ECLI:NL:PHR:2026:304

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/04832
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 359 lid 3 SvArt. 28 SvArt. 28a SvArt. 28b lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid afstand van rechtsbijstand en bevestiging poging zware mishandeling

In deze zaak stond centraal of de verdachte, ondanks haar psychische problematiek, rechtsgeldig afstand had gedaan van haar recht op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor. De verdediging voerde aan dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim omdat de verdachte niet adequaat was geïnformeerd over haar recht op kosteloze rechtsbijstand en dat zij als kwetsbare verdachte niet in staat was om afstand te doen van dat recht.

Het hof had geoordeeld dat de verdachte weliswaar een autismespectrumstoornis, dysthyme stoornis en sociale angststoornis had, maar dat dit niet leidde tot de bijzondere kwetsbaarheid die vereist is om kosteloze rechtsbijstand toe te wijzen. De verdachte was volgens het hof in staat om de gevolgen van afstand van rechtsbijstand te overzien en had vrijwillig afstand gedaan. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op de noodzaak om de rechtspositie van kwetsbare verdachten zorgvuldig te beoordelen, maar acht het hof niet onbegrijpelijk in zijn conclusie.

Daarnaast werd geklaagd over de bevestiging door het hof van het vonnis van de politierechter, die volstond met een opsomming van bewijsmiddelen omdat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig had bekend. De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit terecht heeft gedaan, ook al bevatte de verklaring nuances, omdat de feitelijke gedragingen die de verdachte heeft bekend, de bewezenverklaring ondersteunen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in zijn geheel en bevestigt het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van de verdachte tot een taakstraf en schadevergoedingsmaatregel in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04832
Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, [1] heeft bij arrest van 17 december 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2024 bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte wegens 1. "poging tot zware mishandeling" en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is beslist op de vordering van de benadeelde partij en is in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader bepaald.
1.2
Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot strafvermindering vanwege vormverzuimen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv Pro.
2.2
Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen (met weglating van de voetnoot):

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – kort samengevat – aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Volgens de verdediging is aan verdachte een onjuiste mededeling gedaan over de kosten voor bijstand van een raadsman bij het politieverhoor, nu verdachte wel een beroep had kunnen doen op gefinancierde verhoorbijstand door een advocaat op basis van de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid van de Raad voor Rechtsbijstand. Verdachte heeft dus op basis van onjuiste c.q. onvolledige informatie afstand gedaan van rechtsbijstand. Voorts stelt de verdediging dat verdachte kennelijk kwetsbaar is en dat niet is gebleken dat zij vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand. Gelet op de ernst van het vormverzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, verzoekt de verdediging het hof hieraan als rechtsgevolg te verbinden dat het vormverzuim wordt gecompenseerd in de eventuele strafmaat.
Het oordeel van het hof
(Betaalde) rechtsbijstand
Artikel 6, derde lid, onder c, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 28 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman. Een verdachte kan op grond van artikel 28a, eerste lid, Sv afstand doen van het recht op rechtsbijstand. Deze afstand moet vrijwillig en ondubbelzinnig worden gedaan door verdachte. Hierbij is van belang dat verdachte ermee bekend is dat hij recht heeft op rechtsbijstand, dat hij wordt ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand en dat hem wordt medegedeeld dat hij van zijn beslissing kan terugkomen.
Waar het gaat om het (eerste) politieverhoor van een aangehouden verdachte, geeft het Wetboek van Strafvordering voor een aantal gevallen aanvullende regels over de aanwijzing van een raadsman en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Dat is onder meer het geval als de aangehouden verdachte vanwege bijvoorbeeld een psychische stoornis of verstandelijke beperking een kwetsbare verdachte betreft, zoals bedoeld in artikel 28b lid 1 Sv. Op grond van artikel 28b lid 1 Sv moet dan een raadsman worden aangewezen. De rechtsbijstand van deze raadsman is op grond van artikel 43 lid 1 Wrb Pro voor de verdachte kosteloos.
