke zeggenschap uitoefende of kon uitoefenen over het geld en voorts dat de [medeverdachte 1] in die zin een leidende rol had dat hij degene was die met derden communiceerde over het overdragen van de tas met geld. Verder is bij pleidooi aangevoerd dat de verdachte niets was verteld over het geldbedrag, hetgeen van belang is voor de vraag of het hof in voldoende mate op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft gerespondeerd. Volgens de steller van het middel ziet de bewijsoverweging van het hof op het van misdrijf afkomstig zijn van het geld en de wetenschap van de verdachte van de criminele herkomst van het geld, terwijl het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ziet op het tezamen en in vereniging met een ander voorhanden hebben van het geldbedrag. Op dat standpunt zou het hof in het geheel niet zijn ingegaan en dat standpunt zou ook geen weerlegging vinden in de gebezigde bewijsmiddelen, wat maakt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
3.8
Het onderhavige cassatieberoep richt zich enkel tegen de bewezenverklaring onder 3. Het onder 2 bewezenverklaarde witwassen, bestaande uit het op 12 juni 2014 tezamen met een ander ( [medeverdachte 1] ,
PHvK) voorhanden hebben en overdragen van € 89.230,-, wordt in cassatie niet bestreden. Hetzelfde geldt voor de onder 5 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie (waarvan ook [medeverdachte 1] deel uitmaakt,
PHvK) die tot oogmerk heeft het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne.
3.9
Door de verdediging is blijkens de onder 3.5 weergegeven pleitnota en de onder 3.6 weergegeven aanvulling daarop ter terechtzitting in hoger beroep naar de kern genomen aangevoerd dat de verdachte de € 230.000,- noch als pleger noch als medepleger (met [medeverdachte 1] ,
PHvK) voorhanden heeft gehad. De verdachte zou geen feitelijke zeggenschap over de tas en het geld hebben gehad. Het geld zou toebehoren aan [medeverdachte 1] , die van dit geld afwist en er ook over kon beschikken. De verdachte zou slechts wetenschap (in de zin van: zich bewust zijn) hebben gehad van de aanwezigheid van de tas en niet van de inhoud van de tas. Het onder 2 ten laste gelegde (mede)plegen van witwassen ondersteunt volgens de raadsman de stelling dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap over de tas en het geld kon uitoefenen, nu uit de voor die zaak relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte hiërarchisch onder [medeverdachte 1] staat en alleen maar iets mag doen als hij daartoe opdracht krijgt. Volgens de raadsman kan [medeverdachte 1] als pleger worden aangemerkt en is ten aanzien van de verdachte noch van plegen noch van medeplegen sprake. Daarbij komt dat uit het getuigenverhoor van de [medeverdachte 1] van 4 april 2024 blijkt dat hij niet met de verdachte heeft gedeeld wat er in de tas zat, terwijl gelet op de positie waar de tas zich bevond – achter de passagiersstoel – voor de verdachte niet zichtbaar was wat er in die tas zat.
3.1
Het begrip ‘voorhanden hebben’ in art. 420bis lid 1 Sr heeft dezelfde betekenis als in de helingsbepalingen. Voorhanden hebben strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Ook het gebruiken van een misdrijfgoed valt er onder. Voor ‘voorhanden hebben’ is niet nodig dat men te allen tijde onverwijld over het goed kan beschikken. Het kan ook iets omvatten dat elders is opgeslagen. [2]
Jurisprudentieel kader
3.11
De vereisten voor het plegen en medeplegen van het ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van art. 420bis lid 1 Sr zijn in HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112,
NJ2024/123 m.nt. Jörg opgenomen:
“2.4.1 Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. (Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570.)
2.4.2
Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de hiervoor onder 2.4.1 weergegeven zin. (Vgl. over het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen of munitie, HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938.)”
3.12
In die zaak was de verdachte door het hof onder meer veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 52.810,- en een auto (Mercedes). In cassatie werd het oordeel van het hof dat de verdachte een geldbedrag van € 52.810,- voorhanden heeft gehad betwist. Door het hof was vastgesteld dat:
- in de door de verdachte en haar echtgenoot (medeverdachte) bewoonde woning op drie verschillende plekken – in een la, een kast en een kleine tas in een slaapkamer – in totaal € 52.810,- aan contant geld is gevonden, onder meer in coupures van € 500,-;
- in die woning 1.783 briefjes van € 20,- zijn aangetroffen;
- het “een feit” is dat de handel in verdovende middelen veel geld in kleine coupures oplevert en
- uit een vermogensvergelijking – waarbij onderzoek is gedaan naar de legale inkomsten en de uitgaven van de medeverdachte en de verdachte – naar voren is gekomen dat over de tenlastegelegde periode sprake is van een totaal negatief “netto-privé” verschil van (afgerond) € 173.000,-.
