Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:237

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/02738
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.2.7 Procesreglement verzoekschriftproceduresArt. 6 EVRMArt. 19 RvArt. 130 RvArt. 187 lid 3 sub c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schending hoor en wederhoor bij wijziging verzoek voorlopig getuigenverhoor

In deze zaak staat centraal of het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door na wijziging van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor geen nadere gelegenheid te bieden aan de wederpartij om te reageren op het gewijzigde verzoek. Tradin Organic Agriculture B.V. had haar verzoek om een voorlopig getuigenverhoor verminderd en gewijzigd, waarbij het aantal getuigen werd teruggebracht van elf naar vier, waarvan drie nieuwe getuigen waren toegevoegd. De wederpartij, voormalig aandeelhouder en werknemer, maakte bezwaar tegen deze wijziging en verzocht om de mogelijkheid om op de nieuwe getuigen te reageren.

De kantonrechter wees het oorspronkelijke verzoek af, maar het hof oordeelde dat de wijziging toelaatbaar was en wees het gewijzigde verzoek toe. De Hoge Raad stelt vast dat de wederpartij zich al schriftelijk heeft uitgelaten over de wijziging en ervoor heeft gekozen niet inhoudelijk te reageren op het gewijzigde verzoek zelf. De Hoge Raad benadrukt dat het beginsel van hoor en wederhoor vereist dat partijen voldoende gelegenheid krijgen zich uit te laten, maar dat een partij ook een eigen verantwoordelijkheid draagt om volledig gebruik te maken van die gelegenheid.

De Hoge Raad concludeert dat het hof geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor heeft begaan door geen extra gelegenheid te bieden voor een nadere reactie, omdat de wederpartij bewust heeft afgezien van een inhoudelijke reactie. Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft geschonden door geen extra reactiemogelijkheid te bieden na wijziging van het verzoek om voorlopig getuigenverhoor.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02738
Zitting6 maart 2026
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[verzoeker]
advocaat: mr. F.J.L. Kaptein
tegen
Tradin Organic Agriculture B.V.
advocaten: mrs. T.E. Booms en B.I. Kraaipoel
Inleiding en samenvatting
1.1 Deze zaak gaat over de vraag of het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door na de wijziging van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor van Tradin Organic Agriculture B.V. (Tradin) geen verdere gelegenheid te bieden aan wederpartij [verzoeker] om een reactie te geven op dit gewijzigde verzoek.
1.2 In eerste aanleg heeft de kantonrechter het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor van Tradin afgewezen. Nadat Tradin van deze beschikking in hoger beroep is gekomen, heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling een suggestie gedaan voor een gewijzigd verzoek. Na de mondelinge behandeling heeft Tradin bij akte haar verzoek verminderd en gewijzigd, in die zin dat de oorspronkelijke elf getuigen zijn teruggebracht tot vier getuigen, van wie één getuige in het oorspronkelijke verzoekschrift reeds was genoemd. Tradin heeft bij akte bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek en verzocht om, zo het hof die toelaatbaar zou achten, in de gelegenheid te worden gesteld om nog te mogen reageren op de drie nieuwe getuigen. In de bestreden beschikking heeft het hof beslist dat de wijziging van het verzoek wordt toegestaan en dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen.
1.3 Het cassatieberoep van [verzoeker] voert in de kern aan dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden doordat hem geen gelegenheid is gegeven om nog te mogen reageren op de drie nieuwe getuigen. M.i. kan het cassatieberoep niet slagen, omdat het de eigen keuze van [verzoeker] is geweest zich in zijn akte slechts uit te laten over de wijziging van het verzoek. Ook aan art. 1.1.2.6 van het Landelijk Procesreglement verzoekschriftprocedures kan [verzoeker] niet het recht op een nadere reactie ontlenen.

2.Feiten

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
2.2
Tradin heeft op 2 april 2019 voor een bedrag van 3 miljoen euro de aandelen in Sanmark B.V. (Sanmark) overgenomen van de (indirect) grootaandeelhouder [verzoeker] .
