Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
In aanmerking nemende:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
aannemelijk maakt.Zoals gezegd, de wetgever heeft dit onder ogen gezien en dat was aanleiding voor de regel van art. 7:299 BW.
niet ernstig kan worden genomen. [25]
aanwijzingafleiden met betrekking tot de werkelijke wil van de verhuurder ten tijde van de opzegging respectievelijk de beëindigingsprocedure, maar meer dan een aanwijzing kan het niet zijn. Als de mogelijkheid open blijft dat de verhuurder ondanks objectieve moeilijkheden met betrekking tot de uitvoerbaarheid van zijn voornemen, het voornemen tot persoonlijk gebruik serieus (ernstig) meende, behoort hij vrijuit te gaan.
onder 1.1de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat het er bij de toepassing van art. 7:299 lid 1 BW om gaat of de wil om het verhuurde persoonlijk duurzaam in gebruik te nemen aanwezig was ten tijde van de uitspraak waarbij de rechter de beëindigingsvordering heeft toegewezen. Voor die opvatting verwijst de klacht naar Rossel, in haar bewerking van Tekst & Commentaar; de schriftelijke toelichting beroept zich op Asser/Rossel & Heisterkamp (zie voor beide hierna 3.26). Verder doet de klacht een beroep op de inhoud van het vermoeden van art. 7:299 lid 2 BW (zie hierna 3.29).
Onder 1.2voegt de steller van het middel nog toe dat aan een en ander niet afdoet dat voor de toewijzing van de beëindigingsvordering uit art. 7:296 lid 1 onder b BW wel ook is vereist dat de wil tot eigen gebruik ten tijde van de opzegging bestond.
ten tijde van de beëindigingsprocedurezou treffen en niet ook het oordeel van het hof met betrekking tot de wil van Lidl
ten tijde van de opzegging. In dat geval zou immers de vraag rijzen of laatstbedoeld oordeel de beslissing van het hof dat Lidl schadeplichtig is, zelfstandig dragen kan. Hierna zal blijken dat mijns inziens geen van de andere klachten van het middel slaagt. Daaruit volgt dat onderdeel 1 geen doel kan treffen, ook niet als de rechtsopvatting waarvan het uitgaat juist zou zijn.
lex specialisvan art. 7:299 BW beperkter is dan volgens de
lex generalisvan art. 6:162 BW, naar ik meen zonder dat daarvoor een overtuigende reden bestaat. Verhuurders als Lidl zijn met zo’n andere opvatting ook niet geholpen, althans niet als rechters die tot de slotsom komen dat alleen op het moment van de opzegging de wil tot eigen gebruik ontbrak en niet ook tijdens de beëindigingsprocedure, doen wat zij zouden moeten doen, namelijk ambtshalve de rechtsgronden aanvullend (art. 25 Rv) op grond van onrechtmatige daad de vordering van de huurder tot schadevergoeding tóch toewijzen. Het vorderen van beëindiging op grond van onder meer een wil tot eigen gebruik ten tijde van de opzegging die in werkelijkheid toen niet bestond, valt immers onder het geval van het instellen van een vordering op basis van feiten en omstandigheden waarvan men de onjuistheid kent (opnieuw hiervoor 3.9).
van de aanvang afin werkelijkheid niet aanwezig is geweest’. De woorden ‘van de aanvang af’ kunnen mijns inziens nauwelijks anders worden opgevat dan als een verwijzing naar het moment van de opzegging. [29]
waaromin het licht van
welkestellingen of vaststaande feiten het oordeel van het hof onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.
Het laten vervaardigen van tekeningen.Dit heeft het hof wel degelijk besproken, zie rechtsoverweging 4.11.
Het aanhangig maken van de beëindigingsprocedure.Of dat aanhangig maken werd ingegeven door een ernstig te nemen wil van Lidl om het verhuurde persoonlijk in gebruik te nemen is onderwerp van de rechtsoverwegingen 4.9-4.13, met een toespitsing op de beëindigingsprocedure als zodanig in de tweede helft van rechtsoverweging 4.13.
Lidl heeft haar supermarkt uitgebreid met de bedrijfsruimte van het voormalig Chinees restaurant Mandarin.Dit betreft niet de voormalige bedrijfsruimte van [de huurders] Mijns inziens is dit geen essentiële stelling; het hof behoefde aan de stelling dus niet afzonderlijk aandacht te besteden.