Vooralsnog voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in specifieke, op het (eerste) politieverhoor van een niet-aangehouden kwetsbare verdachte toegesneden bepalingen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556, volgt dat dit er echter niet aan af doet dat voor beantwoording van de vraag of een kwetsbare verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand in verband met het (eerste) politieverhoor, van belang kan zijn of verdachte voorafgaand aan het verhoor bijstand heeft gehad van een raadsman, dan wel door een raadsman is voorgelicht over de gevolgen van het doen van afstand. Als daarvan geen sprake is geweest, moet de rechter zich er anderszins van vergewissen dat verdachte – gegeven de concrete beperkingen die samenhangen met de kwetsbaarheid van verdachte – redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over mogelijke gevolgen van het doen van afstand van recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand.
Tijdelijke Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (RATZ)
Verder geldt dat naar aanleiding van de toeslagenaffaire en de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag sinds juli 2021 een tijdelijke regeling in het leven is geroepen die vanwege toegenomen complexiteit in de samenleving burgers ook een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand) toekent wanneer zij tussen wal en schip dreigen te raken. Wanneer het inkomen en of vermogen van de burger binnen de grenzen van de gefinancierde rechtsbijstand vallen, hoeft deze, anders dan in reguliere gevallen waarin iemand voor een toevoeging in aanmerking zou komen, daarnaast geen eigen bijdrage te betalen. De betreffende regeling is ook van toepassing op strafzaken en in die zaken kan een aanvraag rechtstreeks bij de Raad voor de Rechtspraak worden ingediend.
Met het oog op het beantwoorden van de vraag of sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, stelt het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de stukken in het dossier, het volgende vast.
Verdachte is een niet-aangehouden verdachte en is verhoord op 20 juni 2023. Uit het proces-verbaal van het verhoor van verdachte volgt dat is gebleken dat verdachte voorafgaand aan het verhoor kennis heeft genomen van de brochure ‘Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat verdachte voorafgaand aan het verhoor erop is gewezen dat zij recht heeft op consultatiebijstand en dat zij tijdens het verhoor recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat. Hierbij is opgemerkt dat zij daarvan afstand kan doen, maar dat dit nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd kan terugkomen op haar beslissing. Verdachte heeft daarop verklaard dat zij geen gebruik wilde maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat zij dit niet kan betalen. Vervolgens is verdachte verhoord over haar persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat bij haar PDD-NOS, een sociale angststoornis en een depressie is geconstateerd. Verder heeft zij verklaard dat uit de gesprekken met haar psycholoog is gebleken dat zij last heeft van een complexe PTSS. Daarna heeft een zaakinhoudelijk verhoor plaatsgevonden.
Het hof overweegt als volgt.
Vormverzuim?
Het hof constateert dat verdachte voorafgaand aan haar verhoor door de politie is gewezen op haar recht op consultatie- en verhoorbijstand. Daarbij heeft de politie meegedeeld dat verdachte tijdens het verhoor recht heeft op een zelf te betalen advocaat.
In beginsel heeft een verdachte die niet is aangehouden recht op bijstand van een door hem of haarzelf te betalen advocaat, tenzij sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid waardoor verdachte redelijkerwijs niet in staat is te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand.
Van die bijzondere kwetsbaarheid is bij verdachte ten tijde van het verhoor en ook daarna niet gebleken. Alhoewel het hof vaststelt dat verdachte is gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis en daarnaast een sociale stoornis en in zoverre zou kunnen kampen met een zekere kwetsbaarheid, is het hof ook van oordeel dat daarmee geen sprake is van de bedoelde “bijzondere kwetsbaarheid” op basis waarvan zij in aanmerking zou komen voor toewijzing van kosteloze rechtsbijstand. Het gaat dan om gevallen waarin een verdachte niet in staat is te begrijpen welke vragen in een verhoorsituatie worden voorgelegd. Mede op basis van de wijze waarop het verhoor is verlopen, de beantwoording van de vragen door verdachte tijdens de verhoorsituatie en de indruk van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat daarvan geenszins sprake is.