2.3
Tradin en Sanmark hielden elk een handelsonderneming in de internationale voedingsindustrie, die zich onder meer bezighielden met de handel in oliën.
2.4
Na de overname is [verzoeker] (eerst krachtens opdracht, later op basis van een arbeidsovereenkomst) gedurende 3,5 jaar voor Tradin werkzaam geweest als Business Unit Manager Oils. In zijn arbeidsovereenkomst was een non-concurrentiebeding opgenomen.
2.5
[verzoeker] is op 31 januari 2023 benoemd tot statutair bestuurder van Cefetra Premium Oils B.V. (Cefetra), onderdeel van de Cefetra-groep, een concurrente van Tradin.
2.6
Bij vonnis in kort geding van 13 juni 2023 heeft de kantonrechter te Amsterdam de vorderingen van Tradin, die strekten tot staking van de werkzaamheden van [verzoeker] bij Cefetra, afgewezen.

3.Procesverloop

3.1
Bij verzoekschrift van 3 augustus 2023 heeft Tradin om een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Dit verzoek strekte ertoe elf contactpersonen van (voormalige) klanten van Tradin als getuige te horen over de vraag of, en zo ja, wanneer en op welke wijze zij zijn benaderd door [verzoeker] (in de periode vóór en na zijn overstap van Tradin naar Cefetra) en wat de reden van hun overstap als klant van Tradin naar Cefetra is geweest.
3.2
[verzoeker] heeft bij verweerschrift van 24 november 2023 verweer gevoerd.
3.3
Op 24 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
3.4
Bij beschikking van 5 januari 2024 heeft de kantonrechter het verzoek van Tradin afgewezen. Volgens de kantonrechter heeft Tradin de feiten die zij met betrekking tot overtreding van het concurrentiebeding of onrechtmatige concurrerende activiteiten wil bewijzen onvoldoende concreet omschreven (rov. 4-6). Bovendien maakt Tradin misbruik van bevoegdheid omdat sprake is van onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen en het getuigenverhoor een
fishing expeditionzou worden (rov. 7-8).
3.5
Tradin heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking.
3.6
[verzoeker] heeft verweer gevoerd.
3.7
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2025. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en de zaak verwezen naar de rolzitting van 20 mei 2025 voor het geven van een beschikking. [2] Partijen is de gelegenheid geboden om binnen enkele weken te laten weten of zij een schikking hebben bereikt over welke getuigen zouden moeten worden gehoord.
3.8
Partijen hebben laten weten dat geen schikking is bereikt.
3.9
Vervolgens heeft Tradin op 9 april 2025 een akte genomen, waarbij zij haar verzoek heeft gewijzigd en verminderd, door het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te beperken tot het horen van vier bij naam genoemde personen, die allen in Nederland woonachtig zijn, Slechts één van de vier genoemde personen was ook in het verzoekschrift in eerste aanleg genoemd.
3.1
Bij antwoordakte van 15 april 2025 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakte tegen de wijziging van het verzoek. In de antwoordakte is vermeld dat de vermindering van het verzoek wordt geaccepteerd, maar dat de wijziging van het verzoek (de opgave van drie nieuwe getuigen) in strijd is met de goede procesorde en de tweeconclusieregel. Mocht het hof de wijziging van het verzoek toch toestaan, dan verzoekt [verzoeker] in de gelegenheid te worden gesteld om nog op de drie nieuw genoemde getuigen te mogen reageren.
3.11
In de beschikking van 15 juli 2025 heeft het hof de wijziging van het verzoek door Tradin toelaatbaar geacht. Het hof overweegt dat tijdens de mondelinge behandeling van 2 april 2025 expliciet aan de orde is geweest op welke praktische bezwaren de eventuele toewijzing van het oorspronkelijk verzoek zou kunnen stuiten. Daarbij is de mogelijkheid om het voorlopig getuigenverhoor te beperken tot de in Nederland woonachtige getuigen expliciet aan de orde geweest. Aan partijen is gelegenheid geboden om zich ook na de mondelinge behandeling te beraden over een tussen partijen uit te onderhandelen schikking over de vraag welke getuigen met instemming van beide partijen gehoord zouden kunnen worden. Daarmee staat vast dat door het hof nog geen datum voor beschikking was bepaald en dat het partijen vrijstond zich nadien over het onderwerp van hun na de zitting af te ronden onderhandeling (welke getuigen) nader uit te laten (rov. 4.3).