Lidl heeft het voormalige aan [de huurders] verhuurde in gebruik genomen.Dit ziet, begrijp ik, in ieder geval mede op de bewering van Lidl dat het voormalige verhuurde door haar in mei 2020 in gebruik zou zijn genomen als magazijn- en vergaderruimte (zie procesinleiding in cassatie onder 2.1 sub xxiii). Die stelling heeft Lidl onderbouwd door diverse foto’s over te leggen, zogenaamd van de ruimte die eerder aan [de huurders] was verhuurd. [de huurders] hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betoogd dat niet waar is dat deze foto’s in die ruimte zijn gemaakt. Na aanvankelijke ontkenningen heeft Lidl bij memorie van antwoord alsnog moeten erkennen dat de foto’s inderdaad niet in het verhuurde zijn gemaakt. Zie rechtsoverweging 4.3 van het arrest van het hof. In rechtsoverweging 4.4 heeft het hof de aanvankelijke volharding door Lidl in haar stellingen met betrekking tot het gebruik van de voormalige bedrijfsruimte van [de huurders] aangemerkt als ‘een ernstige schending van de waarheidsplicht’. Tegen rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 richt Lidl geen klachten. In cassatie is dus uitgangspunt dat de bedoelde stellingen onwaar zijn. Bij die stand van zaken spreekt mijns inziens vanzelf waarom het hof in het vervolg van zijn arrest niet nogmaals in behoefde te gaan op de stelling van Lidl dat zij het voormalige aan [de huurders] verhuurde in mei 2020 in gebruik had genomen. Uiteraard mag een rechter stellingen die als onwaarheden zijn ontmaskerd, terzijde laten.
het voormalige aan [de huurders] verhuurde in gebruik heeft genomenook het oog zou hebben op gebruik van het voormalige verhuurde als magazijnruimte
na september 2022(zie procesinleiding in cassatie onder 2.1 sub xxvi), meen ik dat niet onbegrijpelijk is dat dit het hof niet tot een ander oordeel heeft gebracht. Het beweerde gebruik is drie jaar na het beëindigingsvonnis aangevangen en betreft een ander gebruik dan volgens de in de beëindigingsprocedure gepresenteerde tekeningen. De ontwerptekening van 13 december 2017 had betrekking op een uitbreiding van de supermarkt, terwijl de ontwerptekening van 25 januari 2018 zag op het gebruik van het verhuurde als non-foodwinkel. [37] Van deze tekeningen heeft het hof geoordeeld dat die niet het resultaat waren van een ernstig te nemen wil van Lidl van eigen gebruik, omdat Lidl enkele maanden eerder zelf had verklaard vooralsnog geen plan te hebben en ook geen reële mogelijkheden te zien. Welnu, een ander gebruik drie jaar later kan dan
a fortioriniet alsnog tot de conclusie leiden dat Lidl ten tijde van de opzegging en in de beëindigingsprocedure wel een ernstig te nemen wil tot eigen gebruik had. Dit ligt zozeer voor de hand dat een uitdrukkelijke overweging van het hof niet nodig was.
dringendheidvan het voorgenomen eigen gebruik komt in art 7:299 lid 1 BW niet terug en speelt daarom geen rol bij de vraag of de wil tot duurzaam gebruik aanwezig is geweest.
de termijn waarbinnende verhuurder wil overgaan tot eigen gebruik in het verband van art. 7:299 BW niet van betekenis is, is dat mijns inziens onjuist. Dat het anders is, ligt besloten in het bewijsvermoeden van lid 2. Bij zijn oordeel of de wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruikte nemen in werkelijkheid bij Lidl niet aanwezig was, heeft het hof mede betekenis mogen toekennen aan de termijn waarbinnen Lidl eigen gebruik voor ogen stond. Voor zover Lidl bedoelt dat de
uitvoerbaarheidvan een voornemen tot eigen gebruik in het verband van art. 7:299 lid 1 BW niet aanmerking komt, vergist zij zich. Dat een beweerd voornemen niet uitvoerbaar was, kan een aanwijzing opleveren dat dat voornemen niet ernstig te nemen is (hiervoor 3.16). Intussen heeft het hof zich niet alleen gebaseerd op objectieve overwegingen met betrekking tot de uitvoerbaarheid, maar ook op de stellige overtuiging bij de vastgoedmanager van Lidl dat de gemeente nooit toestemming zou geven voor ook maar één vierkante meter extra supermarktruimte (rechtsoverweging 4.12). Onder meer op die grond heeft het hof geoordeeld dat ten tijde van de opzegging en in de beëindigingsprocedure een ernstig te nemen wil bij Lidl tot eigen gebruik niet bestond.
powerplayvan een verhuurder als Lidl staat, maar mijns inziens is ‘geen schoonheidsprijs’ een wel heel milde kwalificatie voor woorden die opzettelijk niet de belangen en de rechtspositie van de huurder respecteerden. Hoe dan ook, ik zie geen grond waarom het hof de daden van Lidl niet heeft kunnen zien als liggend in het verlengde van die kwalijke woorden. Het hof mocht dit mijns inziens vervolgens mee laten wegen bij de beantwoording van de vraag of de wil van Lidl om het verhuurde persoonlijk in gebruik te nemen ernstig was te nemen.