Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het hof heeft – niet onbegrijpelijk – overwogen dat, gelet op het materiaal, het gewicht en de omvang van de door de verdachte gebruikte wapenstok, de kans dat een harde bovenhandse klap daarmee op de schedel leidt tot de dood van degene die ermee wordt geslagen, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is. Verder heeft het hof overwogen dat de kans reëel was dat de aangever door het optreden van de collega’s van de verdachte ook met zijn hoofd buiten de auto zou komen en op het hoofd zou worden geraakt.
Het hof heeft geoordeeld dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op ook het raken van het hoofd van de aangever waardoor deze dodelijk verwond zou kunnen raken, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gezien dat zijn collega’s aan de benen van de aangever aan het trekken waren, dat de verdachte het idee had dat hij “aan het hakken” was en dat hij dit naar zijn zeggen deed zodat hij harder kon slaan, omdat de aangever niet reageerde op de eerste slagen. Dat de verdachte handelde in zijn functie van politieambtenaar, maakt dit oordeel over het opzet niet anders.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 november 2023.