3.12
Geen van partijen heeft ter zitting tegen dit vervolg bezwaar gemaakt, sterker nog, zij hebben daarmee beide ingestemd. De kwestie rond de vraag welke getuigen gehoord zouden moeten worden is ter zitting uitvoerig aan de orde gekomen en beide partijen hebben zich daarover uitgelaten. Daarmee staat vast dat de wijziging van het verzoek niet ontijdig was. maar eerder het resultaat van het debat ter zitting tussen partijen ten overstaan van het hof. Het hof ziet daarin geen schending van de goede procesorde, noch van de tweeconclusie-leer. Omdat het debat nog niet was afgerond en ook nog geen datum voor uitspraak was bepaald, mocht de advocaat van Tradin zich dan ook bij akte nader uitlaten. Dat de vraagstelling, zoals in het oorspronkelijk verzoekschrift opgenomen, zag op de ondervraging van elf contactpersonen van (voormalige) klanten van Tradin en dat nu andere getuigen zijn voorgedragen, kan niet tot afwijzing van het verzoek leiden. Het brengt immers geen wijziging aan in het in het verzoekschrift gestelde en in het beroepschrift uitgebreider toegelichte feitencomplex, dat ziet op de door Tradin gestelde of althans vermoede gedragingen van [verzoeker] jegens de tien genoemde (voormalig) klanten van Tradin. Er kan redelijkerwijs geen misverstand bij [verzoeker] over bestaan, dat het getuigenverhoor op die vermeende feiten betrekking zal hebben. Het hof ziet ook geen andere zwaarwegende belangen aan de zijde van [verzoeker] die betrekking hebben op de wijziging van het verzoek. De bezwaren van [verzoeker] tegen de wijziging van het verzoek worden daarom verworpen (rov. 4.4).
3.13
Vervolgens heeft het hof het gewijzigde verzoek van Tradin beoordeeld. Het hof stelt voorop dat het verzoek van Tradin in hoger beroep uitsluitend nog betrekking heeft op de door Tradin gestelde onrechtmatige handelingen van [verzoeker] in diens contacten met de (voormalige) klanten van Tradin, en dus niet langer op het non-concurrentiebeding (rov. 4.6). De door Tradin voorgestelde vragen en daarmee het onderzoeksobject sluiten voldoende aan bij de wijze waarop in een procedure beoordeeld zou moeten worden of sprake is geweest van onrechtmatige (werknemers)concurrentie (rov. 4.7). Volgens het hof staat voldoende vast dat Tradin, die – onweersproken – een belangrijk deel van de klanten van de van [verzoeker] gekochte onderneming na diens vertrek bij Tradin is kwijtgeraakt, een rechtmatig en voldoende concreet belang heeft bij nadere feitenvaststelling rond deze gang van zaken, althans waar het de gestelde of vermoede rol van [verzoeker] betreft. Het vermoeden van Tradin dat [verzoeker] deze klanten onrechtmatig van haar heeft ‘afgetroggeld’ leidt niet tot een
fishing expedition. Dat onderzoek heeft voorts geen rechtstreekse betrekking op eventuele commerciële bedrijfsgeheimen van derden, maar ziet vooral op de rol van [verzoeker] zelf (rov. 4.8). Dat betekent dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor in beginsel dient te worden toegewezen, althans voor zover de vragen in het onderzoek, direct of indirect, betrekking hebben op mogelijk onrechtmatige handelingen aan de zijde van [verzoeker] (rov. 4.9).
3.14
Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het gewijzigde verzoek alsnog toe. Het hof beveelt een getuigenverhoor waarin zullen worden gehoord de vier in de akte van Tradin genoemde getuigen, waarbij het onderwerp van het verhoor, direct of indirect, gericht zal zijn op de handelingen van [verzoeker] in zijn contacten met de (contactpersonen van de) in het inleidende verzoekschrift genoemde (voormalige) klanten van Tradin. De zaak is verwezen naar de rol voor het opgeven van verhinderdata.