Volgens het hof rechtvaardigden deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, het vermoeden dat het geldbedrag van € 52.810,- uit enig misdrijf afkomstig is. De Hoge Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat onder de hiervoor omschreven omstandigheden van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd over de herkomst van de geldbedragen die zijn aangetroffen in de door de verdachte en haar echtgenoot (medeverdachte) bewoonde woning niet onbegrijpelijk was en dat het hof ook niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat het in dat verband door de verdachte geschetste scenario – dat erop neerkomt dat ongeveer € 7.000,- spaargeld was en dat zij voor het overige niet wist van het geld in haar woning – ongeloofwaardig is, waarbij het hof heeft gelet op de negatieve vermogensvergelijking, het feit dat zij niet nader heeft geconcretiseerd waar het geldbedrag vandaan kwam en de omstandigheid dat het inbeslaggenomen “spaargeld” ook tien biljetten van € 500,- omvatte, terwijl ergens anders in de woning ook biljetten van € 500,- zijn aangetroffen naast zeer forse hoeveelheden biljetten van € 20,-. Volgens de Hoge Raad was gelet hierop en in het licht van de genoemde vooropstelling ’s hofs oordeel dat de verdachte (samen met haar echtgenoot) niet alleen de auto en het geldbedrag van ongeveer € 7.000,-, maar ook de andere in haar woning aangetroffen contante geldbedragen voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr en dat zij wist dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dit impliceert dat in deze zaak – anders dan de steller van het middel daarin betoogde – werd voldaan aan het vereiste dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen. Daarbij merk ik op dat daarbij niet bleek dat daarvoor bijvoorbeeld van belang zou kunnen zijn of de verdachte zeggenschap had over de eventuele aanwending van het geld.
3.13
In HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570 – dat door de Hoge Raad werd aangehaald in het daarnet genoemde arrest van 2024 – ging het om het voorhanden hebben van een drietal voorwerpen: een geldbedrag van € 923.190,-, een Rolex-horloge met een waarde van ongeveer € 23.100,- en een gouden ketting. Het hof had in deze zaak vastgesteld dat:
- op 30 januari 2017 bij een onderzoek in een woning te [plaats] nabij de woning een auto met het Duitse [kenteken 4] werd aangetroffen met daarin een verborgen ruimte, bij dat onderzoek onder meer een persoon genaamd […] werd aangehouden en in die woning een kopie van het legitimatiebewijs van de verdachte werd aangetroffen;
- voornoemde auto op naam stond van [betrokkene 4] , op wiens naam meerdere openstaande boetes bleken te staan, onder meer begaan met een auto met het Duitse [kenteken 5] ;
- op 1 juli 2017 de verdachte werd aangetroffen als bestuurder van de auto met het [kenteken 5] , die hij had gekocht, maar waarvan hij niet de kentekenhouder was;
- de verdachte zonder nader vragen te stellen terstond actie heeft ondernomen om openstaande boetes te voldoen waarvoor de door hem gekochte, maar niet op zijn naam overgeschreven auto stond gesignaleerd;
- in een verborgen ruimte onder deze auto een geldbedrag van € 923.190,-, een horloge van het merk Rolex met een waarde van ongeveer € 23.100,- en een gouden ketting werden aangetroffen en
- voornoemde […] deel uitmaakte van het gezelschap dat, na een telefoontje van de verdachte, verscheen met geld om de op de auto openstaande boetes te betalen.
Volgens de Hoge Raad had het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat onder de hiervoor omschreven omstandigheden van de verdachte een redelijke verklaring mag worden gevergd voor het aantreffen van het geld en de voorwerpen in zijn auto, en dat het in dat verband door de verdachte geschetste scenario – erop neerkomend dat iemand zonder dat de verdachte daarmee bekend was de auto had uitgerust met een bergplaats waarin zich ruim € 900.000,- en enkele waardevolle voorwerpen bevonden – niet geloofwaardig is. Gelet hierop en in het licht van hetgeen ook is opgenomen in de hierboven onder 3.11 geciteerde r.o. 2.4.1, vond de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte wist of moet hebben geweten van wat er zich in zijn auto bevond – in welk oordeel besloten ligt dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze voorwerpen bewust aanwezig en derhalve voorhanden heeft gehad – niet onbegrijpelijk.