De raadsvrouw heeft in dit verband ook een beroep gedaan op de ‘Tijdelijke Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid’. In dat kader overweegt het hof als volgt. Voor zover de voornoemde regeling al van toepassing is op bijstand tijdens het eerste politieverhoor, begrijpt het hof de regeling zo dat van gefinancierde rechtsbijstand sprake kan zijn – kort gezegd – in gevallen waarin sprake is van complexe juridische vraagstukken die gespecialiseerde rechtshulp vereisen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De politie heeft verdachte in dit geval dus niet onjuist voorgelicht. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en dat het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
2.3
Het middel keert zich, zoals al aangegeven, tegen de verwerping van het verweer strekkende tot strafvermindering vanwege vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv.
2.4
Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het heeft miskend dat een uitspraak van de Raad van State van 11 oktober 2023 meebrengt dat de verdachte ingevolge het haar toekomende recht op rechtsbijstand en in het licht van het feit dat zij werd gehoord als verdachte van een misdrijf waarop voorlopige hechtenis was toegelaten, geacht moet worden recht te hebben (gehad) op kosteloze [2] rechtsbijstand.
2.5
Bij genoemde uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep geoordeeld over een afwijzing door de Raad voor Rechtsbijstand van een verzoek om gefinancierde rechtsbijstand voor rechtsbijstand tijdens een verhoor van een niet-aangehouden verdachte. [3] De Afdeling constateert dat ook de niet-aangehouden verdachte inmiddels recht op rechtsbijstand heeft voorafgaand- of tijdens het verhoor, doch dat aan de Richtlijn 2013/48/EU noch aan de implementatie daarvan een recht op
gesubsidieerderechtsbijstand kan worden ontleend. [4] Uit de uitspraak kan wel volgen dat het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand, inhoudende dat ‘in geen geval’ recht op gesubsidieerde rechtsbijstand bestaat voor de niet-aangehouden verdachte die is uitgenodigd om voor een verhoor te verschijnen op het politiebureau, zich niet goed verhoudt met het discretionaire karakter van de in art. 44 lid 1 Wet Pro op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) neergelegde bevoegdheid en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid van de Raad voor Rechtsbijstand. Daarop volgde het oordeel van de Afdeling dat de afwijzing van de toevoegingsaanvraag door de (niet-aangehouden) verdachte niet kon worden gemotiveerd door ‘slechts’ te verwijzen naar art. 12 lid Pro 2, aanhef en onder g Wrb en het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand.
2.6
Uit voormelde uitspraak kan aldus niet worden afgeleid dat de niet-aangehouden verdachte die wordt gehoord als verdachte van een misdrijf waarop voorlopige hechtenis is toegelaten zonder meer recht heeft op
kostelozerechtsbijstand. Het bestaan van de ‘mogelijkheid’ voor de verdachte om een lichte adviestoevoeging te (doen) aanvragen, laat onverlet dat de bijstand die de niet-aangehouden verdachte wenste te krijgen voorafgaand of tijdens het verhoor
in beginselvoor eigen rekening kwam, omdat de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (RATZ) er niet automatisch toe leidt dat de verdachte voorzien wordt van gesubsidieerde rechtsbijstand. Om in aanmerking te komen voor een verstrekking van een lichte adviestoevoeging (LAT) op basis van voornoemde regeling, moet immers een aanvraag worden gedaan bij de Raad voor Rechtsbijstand, op welke aanvraag de Raad vervolgens een beslissing dient te nemen. Daarmee faalt de eerste klacht.
2.7
Het middel klaagt verder dat het oordeel van het hof dat van een ‘bijzondere’ kwetsbaarheid moet zijn gebleken en het daarbij gaat om gevallen waarin een verdachte niet in staat is te begrijpen welke vragen in een verhoorsituatie worden voorgelegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Tevens klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat van (bijzondere) kwetsbaarheid van de verdachte geenszins sprake was, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
2.8
In zijn arrest van 9 april 2024 [5] overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt:
“2.8.2
In het geval dat een verdachte die niet is aangehouden, door de politie wordt verhoord, voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in vergelijkbare bepalingen over de aanwijzing van een raadsman ten behoeve van een kwetsbare verdachte en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand door een kwetsbare verdachte. Door de minister voor Rechtsbescherming en de minister van Justitie en Veiligheid is het voornemen geuit de rechtspositie van niet-aangehouden kwetsbare verdachten te versterken (Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 4, p. 60). Met het oog daarop is op 23 januari 2024 een ontwerpwetsvoorstel voor een Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces gepubliceerd, waarin onder meer nadere regels zijn opgenomen over rechtsbijstand van niet-aangehouden kwetsbare verdachten bij het (eerste) politieverhoor. Beoogd wordt hiermee invulling te geven aan de zorgplicht voor de bescherming van kwetsbare verdachten die voortvloeit uit Richtlijn 2013/48/EU (zie artikel 13 Richtlijn Pro en preambule onder 51).