3.15
Op 8 augustus 2025 heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof, met het voorbehoud om haar procesinleiding aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 april 2025. [verzoeker] heeft zijn procesinleiding op 22 september 2025 aangevuld. [3]
3.16
Bij brief van 8 augustus 2025 heeft [verzoeker] het hof Amsterdam verzocht om verlof voor het instellen van cassatieberoep. [4]
3.17
Tradin heeft op 10 oktober 2025 een verweerschrift in cassatie ingediend.
3.18
Bij bericht van 1 december 2025 heeft [verzoeker] de Hoge Raad laten weten dat het verzoek om verlof tot het instellen van cassatieberoep bij brief van 15 oktober 2025 van het hof niet-ontvankelijk is verklaard voor zover het verzoek is gebaseerd op art. 200 lid 2 Rv Pro (nieuw). Volgens het hof is art. 188 lid 2 Rv Pro (oud) van toepassing en biedt deze laatste bepaling geen mogelijkheid om een cassatieberoep in te stellen tegen een toewijzende beschikking.

4.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1
Het verzoek van Tradin om een voorlopig getuigenverhoor is ingesteld vóór 1 januari 2025. De beschikking van het hof dateert van na 1 januari 2025. Uit de beschikking
Alblasserdam Yachtbuildingvolgt dat in een dergelijk geval art. 188 lid 2 Rv Pro (oud) gedurende de gehele procedure van toepassing blijft op zowel de mogelijkheid van, als de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen. [5]
4.2
Art. 188 lid 2 Rv Pro (oud) – en na de inwerkingtreding van de Wet modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht op 1 januari 2025, art. 200 lid 2 Rv Pro (nieuw) – bevat een rechtsmiddelenverbod voor een toewijzende beschikking op een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. [6]
4.3
Nu het hof het verzoek van Tradin om een voorlopig getuigenverhoor heeft toegewezen, is het cassatieberoep in beginsel niet-ontvankelijk.
4.4
Tradin heeft echter een doorbrekingsgrond aangevoerd, namelijk dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Hiermee wordt het rechtsmiddelenverbod van art. 188 lid 2 Rv Pro (oud) doorbroken. [7]
4.5
Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk.

5.Bespreking van het cassatiemiddel

5.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 4.1-5 van de beschikking. Het bevat één onderdeel dat uiteenvalt in vier subonderdelen. In de kern wordt aangevoerd dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door recht te doen op het gewijzigde verzoek van Tradin, zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten en tegen het gewijzigde verzoek verweer te voeren.
5.2
Bij de bespreking van de klachten dient tot uitgangspunt dat sprake is geweest van een wijziging van het verzoek van Tradin. Op grond van het in deze zaak toepasselijke art. 187 lid 3 sub c Rv Pro (oud) dient het verzoekschrift de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoeker als getuigen wil doen horen te bevatten. Tradin had in haar oorspronkelijke verzoekschrift verzocht om een voorlopig getuigenverhoor voor het horen van elf met name genoemde personen; bij akte van 9 april 2025 heeft zij het verzoek gewijzigd en een voorlopig getuigenverhoor verzocht voor vier bij name genoemde personen, waarvan één overeenkwam met een persoon genoemd in het oorspronkelijke verzoekschrift.
5.3
Zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen (art. 283, eerste volzin, Rv). De regel geldt ook in hoger beroep (art. 362 Rv Pro). Het was Tradin op zichzelf dan ook toegestaan om haar verzoek te wijzigen.
5.4
In het geval van verandering of vermeerdering van het verzoek is art. 130 Rv Pro van overeenkomstige toepassing (art. 283, tweede volzin, Rv). Daaruit volgt dat de verweerder bevoegd is bezwaar te maken tegen een wijziging of vermeerdering van het verzoek, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk (art. 283 jo Pro. art. 130 lid 1 Rv Pro). Op grond hiervan was [verzoeker] bevoegd om bezwaar te maken tegen de wijziging van het verzoek door Tradin wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, en diende het hof daarop zo spoedig mogelijk te beslissen.
