ECLI:NL:PHR:2026:218

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
23/04977
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 567 Sv
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met gebroken glas tijdens caféruzie

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag met een kapot glas tijdens een vechtpartij in een café. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van het slachtoffer, medische rapporten, camerabeelden en de verklaring van de verdachte zelf.

De bewijsmiddelen toonden aan dat de verdachte een bierglas kapot sloeg en met het kapotte glas in zijn hand een opwaartse beweging maakte richting het slachtoffer, die daardoor een ernstige verwonding aan zijn nek opliep. Het hof concludeerde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het glas letsel zou veroorzaken aan een vitale plek.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het letsel ook door een ander kon zijn veroorzaakt, en dat de verdachte geen opzet had. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde het oordeel van het hof. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, waardoor de straf verminderd moet worden. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en wees het cassatieberoep verder af.

Uitkomst: Veroordeling voor poging tot doodslag met vermindering van straf wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04977
Zitting7 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 6 december 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000625-23), [1] na vrijspraak van het tenlastegelegde in eerste aanleg, wegens primair "poging tot doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde poging tot doodslag niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof weer.
De relevante stukken
2.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte primair bewezenverklaard dat:
“hij op 4 september 2022 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
- een glas stuk heeft geslagen en
- vervolgens met één kapot glas in de hand, met gestrekte arm, in de richting van de vechtpartij is gelopen en met zijn arm een beweging omhoog heeft gemaakt, waardoor [aangever] met dit kapotte glas in zijn hals is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 7 september 2022,dossierpagina’s 142-144, voor zover inhoudende de verklaring van [aangever] :
Pleegdatum/tijd: tussen 4 september 2022 om 01:24 uur en om 01:55 uur.
Op 3 september 2022 was ik rond 20:15 uur naar café [A] gegaan op de [a-straat] in [plaats] . Later in de avond, tussen 23:00 uur en 24:00 uur, kwam er een groep binnen met mannen die ik niet kende. Op een gegeven moment ontstond er wat gerommel tussen de vaste groep die aan de bar zaten en de onbekende groep. Ik stond op dat moment muziek te draaien. Ik hoorde geschreeuw en geduw. Ik zag dat [betrokkene 1] , de portier, bezig was met mensen naar buiten te duwen. Ik ging bij de deur staan en wilde de groep die binnen stond binnen houden en de groep die naar buiten was geduwd wilde ik buiten houden. Op een gegeven moment voelde ik dat er meer mensen begonnen te duwen. Ik zag dat [betrokkene 1] tegen een ijzeren tafel viel. Dit is een flinke tafel en deze viel mee op de grond. Ik wilde naar [betrokkene 1] gaan om hem te helpen. Op datzelfde moment voelde ik iets scherps in mijn nek, alsof ik gestoken werd met een mes. Ik voelde in mijn nek en ik zag allemaal bloed op mijn hand. Ik kon mijn vinger in de wond steken. De politie kwam erbij. Ik ben naar het ziekenhuis gebracht. Ik ben direct in de nacht geopereerd. Ze zagen dat er een stuk glas in de wond zat. De dokter heeft aangegeven dat ik mazzel heb gehad. Ik hoorde later dat ik 1,5 liter bloed heb verloren. Ik hoorde van [betrokkene 1] dat het incident gelukkig op de camerabeelden staat. Ik heb nog heel veel pijn in mijn nek, ik kan mijn nek niet goed draaien.
2. Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring betreffende [aangever] d.d. 12 oktober 2022,dossierpagina’s 148-149, voor zover inhoudende:
Uitwendig waargenomen letsel: grote snee in nek.
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 04-09-2022.
Operatie verricht met extractie van diverse glasscherven (Heineken bierglas afkomstig).
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2022 met fotobijlage, dossierpagina’s 111-116, voor zover inhoudende het relaas van [verbalisant] :
Op 4 september 2022, omstreeks 01:26 uur, hoorde ik via het operationeel centrum dat er een steekpartij was op de [a-straat] in [plaats] . Ik hoorde dat het [aangever] zou zijn.