2.8.3
De omstandigheid dat het Wetboek van Strafvordering (vooralsnog) niet voorziet in specifieke, op het (eerste) politieverhoor van een niet-aangehouden kwetsbare verdachte toegesneden bepalingen, doet er niet aan af dat het voor de beantwoording van de vraag of zo’n verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand in verband met het (eerste) politieverhoor, van belang kan zijn of de verdachte voorafgaand aan dat verhoor bijstand heeft gehad van een raadsman dan wel door een raadsman is voorgelicht over de gevolgen van het doen van afstand. Als daarvan geen sprake is geweest, moet de rechter zich er anderszins van vergewissen dat de verdachte – gegeven de concrete beperkingen die samenhangen met de kwetsbaarheid van de verdachte – redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand.
Als de rechter vaststelt dat de verdachte weliswaar tijdens het opsporingsonderzoek te kennen heeft gegeven afstand te doen van het recht op rechtsbijstand voorafgaand of tijdens een verhoor, maar die afstand niet rechtsgeldig is omdat de verdachte als gevolg van de met zijn kwetsbaarheid samenhangende concrete beperkingen niet in staat was zijn wil te bepalen, is in beginsel sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Als daarover verweer wordt gevoerd, moet dat vormverzuim in de regel leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen die de verdachte zonder rechtsbijstand heeft afgelegd tijdens het (eerste) politieverhoor. Dat rechtsgevolg hoeft echter niet noodzakelijkerwijs aan het vormverzuim te worden verbonden als bewijsuitsluiting niet nodig is ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven, waaronder in het bijzonder de arresten van 13 september 2016, nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk) en 9 november 2018, nr. 71409/10 (Beuze/België).”
2.9
De Hoge Raad vernietigde in de aangehaalde zaak het arrest van het hof waarin het hof ‘kennelijk’ had geoordeeld dat de verdachte niet als ‘kwetsbaar’ behoefde te worden aangemerkt. Het hof had vastgesteld dat de verdachte leed aan een autismespectrumstoornis en/of persoonlijkheidsstoornis, maar had er geen blijk van gegeven
te hebben onderzocht(curs. D.P.) of, gelet op die stoornis(sen), de verdachte ‘redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand’. Daarom konden de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden over het vermogen van de verdachte om vragen te begrijpen en de betrouwbaarheid van haar verklaringen, het ‘kennelijke’ oordeel van het hof niet dragen.
2.1
Het gaat in cassatie uiteindelijk om de vraag of de verdachte rechtsgeldig ‘afstand’ heeft gedaan van haar recht op verhoorbijstand. Daarbij gaat het er om of de verdachte redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Anders gezegd: de vraag is of de verdachte in deze zaak gegeven haar mentale toestand redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Ter beantwoording van die vraag is allereerst van belang of de verdachte is aan te merken als een ‘kwetsbare’ verdachte. In dat geval had de verdachte – anders dan door de politie is medegedeeld – recht op kosteloze rechtsbijstand en berust het doen van afstand op een onjuiste informatiepositie door het toedoen van de politie. Het begrip ‘kwetsbaar’ wordt in de wet niet gedefinieerd. In het hiernavolgende zal ik eerst ingaan op het begrip ‘kwetsbaarheid’ en bespreek ik daarna de klacht.