5.5
Subonderdeel 1.1voert het volgende aan. [verzoeker] heeft zo spoedig als mogelijk – binnen een week – bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek van Tradin. Daarbij heeft [verzoeker] verzocht in het geval van een afwijzende beslissing op het bezwaar in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid te worden gesteld om nog op het gewijzigde verzoek – de drie nieuwe getuigen – te mogen reageren. Op grond van art. 1.1.2.7 van het toepasselijke procesreglement had het hof eerst op dit bezwaar moeten beslissen alvorens verder te procederen en eindbeschikking te geven op basis van het gewijzigde verzoek. Deze bepaling uit het procesreglement verzekert dat de partij die bezwaar wenst te maken éérst duidelijkheid verkrijgt over dat bezwaar voordat hoeft te worden gereageerd op het verzoek. Hierdoor worden niet alleen onnodige tijd en kosten bespaard, maar wordt bovenal het recht op hoor en wederhoor gewaarborgd in het geval het bezwaar wordt afgewezen en een verandering van het verzoek wordt toegestaan. Bij een afwijzende beslissing op het bezwaar wordt dan immers verder geprocedeerd zodat gedaagde/verweerder alsnog kan reageren op, en verweer voeren tegen, het gewijzigde verzoek. Het hof heeft dit miskend.
5.6
Art 1.1.2.7 van het procesreglement waarnaar in het subonderdeel wordt verwezen luidt als volgt: [8]
1.1.2.7 Verandering of vermeerdering verzoek
Een belanghebbende die zijn verzoek of de gronden daarvan vermeerdert of verandert, vermeldt dit op duidelijk kenbare wijze in de titel van zijn processtuk. Een andere belanghebbende die bezwaar wenst te maken tegen een vermeerdering of verandering van het verzoek of van de grondslag daarvan en op dit bezwaar een beslissing wil verkrijgen alvorens verder te procederen, maakt dit bezwaar zo spoedig mogelijk kenbaar, zo mogelijk door middel van een bericht binnen twee weken na de datum waarop de vermeerdering of de verandering van het verzoek of van de grondslag daarvan is gedaan.
5.7
Anders dan het subonderdeel aanvoert volgt uit deze bepaling niet dat het hof, na beslist te hebben op het bezwaar tegen de verandering of wijziging van een verzoek, de bezwaarmakende partij steeds de gelegenheid zou moeten bieden zich
vervolgensnog inhoudelijk uit te laten over het gewijzigde verzoek. Inderdaad is in de bepaling vermeld dat degene die bezwaar maakt tegen een vermeerdering of verandering van het verzoek en
op dit bezwaar een beslissing wil verkrijgen alvorens verder te procederen,dit bezwaar zo spoedig mogelijk kenbaar moet maken. Die zinsnede veronderstelt echter dat er nog verder geprocedeerd gaat worden, dus dat er nadere proceshandelingen zullen worden verricht en de zaak nog niet voor uitspraak staat. Zo is het denkbaar dat op het moment dat een belanghebbende zijn verzoek vermeerdert of verandert, het verweerschrift nog moet worden ingediend (art. 361 lid 3 Rv Pro) of de mondelinge behandeling nog moet plaatsvinden (art. 361 lid 1 Rv Pro).
5.8
In de voorliggende zaak waren echter alle proceshandelingen reeds verricht. De verzoekschriftprocedure kent immers geen andere proceshandelingen (behoudens rechterlijke toestemming [9] ) dan verzoekschrift, verweerschrift en mondelinge behandeling. [10] Tegen die achtergrond was van
verder procederenals bedoeld in art. 1.1.2.7 van het procesreglement geen sprake. [verzoeker] kon aan die bepaling dan ook geen recht ontlenen om, nadat hij in de gelegenheid was gesteld om zich bij akte uit te laten over het gewijzigde verzoek van Tradin, bij een toewijzende beslissing van het hof opnieuw een akte te kunnen nemen waarin hij zich alsnog inhoudelijk zou kunnen uitlaten over het gewijzigde verzoek.
5.9
Het subonderdeel slaagt niet.