Omstreeks 02:30 uur waren wij ter plaatse bij het [B] ziekenhuis in [plaats] . Wij werden naar de operatiekamer gebracht waar het slachtoffer werd klaargemaakt voor de operatie. De arts heeft het gaas uit de wond in de nek van het slachtoffer gehaald. Ik zag dat er een groot gapend gat zichtbaar werd in de nek van het slachtoffer van ongeveer 7 centimeter lang en 5 centimeter diep. Ik zag dat de arts drie stukken glas uit de wond van het slachtoffer haalde. Ik zag dat op één van de stukken glas een deel van het logo ‘Heineken’ stond. Nadat de stukken glas uit de wond verwijderd waren is de wond gehecht. Ik hoorde dat de operatie assistente zei dat er niets vitaals was geraakt bij het slachtoffer, maar dat het slachtoffer erg veel geluk gehad had. Als de steekwond een stukje lager had gezeten was zijn slagader geraakt en had hij het vermoedelijk niet overleefd.
4. Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [plaats] , d.d. 16 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het klopt dat ik die avond in het café [A] was. Ik had behoorlijk wat gedronken.
5. Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik weet dat ik een glas kapot heb geslagen en dat ik daarmee heb gelopen. Ik herken mijzelf op de camerabeelden van café [A] .
6. Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van Pro het Wetboek van Strafvordering, bevattende camerabeelden van café [A] te [plaats] met bestandsnaam [verdachte] […] , datumstempel 04-09-2022, beginnend bij tijdstip 01:23:00:
Op de opname van beeld is te zien dat de verdachte een glas op een tafel laat tikken, waarna het glas uit zijn handen valt. De verdachte bukt. Te zien is dat er mensen aan elkaar trekken en duwen. De verdachte loopt om de groep mensen heen en gaat aan een andere tafel staan. De verdachte pakt een beker en zet deze terug. De verdachte pakt een glas dat lijkt op een bierglas en slaat deze kapot tegen de tafelrand. De verdachte heeft het kapotte glas in zijn rechter hand en loopt daarmee van de tafel weg richting de groep mensen. Hij houdt het glas voor zich. Te zien is dat er meer beweging komt in de groep trekkende en duwende mensen en dat er iemand valt. Ook is te zien dat een tafel omver wordt geduwd. De verdachte loopt verder in de richting van de groep en houdt het kapotte glas voor zich. De verdachte staat vlak naast een manspersoon in een wit T-shirt (het hof begrijpt: [aangever] ). De rechter hand van de verdachte met daarin het kapotte glas gaat vervolgens omhoog. De manspersoon in het witte T-shirt wordt in de richting van de verdachte geduwd. De gezichten van de verdachte en de man met het witte T-shirt bevinden zich dan bovenin, net buiten beeld. Er zijn bewegingen te zien. De man met het witte T-Shirt wendt vervolgens zijn hoofd af van de verdachte en grijpt in de richting van zijn eigen hoofd. De verdachte heeft daarna in zijn rechter hand niet meer het kapotte glas vast. De verdachte grijpt de man met het witte T-shirt aan de achterzijde van zijn witte T-shirt. De manspersoon met het witte T-shirt grijpt naar zijn nek/hals, beweegt vervolgens zijn hand naar beneden en lijkt ernaar te kijken. Dan grijpt hij met dezelfde hand weer naar zijn nek/hals. De verdachte en de man verdwijnen dan links uit beeld.”
2.4
Het hof heeft de bewezenverklaring verder als volgt gemotiveerd:
“De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er geen wettig en met name geen overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De camerabeelden van de gebeurtenis zijn te chaotisch en daarop is niet het moment te zien waarop er fysiek contact zou zijn geweest tussen de verdachte en [aangever] , waardoor de mogelijkheid dat het letsel door een ander is ontstaan niet kan worden uitgesloten. Niet is op de camerabeelden te zien dat het kapotte glas dat de verdachte in zijn hand had contact heeft gemaakt met de nek van [aangever] .