3.14
Verder noem ik het onder 3.11 aangehaalde arrest HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938,
NJ2022/316 m.nt. Lindenberg, over de vraag of het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen uit de door het hof gebruikte bewijsvoering kon worden afgeleid. Het hof had vastgesteld dat:
- de verdachte de later als vluchtauto gebruikte Toyota Vitz heeft ingebracht;
- hij op de avond voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit samen met [betrokkene 7] in deze auto naar de woning van [betrokkene 5] is gegaan;
- de verdachte aldaar de kentekenplaten van de auto heeft verwijderd en samen met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] de ruiten van deze auto heeft getint;
- hij toen met [betrokkene 7] heeft besproken dat als de ruiten van een auto getint zijn, niemand kan zien wie de bestuurder en de inzittende van die auto zijn;
- hij de volgende dag als bestuurder van de Toyota Vitz samen met [betrokkene 7] naar de supermarkt [A] is gereden;
- zij niet lang na aankomst telefonisch werden geïnformeerd dat de ‘geldlopers’ naar buiten kwamen;
- [betrokkene 7] bij het zien van deze twee mannen uit de auto is gestapt en naar [betrokkene 8] is gerend en
- de verdachte, nadat [betrokkene 7] de tas van [betrokkene 8] onder bedreiging met een vuurwapen had verkregen en weer in de auto was gestapt, is weggereden.
Volgens de Hoge Raad kon het hof op grond van deze vaststellingen oordelen dat sprake
was van een bewuste en nauwe samenwerking bij het plegen van de overval.
Daarnaast had het hof vastgesteld dat:
- [betrokkene 7] het vuurwapen bij zich had toen de verdachte met [betrokkene 7] naar het parkeerterrein bij de te overvallen supermarkt reed;
- [betrokkene 7] daar uit de auto is gestapt en naar [betrokkene 8] liep terwijl [betrokkene 7] het vuurwapen in de hand had, en
- [betrokkene 7] – nadat hij de tas met geld onder bedreiging van dat vuurwapen [betrokkene 8] afhandig had gemaakt – weer is ingestapt in de auto.
Het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat ook de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen getuigde volgens de Hoge Raad in het licht van de gedane vaststellingen niet van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk, terwijl ook voor het overige het oordeel dat sprake was van medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en niet onbegrijpelijk was. [3] Daarbij merk ik op dat dit – niet onbegrijpelijk – impliceert dat de verdachte tezamen met zijn mededader feitelijke macht over het vuurwapen heeft kunnen uitoefenen, terwijl niet was gebleken dat de verdachte het vuurwapen zelf in handen had gehad.
3.15
Tot slot wijs ik nog op de zaak HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2009,
NJ2014/76 m.nt. Borgers, waarin de verdachte wegens het medeplegen van witwassen van een auto en bijbehorend kentekenbewijs was veroordeeld. Het hof had vastgesteld dat de verdachte, nadat hij van de politie een stopteken had gekregen en toen van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij – de verdachte – bestuurde was gestolen, met deze auto nog 1 à 1,5 minuut is doorgereden. Het oordeel van het hof dat de verdachte over de auto en het zich daarin bevindende kentekenbewijs zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen in de zin van art. 420bis Sr “voorhanden heeft gehad” hield in cassatie stand. Dat het vereiste dat men feitelijke macht moet hebben niet zwaar lijkt te worden ingevuld, illustreert in feite A-G Wortel nu hij juist tot vernietiging concludeerde omdat “het oordeel dat de verdachte door één à anderhalve minuut door te rijden een zodanige zeggenschap over de auto heeft uitgeoefend dat hij het in de zin van art. 420bis Sr ‘voorhanden heeft gehad’” zijns inziens “niet zonder meer begrijpelijk” was, “ook omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zo handelde met het doel zelf aan de politie te ontkomen.”
Terug naar de onderhavige zaak
3.16
In de onderhavige zaak heeft het hof in de onder 3.4 weergegeven bewijsoverweging – na de vaststelling van de feiten die in cassatie niet worden bestreden en overigens ook in hoger beroep niet ter discussie stonden – verwezen naar het beoordelingskader voor witwassen zoals dat bij feit 2 “zaaksdossier Phone & Tone” is weergegeven. Dat beoordelingskader gaat – onder verwijzing naar HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,
NJ2019/298 m.nt. Rozemond (r.o. 2.3.2 en 2.3.3) – over het bewijs van het in art. 420bis lid 1 onder b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”. Het hof gaat vervolgens in op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van het in het beoordelingskader genoemde “vermoeden van witwassen” en beantwoordt die vraag bevestigend. Ook gaat het hof overeenkomstig genoemd beoordelingskader in op de vraag of [medeverdachte 1] en de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld hebben gegeven. Die vraag beantwoordt het hof voor de [medeverdachte 1] ontkennend, terwijl het hof ten aanzien van de verdachte vaststelt dat de verdachte geen verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven omdat hij heeft verklaard dat hij niet wist wat er in de tas zat.