2.11
Het resultaat van de beoordeling of de verdachte als ‘kwetsbaar’ is aan te merken, is – verweven als het is met vaststellingen van feitelijke aard – in cassatie enkel te toetsen op begrijpelijkheid. Mijn ambtgenoot Van Wees is in 2023 al uitgebreid ingegaan op de problematiek die betrekking heeft op rechtsbijstand van kwetsbare verdachten. [6] Hij heeft daarbij gewezen op de memorie van toelichting die ten grondslag ligt aan de invoering van de wettelijke regeling van art. 27c tot en met 28e Sv en leidt daaruit af dat het uitgangspunt van de memorie van toelichting is dat het van meer belang is dat een verdachte over consultatiebijstand kan beschikken als het gaat om verdachten waarvan duidelijk is dat zij hun belangen niet zelf kunnen behartigen, zoals personen met een psychische stoornis of verstandelijke beperking. [7] Hij wijst erop dat met het begrip ‘kwetsbare verdachte’ wordt aangesloten bij art. 509a Sv. Het gaat om personen die niet in staat zijn hun belangen te behartigen, meer specifiek niet zelf het recht op bijstand van een advocaat kunnen uitoefenen. Volgens Van Wees zal voor het oordeel dat een verdachte zijn belangen kan behartigen op zijn minst moeten zijn voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
i. dat de verdachte begrijpt wat er tegen hem wordt gezegd en wat er aan hem wordt gevraagd;
ii. dat de verdachte de consequenties van zijn verklaringen en beslissingen, bijvoorbeeld tot afstand van consultatiebijstand, kan overzien;
iii. dat de verdachte naar dat inzicht kan handelen.
2.12
Na de vaststelling van de Richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PbEU C 378/8) heeft de Europese Commissie op 27 november 2023 een aanbeveling uitgebracht. [8] Deze aanbeveling ziet op kwetsbare verdachten in zijn algemeenheid en wil lidstaten ertoe aanzetten de procedurele rechten te versterken van
verdachten die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen of er effectief aan deel te nemen(cursief, D.P.). Art. 1 lid 3 van Pro de aanbeveling gaat over de noodzaak van bijstand voor kwetsbare personen. Het stelt dat kwetsbare personen overeenkomstig hun belangen moeten worden bijgestaan bij de uitoefening van hun procedurele rechten, rekening houdend met hun vermogen om de procedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen. Verdachten met
een zodanig ‘bijzondere’ kwetsbaarheid dat zij niet in staat zijn de procedure te begrijpen en te volgen(cursivering, D.P.), mogen volgens de aanbeveling (onder 11) geen afstand doen van hun recht op toegang tot een advocaat overeenkomstig de Richtlijn. Volgens de preambule van de aanbeveling (onder 11) strekt dit ertoe het recht van deze verdachten op een eerlijk proces te waarborgen.
2.13
Naar mijn mening moet de vraag of sprake was van een ‘kwetsbare’ verdachte worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij speelt de mentale toestand van een verdachte een grote, zo niet beslissende, rol. Ook de leeftijd kan een rol spelen bij de beantwoording van die vraag. Dat leid ik af uit het feit dat de minderjarige verdachte op basis van die minderjarigheid reeds recht heeft op rechtsbijstand en daarvan geen afstand kan doen. [9] Verder merk ik op dat een verdachte die wordt verhoord in zekere zin altijd kwetsbaar is. Die algemene kwetsbaarheid die eigen is aan het zijn van verdachte in een strafzaak, draagt het predicaat van strafrechtelijk relevante kwetsbaarheid nog niet. In mijn optiek leidt de vaststelling dat sprake is van psychische problematiek ook niet zonder meer tot het oordeel dat sprake is van strafrechtelijke kwetsbaarheid. Voor het oordeel dat de verdachte in strafrechtelijke zin ‘kwetsbaar’ is, is noodzakelijk dat die kwetsbaarheid maakt dat de verdachte redelijkerwijs niet in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Dat die toetssteen geen betrekking heeft op het begrijpende vermogen van een verdachte omtrent de inhoudelijke vragen die aan hem in het verhoor worden gesteld, is logisch, nu de vraag naar afstand voorafgaat aan de aanvang van het verhoor.
2.14
Het middel klaagt, zoals weergegeven, dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat moet zijn gebleken van ‘bijzondere kwetsbaarheid’, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ook de invulling van de (bijzondere) ‘kwetsbaarheid’ van het hof zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof dat ‘geenszins’ sprake was van ‘bijzondere kwetsbaarheid’, zou onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.