De verdachte zat daarnaast niet onder het bloed, wat wel zou worden verwacht wanneer hij het slachtoffer had gestoken. Omstanders zaten immers wel onder het bloed. Op de camerabeelden is wel te zien dat de verdachte de enige persoon is die zich om het slachtoffer heeft bekommerd. Die uiterlijke verschijningsvorm verhoudt zich niet goed met het tenlastegelegde.
Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer dan wel op een zware mishandeling van het slachtoffer.
Indien het hof wel tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman bepleit dat het handelen van de verdachte niet als een poging tot doodslag of zware mishandeling valt te kwalificeren, maar hooguit als een poging tot zware mishandeling.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte in de nacht van 3 op 4 september 2022 aanwezig was in café [A] in [plaats] . [aangever] was die avond in het café muziek aan het draaien. In het café ontstond een ruzie, waardoor de portier mensen naar buiten bewoog. [aangever] probeerde de portier daarbij te helpen. Net buiten het café was een menigte van mensen elkaar aan het duwen en trekken. De verdachte was daar aanwezig. Hij was onder invloed van alcohol en is naar een tafel gelopen. Hij heeft van die tafel een bierglas gepakt, dit glas kapot geslagen aan de tafelrand en is vervolgens met het kapotte glas in zijn rechter hand voor zich richting de menigte mensen gelopen. De hand van de verdachte met daarin het kapotte glas maakte vervolgens, terwijl de verdachte zich dicht bij aangever bevond, een beweging omhoog.
Het kan - gelet op de overige inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd - niet anders dan dat het kapotte glas in het hand van de verdachte vervolgens in de nek van [aangever] terecht is gekomen, waardoor [aangever] letsel aan zijn nek heeft opgelopen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat stukjes glas afkomstig van een Heineken bierglas in de nek van aangever zijn aangetroffen en een andere oorzaak voor het door dit glas veroorzaakte letsel bij aangever dan het handelen van de verdachte op grond van de beelden is uitgesloten. In het bijzonder is op die beelden niet te zien dat de aangever op een glas valt of dat nog iemand anders glaswerk in zijn hand heeft en de aangever daarmee benadert.
Op de camerabeelden is niet duidelijk waar te nemen of de verdachte met het gebroken glas in de hals van [aangever] heeft gestoken, dan wel dit stuk glas in de hals van [aangever] heeft geduwd of met het stuk glas in de hals van [aangever] heeft gesneden. Van deze tenlastegelegde handelingen zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken. Wel staat vast dat de verdachte door zijn handelen de aangever met het kapotte glas in de nek, zijnde het achterste gedeelte van de hals, heeft geraakt.
De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of de verdachte: met zijn handelen opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het hof overweegt daarover het volgende.
Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte willens en wetens heeft geprobeerd [aangever] te doden.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bij de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang beschouwd - volgt dat de verdachte, terwijl hij onder invloed was van alcohol, een bierglas kapot heeft geslagen tegen een tafelrand en met het kapotte bierglas in zijn hand in de richting van een menigte trekkende en duwende mensen is gelopen. De verdachte had het kapotte bierglas in zijn rechter hand en hield dit voor zich, waarna hij met die hand een opwaartse beweging heeft gemaakt terwijl hij op dat moment vlakbij de aangever stond en daaromheen mensen nog steeds aan het duwen en trekken waren. Door dit handelen was er een aanmerkelijke kans dat iemand van de groep duwende en trekkende mensen (in casu aangever) door de opwaartse beweging met dit kapotte glas zou worden geraakt in zijn hals. Dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt, nu [aangever] met het kapotte glas in zijn nek is geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals slagaders bevinden en dat wanneer deze met een kapot glas worden geraakt, er een aanmerkelijke kans op overlijden is.