3.17
Het hof wijdt vervolgens overwegingen aan “de wetenschap” van de verdachte. Ik meen anders dan de steller van het middel dat deze geen betrekking hebben op de wetenschap van de verdachte over het “uit misdrijf afkomstig” zijn van het geldbedrag, maar dat die overwegingen een reactie vormen op het door de verdediging – onder 3.9 samengevatte – ingenomen standpunt dat de verdachte het geldbedrag noch als pleger noch als medepleger ‘voorhanden’ heeft gehad, omdat hij niet wist van de inhoud van de tas en feitelijke zeggenschap over de tas en de inhoud van die tas bij hem ontbraken. De betreffende overwegingen worden door het hof immers afgesloten met het oordeel dat op grond van de feitelijke vaststellingen over feit 2 en de omstandigheid dat ook bij het onderhavige feit op grond van de gedane vaststellingen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en de verdachte, de verklaring van de verdachte “dat hij niet wist dat dit/een groot geldbedrag in de tas zat” als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven. In dit oordeel ligt mijns inziens besloten dat het niet anders kan dan dat de verdachte en de medeverdachte de tas met geld bewust aanwezig en derhalve voorhanden hebben gehad. Steun aan deze lezing van voormelde overwegingen van het hof geeft de omstandigheid dat het hof de stappen uit het beoordelingskader voor het bewijs van (de wetenschap van) het van misdrijf afkomstig zijn van het voorwerp daarvoor al had voltooid met de vaststellingen dat de verdachte en de [medeverdachte 1] geen respectievelijk geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld hebben gegeven. Dat het hof in de afsluitende alinea van de bewijsoverweging spreekt over het kunnen worden uitgesloten van “een legale herkomst van het geld” maakt dit niet anders.
3.18
Dan resteert de vraag of uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de tas met geld en of de verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 1] feitelijke macht over de tas met geld heeft kunnen uitoefenen.
3.19
Het hof heeft in de onderhavige zaak vastgesteld dat:
- de verdachte op 15 juni 2014 samen met [medeverdachte 1] met de auto (Nissan) naar een McDonald’s in [plaats] rijdt en de auto daar parkeert;
- zij beiden de McDonald’s binnen gaan en [medeverdachte 1] daar contact heeft met twee personen;
- zij gevieren uit de McDonald’s lopen in de richting van het parkeerterrein;
- de verdachte, [medeverdachte 1] en één van de twee personen in de Nissan stappen en de andere persoon in een Alfa Romeo;
- de Nissan vervolgens een parkeergarage aan [c-straat] binnenrijdt en naast een Volkswagen Jetta parkeert;
- de persoon die bij de verdachte en [medeverdachte 1] in de auto is gestapt vervolgens uitstapt en een tas met hengsels uit de Volkswagen Jetta haalt;
- deze persoon de tas aan de bestuurderszijde van de Nissan inlaadt, waarna de verdachte en [medeverdachte 1] wegrijden;
- de Nissan voor het portiek van een flat aan de [a-straat] te [plaats] stopt en de verdachte en [medeverdachte 1] vervolgens worden aangehouden;
- achter de bijrijdersstoel een shopperbag van supermarktketen Dirk wordt aangetroffen met als inhoud een tweede shopperbag van Dirk met daarin € 230.000,-.