2.15
Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat de verdachte aangemerkt had moeten worden als ‘kennelijk kwetsbaar’ en er geen vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan en tijdens het politieverhoor heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing van de kwetsbaarheid heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte lijdt aan PDD-NOS (thans: autismespectrumstoornis, D.P.), depressie en complexe PTSS. Het standpunt van de verdediging luidt dat het op de weg van de politie had gelegen een raadsman in te schakelen wegens de kennelijke kwetsbaarheid van de verdachte en dat, nu dat niet is gebeurd, sprake is van een vormverzuim. Het recht op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor is geschonden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering. De ernst van het verzuim is onderbouwd onder verwijzing naar de verklaring van de verdachte die inhoudt dat ze het liefst wel bijstand wenste. Het nadeel is onderbouwd met een verwijzing naar de kwetsbaarheid van de verdachte.
2.16
Het hof heeft het onder 2.8 van deze conclusie aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 april 2024 als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van onderhavige zaak. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een niet-aangehouden verdachte is en uit het proces-verbaal van verhoor is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor kennis heeft genomen van de brochure ‘Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’. Het hof heeft verder vastgesteld dat uit dat proces-verbaal blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor erop is gewezen dat zij recht heeft op consultatiebijstand en dat zij tijdens het verhoor recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat, waarbij is opgemerkt dat zij daarvan afstand kan doen, maar dat dit nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd kan terugkomen op haar beslissing. Daarop heeft de verdachte verklaard dat zij geen gebruik wilde maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat zij dit niet kan betalen. Vervolgens is de verdachte verhoord over haar persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat bij haar PDD-NOS, een sociale angststoornis en een depressie is geconstateerd. Verder heeft zij verklaard dat uit de gesprekken met haar psycholoog is gebleken dat zij last heeft van een complexe PTSS. Daarna heeft een zaaksinhoudelijk verhoor plaatsgevonden.
2.17
Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte voorafgaand aan haar verhoor door de politie is gewezen op haar recht op consultatie- en verhoorbijstand, waarbij de politie heeft medegedeeld dat de verdachte tijdens het verhoor recht heeft op een zelf te betalen advocaat. Het hof heeft vooropgesteld dat een verdachte die niet is aangehouden recht heeft op bijstand van een door hem of haarzelf te betalen advocaat, tenzij sprake is van een ‘bijzondere kwetsbaarheid’ waardoor de verdachte redelijkerwijs niet in staat is te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Het hof heeft geoordeeld dat van die ‘bijzondere kwetsbaarheid’ bij de verdachte ten tijde van het verhoor en ook daarna niet is gebleken. Alhoewel het hof heeft vastgesteld dat de verdachte is gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis (ik begrijp: een milde, maar chronische vorm van depressie, D.P.) en daarnaast een sociale stoornis en in zoverre zou kunnen kampen met een ‘zekere’ kwetsbaarheid, is het hof ook van oordeel dat daarmee geen sprake is van de bedoelde ‘bijzondere’ kwetsbaarheid op basis waarvan zij in aanmerking zou komen voor toewijzing van kosteloze rechtsbijstand. Het hof heeft geoordeeld dat het bij gevallen waarin de verdachte in aanmerking zou komen voor toewijzing van kosteloze rechtsbijstand gaat om gevallen waarin een verdachte niet in staat is te begrijpen welke vragen in een verhoorsituatie worden voorgelegd. Het hof heeft mede op basis van de wijze waarop het verhoor is verlopen, de beantwoording van de vragen door verdachte tijdens de verhoorsituatie en de indruk van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, vastgesteld dat daarvan geenszins sprake is.