Het handelen van de verdachte is naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het gevolg dat hij iemand - in dit geval [aangever] - dodelijk zou verwonden, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte voorafgaand aan de geweldshandeling meerdere glazen heeft gepakt, waarvan hij er twee heeft proberen kapot te slaan; één glas viel op de grond en één beker heeft de verdachte teruggezet. Het derde glas heeft de verdachte daadwerkelijk kapotgeslagen, waarna hij - onder invloed van alcohol - bewust de confrontatie met een menigte duwende en trekkende mensen heeft gezocht met het kapotte glas in zijn hand.
Het hof concludeert dan ook dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had op de dood van [aangever] .
Naar het oordeel van het hof kan op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [aangever] .”
Het juridisch kader
2.5
Volgens vaste rechtspraak moet voor een bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood van een ander – komen vast te staan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. [2] Voor een bewezenverklaring zijn aldus de volgende drie voorwaarden van belang: (i) de ten laste gelegde gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen; (ii) de verdachte was zich ten tijde van de gedraging bewust van de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg (kenniselement) en (iii) de verdachte heeft ten tijde van de gedraging de aanmerkelijke kans aanvaard (wilselement).
2.6
De beantwoording van de vraag of een gedraging de onder (i) genoemde aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Volgens vaste rechtspraak moet het gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. [3] Dit brengt met zich dat de kans in concreto en dus feitelijk wordt beoordeeld. [4] De Hoge Raad verstaat onder ‘aanmerkelijke kans’, een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit gevolg zal intreden. Er wordt naar het oordeel van de Hoge Raad met ‘aanmerkelijke kans’ geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan een geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans. [5]
2.7
Zoals gezegd moet de verdachte ook (ii) wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg. Tot slot kan zonder de (iii) aanvaarding van de aanmerkelijke kans het voorwaardelijk opzet niet worden aangenomen. De aanvaarding heeft daarmee zelfstandige betekenis. Dit heeft te maken met de afbakening tussen de bewuste culpa, waarbij een dergelijke aanvaarding ontbreekt, en het voorwaardelijk opzet. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [6]
2.8
Bij de bespreking van het middel stel ik ten slotte voorop dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, behoudens uitzonderingsgevallen, niet te motiveren. [7]
De bespreking van het middel
2.9
In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat uit de bewijsvoering ten eerste niet blijkt dat [aangever] “het letsel heeft opgelopen door toedoen van” de verdachte. De bewijsmiddelen en de bewijsmotivering van het hof zouden de mogelijkheid openlaten dat het letsel door een ander is veroorzaakt. Ten tweede zou uit de bewijsvoering niet blijken dat de verdachte “dit letsel opzettelijk heeft toegebracht”. De steller van het middel voert daartoe aan dat uit de “bewijsmiddelen en aanvullende bewijsmotiveringen immers slechts [kan] volgen dat [verdachte] op enig moment met een kapot glas heeft rondgelopen en dat [de verdachte] op enig moment het kapotte glas voor zich heeft gehouden, waarna onbekend gebleven derden het slachtoffer in de richting van [de verdachte] hebben geduwd.” Ook zou uit de bewijsmiddelen en aanvullende bewijsmotivering niet kunnen worden afgeleid wat de bedoeling van de verdachte was door het kapotte glas voor zich uit te houden, te weten of hij bij anderen letsel wilde veroorzaken of anderen juist wilde laten stoppen met gewelddadige handelingen.
2.1
Wat dit laatste argument betreft, kan ik kort zijn. Wanneer komt vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van een ander tot gevolg heeft, is het voorwaardelijk opzet op het doden van die ander gegeven, ook als de verdachte daarnaast mogelijk nog een andere bedoeling had met zijn handelen.