Ook heeft het hof voor het bewijs van de wetenschap van verdachte redengevend geacht dat hij drie dagen eerder, op 12 juni 2014, betrokken was bij het witwassen van een groot geldbedrag dat eveneens in een plastic tas zat. Daarover heeft het hof vastgesteld dat:
- de verdachte op 12 juni 2014 contact met [medeverdachte 1] heeft;
- zij rond 13:54 uur in een Nissan bij de verblijfplaats van [medeverdachte 1] ( [a-straat] 44 te [plaats] ) arriveren en naar binnen gaan;
- de verdachte om 14:08 uur de flat komt uitlopen en een grijze plastic tas van Gall & Gall draagt;
- de verdachte in de Nissan stapt en naar belwinkel Phone & Tone aan de [d-straat 1] in [plaats] rijdt;
- hij om 14:38 uur bij de Nissan vandaan loopt met in zijn rechterhand een Gall & Gall plastic tasje;
- hij de winkel in gaat en vrijwel direct weer naar buiten komt zonder tasje en wegrijdt;
- de politie rond 14:40 uur in een ruimte achter de winkel op een bed een plastic Gall & Gall tasje met daarin en daarnaast een geldbedrag van in totaal € 89.230,- aantreft;
- de eigenaar van de belwinkel verklaart dat hij vlak voor het binnentreden van de politie van een man een plastic tas heeft aangenomen waarin een geldbedrag van ongeveer € 89.000,- zat;
- de verdachte op 13 juni 2014 tot tweemaal toe zegt dat hij gisteren negenentachtig en tweehonderddertig heeft betaald;
- de verdachte heeft verklaard dat hij de Gall & Gall tas op verzoek van [medeverdachte 1] naar de belwinkel bracht.
Verder heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte destijds samen met [medeverdachte 1] deelnam aan een criminele organisatie gericht op handel in cocaïne (feit 5) en dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] dingen moest ophalen en naar de belwinkel in [wijk 1] (ik begrijp: belwinkel Phone en Tone in [plaats] ,
PHvK) moest brengen.
3.2
Het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte en de medeverdachte de tas met € 230.000,- op 15 juni 2014 bewust aanwezig en derhalve voorhanden hebben gehad is in het licht van de onder 3.19 genoemde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd. [4] Daarbij wijs ik in het bijzonder op de verklaring van de verdachte dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] dingen – die meestal in een plastic boodschappentas zaten – moest ophalen en naar de belwinkel in [wijk 1] moest brengen, de verdachte wist dat hij op 12 juni 2014 een plastic tas met daarin € 89.230,- bij belwinkel ‘Phone en Tone’ had afgeleverd, het geld op 15 juni 2014 eveneens in een plastic tas zat, de verdachte ook op die dag op verzoek van [medeverdachte 1] handelde en de verdachte en [medeverdachte 1] op 15 juni 2014 allebei in de auto zaten – waarbij aannemelijk is dat de verdachte ook op dat moment als bestuurder optrad – toen de plastic tas met geld achter de bijrijdersstoel werd geplaatst. Uit de vaststellingen van het hof blijkt bovendien dat de verdachte en [medeverdachte 1] gedurende de gehele uitvoering van het feit samen zijn opgetrokken.
3.21
Verder wijs ik nog op de overweging van het hof dat de omstandigheid dat het geld zou toebehoren aan (een) ander(en) dan de verdachte het voorgaande niet anders maakt. Die overweging is in het licht van de aangehaalde jurisprudentie evenmin onbegrijpelijk en vormt ook een toereikende weerlegging van het standpunt van de verdediging dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap over het geld kon uitoefenen – in de zin dat hij niet aan het geld zou mogen zitten of er iets van zou mogen pakken – omdat het geld van [medeverdachte 1] was. Daarbij merk ik ten overvloede op dat het ook niet voor de hand ligt dat in het geval dat een ander vraagt om een aan hem toebehorend voorwerp gezamenlijk te vervoeren de vervoerder zelf geen handelingen met betrekking tot dat voorwerp zou mogen verrichten, bijvoorbeeld in het geval van een noodsituatie waardoor degene aan wie het voorwerp toebehoort niet langer (ook) zelf feitelijke macht over het voorwerp zou kunnen uitoefenen. Verder is van belang dat ook wanneer de verdachte – bijvoorbeeld omdat hij onder [medeverdachte 1] zou staan – geen zeggenschap over de eventuele bestemming van het geld heeft gehad, dat er als zodanig niet aan in de weg staat dat hij in een bewuste en nauwe samenwerking feitelijke macht over de tas met geld heeft gehad en deze voorhanden heeft gehad (vgl. het hiervoor uiteengezette jurisprudentieel kader, in het bijzonder onder 3.12 en 3.14). Ook wanneer sprake is van een hiërarchie tussen de bij een strafbaar feit betrokken personen, betekent dit op zichzelf niet dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen.
3.22
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de samenhangende zaak met het nummer 24/02535 is het cassatieberoep op 10 januari 2025 ingetrokken.
2.J.W. Fokkens in:
3.Vgl. voor het plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen a.b.i. art. 26 lid 1 WWM Pro bijv. HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1727,
4.Vgl. bijv. A-G Paridaens, conclusie voor HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1779 (81 RO), randnr. 3.8.