5.1
Subonderdeel 1.2voert aan dat [verzoeker] niet bedacht hoefde te zijn op een beschikking waarin het gewijzigde verzoek werd toegewezen, omdat hij op basis van het procesreglement recht had om eerst een beslissing op het bezwaar te krijgen. Gelet op (i) de regel van art. 1.1.2.7 van het procesreglement dat eerst op het bezwaar wordt beslist alvorens verder te procederen, (ii) het feit dat [verzoeker] in overeenstemming met deze bepaling bezwaar heeft gemaakt, (iii) het feit dat [verzoeker] zijn recht op verweer tegen het gewijzigde verzoek uitdrukkelijk heeft voorbehouden met een beroep op het recht op hoor en wederhoor, en (iv) het beginsel van hoor en wederhoor, mocht [verzoeker] ervan uitgaan en erop vertrouwen dat het hof eerst op het bezwaar zou beslissen (in een rolbeslissing of een tussenbeschikking) en niet direct eindbeschikking zou geven, en mocht [verzoeker] ervan uitgaan dat hij bij een afwijzende beslissing op het bezwaar in de gelegenheid zou worden gesteld te mogen reageren op het toegelaten gewijzigde verzoek.
5.11
Voor zover subonderdeel 1.2 er vanuit gaat (sub i) dat [verzoeker] op grond van art. 1.1.2.7 van het procesreglement ervan mocht uitgaan dat het hof eerst op het bezwaar zou beslissen en hij, bij een afwijzende beslissing op het bezwaar, in de gelegenheid zou worden gesteld schriftelijk te reageren op het gewijzigde verzoek, slaagt het niet. Als gezegd volgt een dergelijke regel niet uit art. 1.1.2.7 van het procesreglement. Dat [verzoeker] in overeenstemming met deze bepaling bezwaar heeft gemaakt (sub ii), maakt dat niet anders.
5.12
Vervolgens is aan de orde of het feit (sub iii) dat [verzoeker] in de akte waarin hij bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van het verzoek heeft verzocht in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid te worden gesteld om nog op de drie nieuwe getuigen te mogen reageren, [11] aanleiding had moeten zijn voor het hof om hem die gelegenheid te bieden, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor (sub iv).
5.13
Op zichzelf staat niet ter discussie dat een wederpartij op grond van het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv Pro) het recht heeft om zich uit te laten over een door een partij gewijzigde eis of gewijzigd verzoek. Dat het feitensubstraat dat aan de gewijzigde eis of het gewijzigde verzoek ten grondslag is gelegd, niet is gewijzigd, doet daarbij niet ter zake. [12] Het beginsel van hoor en wederhoor brengt verder met zich mee dat de wederpartij genoegzaam de gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens haar standpunt te herzien. [13]
5.14
Kenmerkend voor de voorliggende zaak is dat [verzoeker] de gelegenheid hééft gehad om zich uit te laten over het gewijzigde verzoek en om zijn verweer aan te vullen. Hij heeft er echter voor gekozen om zich in zijn antwoordakte te beperken tot het maken van bezwaar tegen het wijzigen van het verzoek. Hij heeft zich niet uitgelaten over het gewijzigde verzoek zelf, maar – in het geval dat het hof de wijziging van het verzoek zou toestaan – verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om daarop te mogen reageren.
5.15
De beschikking van het hof bevat geen expliciete beslissing op dit verzoek van [verzoeker] . Dat zou reden kunnen zijn om aan te nemen dat het hof onvoldoende recht heeft gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, omdat niet expliciet is stilgestaan bij de vraag of [verzoeker] nog in de gelegenheid zou moeten worden gesteld om te reageren op het gewijzigde verzoek.