2.11
Dat brengt mij bij de andere klachten. Blijkens de bewijsvoering heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld. In de nacht van 3 op 4 september 2022 ontstond er een ruzie in café [A] in [plaats] . De verdachte en het slachtoffer waren in het café aanwezig. De verdachte stond net buiten het café bij een menigte van mensen die aan elkaar aan het duwen en trekken waren en was onder invloed van alcohol. Het hof stelt vast dat de verdachte naar een tafel is gelopen en dat hij daar heeft gepoogd twee bierglazen tegen de tafelrand kapot te slaan. Het derde glas ging uiteindelijk stuk. De verdachte liep vervolgens in de richting van de menigte mensen, terwijl hij dat kapotte glas in zijn rechterhand voor zich hield. Op het moment dat de verdachte dichtbij de aangever stond, maakte hij met de hand waarin hij het kapotte glas hield een opwaartse beweging.
2.12
Op basis van deze vaststellingen komt het hof allereerst tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het kapotte glas in de hand van de verdachte in de nek van het slachtoffer is terechtgekomen, als gevolg waarvan het slachtoffer letsel aan zijn nek heeft bekomen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Temeer omdat, blijkens de bewijsvoering, het hof daarbij in aanmerking heeft genomen dat in de nek van het slachtoffer stukjes glas uit een Heineken bierglas zijn aangetroffen en dat bovendien “een andere oorzaak voor het door dit glas veroorzaakte letsel bij [het slachtoffer] dan het handelen van de verdachte op grond van de beelden is uitgesloten”. Het hof hecht er daarbij in het bijzonder belang aan dat op voornoemde beelden niet is te zien dat het slachtoffer op een glas valt of dat iemand anders het slachtoffer benadert terwijl de verdachte het glaswerk in zijn hand heeft. Voornoemde vaststellingen heeft het hof, wat mij betreft, uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Evenals de vaststelling – die volgt op de vrijspraak van het steken, duwen of snijden met het glas – dat “de verdachte door zijn handelen de aangever met het kapotte glas in de nek, zijnde het achterste gedeelte van de hals, heeft
geraakt.” De stelling dat de bewijsvoering van het hof de mogelijkheid openlaat dat het letsel (in zijn geheel) door een ander is veroorzaakt, is daarmee ook onjuist.
2.13
Uit de bewijsvoering volgt mijns inziens bovendien genoegzaam dat bij de verdachte voorwaardelijk opzet heeft bestaan op de dood van het slachtoffer. Zoals gezegd blijkt daaruit namelijk dat de verdachte onder invloed van alcohol in de richting van een menigte aan elkaar duwende en trekkende mensen is gelopen, terwijl hij in zijn hand voor zich uit houdend een bierglas hield dat hij zelf (bewust) tegen een tafelrand had stukgeslagen. Ook volgt daaruit dat de verdachte, toen hij vlakbij het slachtoffer stond, terwijl “daaromheen mensen nog steeds aan het duwen en trekken waren” met het bierglas in zijn hand een opwaartse beweging maakte. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat er een aanmerkelijke kans is dat iemand van de groep mensen door de opwaartse beweging met het kapotte glas in de hals zou worden geraakt, terwijl het een feit van algemene bekendheid is (waarvan dus mag worden verondersteld dat dat bij de verdachte bekend is) dat in de hals slagaders lopen waardoor er een aanmerkelijke kans is op overlijden wanneer die slagaders met dat glas worden geraakt en dat tot slot het handelen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het gevolg dat hij iemand (en in dit geval het slachtoffer) dodelijk zou verwonden, waardoor het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat uit de beschrijving van de camerabeelden (bewijsmiddel 6) ook blijkt dat het slachtoffer, zoals door de steller van het middel verwoord, door ‘een onbekend gebleven derde’, in de richting van de verdachte is geduwd nadat de verdachte met het glas in de hand een opwaartse beweging maakt, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af.

3.Afronding

3.1
Het middel faalt. Het middel gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro ligt derhalve niet voor de hand. [8]
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 20 december 2023. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden. [9]
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstraf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1563, HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.
3.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, rov. 5.3.2.
4.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
5.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, rov. 5.3.2.
6.HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.
7.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
8.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, rov. 2.5.
9.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2 en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.