2.18
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis en daarnaast een sociale angststoornis en in zoverre zou kunnen kampen met een ‘zekere’ kwetsbaarheid. Het hof heeft echter geoordeeld dat daarmee geen sprake is van de bedoelde ‘bijzondere’ kwetsbaarheid op basis waarvan zij in aanmerking zou komen voor toewijzing van kosteloze rechtsbijstand. Met die overwegingen heeft het hof naar mijn lezing een onderscheid willen maken tussen ‘kwetsbaarheid’ in de (breedste) zin van het woord en ‘kwetsbaarheid’ in de zin van de wet. [10] Het hof heeft vervolgens getoetst of sprake is van de in de wet bedoelde ‘kwetsbaarheid’ en heeft als uitgangspunt genomen dat de verdachte op basis van die kwetsbaarheid recht heeft op kosteloze rechtsbijstand als de verdachte ‘niet in staat is te begrijpen welke vragen in een verhoorsituatie worden voorgelegd’. Het hof heeft vervolgens, mede op basis van de wijze waarop het verhoor is verlopen, de beantwoording van de vragen door verdachte tijdens de verhoorsituatie en de indruk van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, vastgesteld dat daarvan geenszins sprake is. Aldus heeft het hof zonder blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting na onderzoek tot het niet-onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat de verdachte geen ‘kwetsbare’ verdachte was en de door haar gedane afstand van verhoorbijstand ‘rechtsgeldig’ is, hetgeen heeft geleid tot de verwerping van het onrechtmatigheidsverweer van de verdediging. De diagnose dat iemand leidt aan een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis (chronische depressie) en een sociale angststoornis, dwingt immers niet zonder meer tot het juridische oordeel dat diegene een ‘kwetsbare’ verdachte is, in die zin dat de verdachte hierdoor redelijkerwijs niet in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand.
2.19
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat het hof het vonnis van de politierechter ook ten aanzien van feit 1 heeft bevestigd, terwijl dat vonnis in strijd met art. 359 lid 3 Sv Pro slechts een opgave bevat van de bewijsmiddelen, nu de verdachte het bewezenverklaarde niet (volledig) heeft bekend.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij op 9 maart 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [benadeelde] met een koekenpan tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3
Het vonnis van de politierechter houdt met betrekking tot de bewijsmiddelen in:
“De politierechter volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2024;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023064687 d.d. 20 juni 2023 inhoudende de verklaring van [benadeelde] .”
3.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 februari 2024 blijkt dat de verklaring van de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – voor zover hier van belang – inhoudt:
“[…] U houdt mij de aangifte van [benadeelde] voor en vraagt of ik op 9 maart 2023 boos op haar was en verhaal kwam halen. Ja, dat klopt. Ik heb met opzet een koekenpan gepakt en [benadeelde] één keer met de pan tegen haar hoofd geslagen. De steel van de pan is hierbij afgebroken en ik probeerde haar hiermee te steken in haar zij. […] Het klopt dat ik [benadeelde] ook met mijn vuisten geslagen heb op haar hoofd.”
3.5
De bewijsoverweging van de politierechter met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde luidt als volgt:
“Het tenlastegelegde onder 1 en 2 kan wettig en overtuigend bewezen worden, namelijk poging tot zware mishandeling en bedreiging. Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 zijn er de aangifte van [benadeelde] en de bekennende verklaring van verdachte.
[…]
Wat feit 1 betreft: als je, zoals verdachte heeft gedaan, iemand met een koekenpan tegen het hoofd slaat, dan aanvaard je bewust de aanmerkelijke kans dat het slecht met die persoon – in dit geval: het slachtoffer [benadeelde] – afloopt, in die zin dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Daarbij komt dat verdachte kennelijk zo hard met de koekenpan tegen het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen, dat de steel van de pan is afgebroken.”
3.6
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 december 2024 blijkt dat de verdachte in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – voor zover hier van belang – heeft verklaard:
“Het klopt dat ik niet ontken dat ik [benadeelde] met een koekenpan op het hoofd heb geslagen […].”
3.7
De politierechter heeft ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, omdat de verdachte dat feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep niet op die bekennende verklaring teruggekomen, noch is namens haar vrijspraak bepleit. Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd.
3.8
De steller van het middel klaagt dat het hof het vonnis van de politierechter ten aanzien van feit 1 niet had mogen bevestigen. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte dit feit niet ‘uitdrukkelijk en ondubbelzinnig’ heeft bekend, nu de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg ook inhoudt dat zij aangeefster te lijf ging ‘met de bedoeling haar bang te maken’. Verder voert de steller van het middel aan dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij het er ‘qua fysiek […] niet helemaal mee eens is dat het echt zo heftig was’ en dat hieruit en hetgeen de raadsvrouw in dat verband heeft aangevoerd, bezwaarlijk iets anders kan volgen dan dat de verdachte niet heeft bekend dat de door haar erkende gedragingen een poging tot zware mishandeling opleveren.