5.16
M.i. moet echter worden aangenomen dat in de bestreden beschikking besloten ligt dat het hof geen aanleiding heeft gezien om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen om te mogen reageren op het gewijzigde verzoek. Dat ligt voor de hand, nu [verzoeker] de gelegenheid heeft gehad zich schriftelijk uit te laten over het gewijzigde verzoek van Tradin. Hij heeft er zelf voor gekozen om zich in zijn antwoordakte te beperken tot het uiten van bezwaren tegen het wijzigen van het verzoek door Tradin en heeft het daarmee aan zichzelf te wijten dat hij niet inhoudelijk heeft gereageerd op de wijziging van het verzoek. Als een partij zelf nalaat (in volle omvang) gebruik te maken van een geboden gelegenheid om zich uit te laten over een bepaald punt, kan niet gezegd worden dat sprake is van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor als de rechter niet opnieuw de gelegenheid tot uitlating biedt. Op een partij rust een eigen verantwoordelijkheid om zo volledig mogelijk te reageren op een stellingname van de wederpartij. [14]
5.17
In de voorliggende zaak doet zich bovendien ook niet voor dat [verzoeker] redelijkerwijs had mogen verwachten dat hij nog in de gelegenheid zou worden gesteld om een nadere reactie te geven op het gewijzigde verzoek, bijvoorbeeld door uitlatingen van het hof tijdens de mondelinge behandeling, uitlatingen van de rolraadsheer of op grond van de processuele gang van zaken. [15] De enkele omstandigheid dat de rechter geen gevolg geeft aan het verzoek van een partij om zich nader te mogen uitlaten over een bepaald punt levert geen strijd op met het beginsel van hoor en wederhoor. [16]
5.18
Tenslotte is nog op te merken dat de wijziging van het verzoek slechts inhield (afgezien van de vermindering van het aantal getuigen, die door [verzoeker] is geaccepteerd) dat Tradin drie nieuwe personen heeft genoemd om als getuige te worden gehoord. Omdat het in beginsel de vrijheid van een partij is om te kiezen welke getuigen hij wil laten horen, [17] vormt het in het algemeen geen uitgebreid punt van debat welke getuigen een partij precies wil doen horen. De rechter heeft immers geen discretionaire bevoegdheid om te beoordelen of bepaalde personen wel of niet als getuige moeten worden gehoord (behoudens de grenzen van de goede procesorde). [18] Dat in deze zaak door het hof wél uitgebreid aandacht is besteed aan wie als getuigen zouden moeten worden gehoord, heeft te maken met het grote aantal personen dat aanvankelijk was opgevoerd om als getuige te worden gehoord, en de omstandigheid dat een deel daarvan in het buitenland woonde. De voorzitter heeft er om die reden op aangedrongen het aantal getuigen te beperken en alleen personen te horen die in Nederland wonen. [19] Tradin heeft daaraan uiteindelijk gevolg gegeven in haar akte tot vermindering en wijziging van het verzoek.
5.19
Het subonderdeel faalt.
5.2
Volgens
subonderdeel 1.3heeft het hof het recht op hoor en wederhoor zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro en art. 19 Rv Pro geschonden, door [verzoeker] niet in de gelegenheid te stellen om te reageren op het gewijzigde verzoek van Tradin. Onjuist is het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat het gewijzigde verzoek geen wijziging aanbrengt in het door Tradin gestelde feitencomplex dat ten grondslag is gelegd aan het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, en dat er redelijkerwijs geen misverstand bij [verzoeker] over kan bestaan dat het getuigenverhoor op die vermeende feiten betrekking zal hebben. Het was namelijk niet aan het hof maar aan [verzoeker] om zich uit te laten over het gewijzigde verzoek. Het hof had [verzoeker] dan ook de gelegenheid moeten bieden verweer te voeren tegen de nieuwe voorgenomen getuigen en hun rol bij het gestelde feitencomplex.
5.21
Hiervoor is al uiteengezet dat geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de subonderdelen onder 1.1 en 1.2 slaagt het dan ook niet.
5.22
Voor zover het subonderdeel zo moet worden gelezen dat het hof (mede) op grond van zijn overwegingen in rov. 4.4 [verzoeker] geen gelegenheid heeft geboden om alsnog inhoudelijk verweer te voeren tegen het gewijzigde verzoek, slaagt het evenmin. Rov. 4.4 heeft betrekking op de beslissing van het hof dat de wijziging toelaatbaar is en niet op de vraag of [verzoeker] nog in de gelegenheid moet worden gesteld inhoudelijk te reageren op het toelaatbaar geachte gewijzigde verzoek van Tradin. Als gezegd heeft het hof daar niet expliciet op beslist maar ligt een afwijzende beslissing op dat verzoek in de bestreden beschikking besloten.