3.9
Art. 359, derde lid, Sv, dat op grond van art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
3.1
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 359 lid 3 Sv Pro aldus moet worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de – in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen – uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring. [11] De enkele omstandigheid dat de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring niet met zoveel woorden alle onderdelen van de bewezenverklaring bestrijkt, behoeft niet te betekenen dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft bekend. [12] Bij de beantwoording van de vraag of van een bekennende verklaring in de zin van art. 359 lid 3 Sv Pro sprake is, kan in het bijzonder van belang zijn of die verklaring tevens elementen bevat die de tenlastelegging op een of meer onderdelen bestrijden, alsmede welke procesopstelling de verdachte heeft gekozen, waarbij in verband met het voortbouwend appel met name betekenis toekomt aan zijn procesopstelling in hoger beroep. [13]
3.11
De politierechter heeft gemotiveerd waarom hij de verklaring van de verdachte, die inhoudt dat de verdachte ‘met opzet’ een koekenpan heeft gepakt en aangeefster één keer met een pan tegen het hoofd heeft geslagen, waarbij de steel van de pan is afgebroken, heeft aangemerkt als een bekennende verklaring terzake van de haar tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Dat oordeel acht ik, mede in het licht van de gegeven toelichting, niet onbegrijpelijk. Aan de begrijpelijkheid van dit oordeel doet niet af dat de verdachte ook heeft verklaard dat zij aangeefster te lijf ging ‘met de bedoeling haar bang te maken’. Daarbij wijs ik erop dat de feitelijke gedraging die de verdachte heeft bekend, ten grondslag ligt aan de bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet. [14]
3.12
In hoger beroep heeft de verdachte de tenlastegelegde gedraging wederom bekend. De verdediging heeft in hoger beroep geen vrijspraak voor feit 1 bepleit, maar het standpunt ingenomen dat bewezen kan worden geacht dat éénmaal met de koekenpan tegen het hoofd van aangeefster is geslagen en geen betekenis toekomt aan het afbreken van de steel daarvan.
3.13
Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat het vonnis in eerste aanleg (ook) ten aanzien van feit 1 zonder aanvulling met uitgewerkte bewijsmiddelen kon worden bevestigd, doet niet af dat de verdachte in haar ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaring heeft verklaard dat zij het er ‘qua fysiek […] niet helemaal mee eens is dat het echt zo heftig was’. Die zinssnede is immers kennelijk gebezigd in verband met het weerspreken van de vordering van de benadeelde partij, dat volgt wat mij betreft uit de aan die zin voorafgaande zin: ‘Niet naar huisarts/ziekenhuis, geen doktersverklaring, (zie verzoek schadevergoeding)’.
3.14
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen en het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-000774-24.
2.Hoewel tussen de termen ‘kosteloze’ en ‘gesubsidieerde’ bijstand verschillen bestaan, begrijp ik de strekking van het door de raadsvrouw gebruikte begrip ‘kosteloos’ ook wel als ‘gesubsidieerd’ in het kader van de rechtsbijstand.
3.Zie ABRvS 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3770.
4.Zie ABRvS 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3770
6.ECLI:NL:PHR:2023:1124, punten 4.4 tot en met 4.57.
8.Aanbeveling van de Europese Commissie van 27 november 2013, betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, C 378/8.
9.HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:555.
10.Een en ander conform art. 11 van Pro de aanbeveling van de Europese Commissie d.d. 27 november 2023.
11.HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1889, r.o. 3.4. Zo ook HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342
12.HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342,
13.HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1889, r.o. 3.4. Zo ook HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342
14.Ik merk daarbij op dat het ‘bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans’ zich lastig laat bekennen, nu dat leerstuk in overwegende mate los staat van de intentie van de verdachte. Het voorwaardelijk opzet houdt immers een juridische vertaalslag in van de vastgestelde (al dan niet door de verdachte bekende) feitelijkheden. Zie bijvoorbeeld HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342,