5.23
Volgens subonderdeel 1.4doen aan de andere subonderdelen niet af de overwegingen van het hof in rov. 4.3 dat tijdens de mondelinge behandeling de mogelijkheid om het voorlopig getuigenverhoor te beperken tot de in Nederland woonachtige getuigen expliciet aan de orde geweest, dat [verzoeker] en [betrokkene 1] als te horen getuigen expliciet zijn genoemd, dat aan partijen de gelegenheid is geboden om zich ook na de mondelinge behandeling te beraden over een tussen partijen uit te onderhandelen schikking over de vraag welke getuigen met instemming van beide partijen gehoord, en in rov. 4.4 dat geen van partijen ter zitting tegen dit vervolg bezwaar heeft gemaakt maar daarmee hebben ingestemd. Voor zover het hof hiermee heeft geoordeeld dat [verzoeker] bij voorbaat met de wijziging van het verzoek heeft ingestemd en daarmee afstand heeft gedaan van zijn recht op een reactie op een te wijzigen/vermeerderen verzoek, is dat oordeel onbegrijpelijk en onjuist.
5.24
Het subonderdeel faalt, omdat er – uitgaande van de (vaststaande) processuele gang van zaken – geen sprake is geweest van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Voor zover het subonderdeel zo moet worden gelezen dat het hof (mede) op grond van overwegingen in rov. 4.3-4.4 geen gelegenheid heeft geboden voor een nadere reactie, berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van de beschikking. Verder mist het subonderdeel feitelijke grondslag waar het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] bij voorbaat met de wijziging van het verzoek heeft ingestemd en daarmee afstand heeft gedaan van zijn recht op een reactie op een te wijzigen/vermeerderen verzoek. De genoemde overwegingen in rov. 4.3 en 4.4 hebben geen betrekking op de vraag of het verzoek van [verzoeker] om in de gelegenheid te worden gesteld zich nog op de drie nieuwe getuigen te mogen reageren, moet worden toegewezen.
5.25
De slotsom is dat alle subonderdelen falen.

6.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie hof Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1821, rov. 2.1-2.3 en de beschikking in eerste aanleg, Rb. Amsterdam (ktr.) 5 januari 2024, zaaknummer 10649108 EA 23-784 (niet gepubliceerd), rov. 1-1.6, waarnaar het hof in de bestreden beschikking verwijst (rov. 2).
2.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 7. Zie idem akte houdende vermindering van verzoek van Tradin, onder 1.1. Overigens is in de bestreden beschikking vermeld (onder 1) dat de zaak is verwezen naar de rolzitting voor uitlating partijen. Verder is in de bestreden beschikking vermeld (zowel in rov. 4.3 als in rov. 4.4) dat tijdens de mondelinge behandeling nog geen datum voor uitspraak was bepaald.
3.Vermeld is dat het proces-verbaal geen aanleiding geeft voor aanvullende klachten. Wel zijn twee vindplaatsen in de procesinleiding aangevuld (voetnoten 6 en 38).
4.Procesinleiding, bijlage 1.
5.HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201 (
6.Art. 200 lid 2 Rv Pro (nieuw) bevat ook een rechtsmiddelenverbod voor een afwijzende beschikking. In tegenstelling tot art. 188 lid 2 Rv Pro (oud) schrijft art. 200 lid 2 Rv Pro verder een kortere rechtsmiddelentermijn voor en staat art. 200 lid 2 Rv Pro (nieuw) toe dat de rechter verlof verleent voor het instellen van een rechtsmiddel.
7.HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718,
8.De vijftiende versie van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven (
9.Zie voor de eerste aanleg
11.In zijn antwoordakte is op dit punt het volgende vermeld (onder 11): “
12.HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2216,
13.HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8720 (
14.Vgl.
15.Zoals bijvoorbeeld aan de orde was in HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0540,
16.HR 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0188 (
18.HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922,
19.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.