Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Het standpunt van de verdediging
gesubsidieerderechtsbijstand kan worden ontleend. [4] Uit de uitspraak kan wel volgen dat het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand, inhoudende dat ‘in geen geval’ recht op gesubsidieerde rechtsbijstand bestaat voor de niet-aangehouden verdachte die is uitgenodigd om voor een verhoor te verschijnen op het politiebureau, zich niet goed verhoudt met het discretionaire karakter van de in art. 44 lid 1 Wet Pro op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) neergelegde bevoegdheid en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid van de Raad voor Rechtsbijstand. Daarop volgde het oordeel van de Afdeling dat de afwijzing van de toevoegingsaanvraag door de (niet-aangehouden) verdachte niet kon worden gemotiveerd door ‘slechts’ te verwijzen naar art. 12 lid Pro 2, aanhef en onder g Wrb en het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand.
kostelozerechtsbijstand. Het bestaan van de ‘mogelijkheid’ voor de verdachte om een lichte adviestoevoeging te (doen) aanvragen, laat onverlet dat de bijstand die de niet-aangehouden verdachte wenste te krijgen voorafgaand of tijdens het verhoor
in beginselvoor eigen rekening kwam, omdat de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (RATZ) er niet automatisch toe leidt dat de verdachte voorzien wordt van gesubsidieerde rechtsbijstand. Om in aanmerking te komen voor een verstrekking van een lichte adviestoevoeging (LAT) op basis van voornoemde regeling, moet immers een aanvraag worden gedaan bij de Raad voor Rechtsbijstand, op welke aanvraag de Raad vervolgens een beslissing dient te nemen. Daarmee faalt de eerste klacht.
te hebben onderzocht(curs. D.P.) of, gelet op die stoornis(sen), de verdachte ‘redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand’. Daarom konden de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden over het vermogen van de verdachte om vragen te begrijpen en de betrouwbaarheid van haar verklaringen, het ‘kennelijke’ oordeel van het hof niet dragen.
verdachten die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen of er effectief aan deel te nemen(cursief, D.P.). Art. 1 lid 3 van Pro de aanbeveling gaat over de noodzaak van bijstand voor kwetsbare personen. Het stelt dat kwetsbare personen overeenkomstig hun belangen moeten worden bijgestaan bij de uitoefening van hun procedurele rechten, rekening houdend met hun vermogen om de procedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen. Verdachten met
een zodanig ‘bijzondere’ kwetsbaarheid dat zij niet in staat zijn de procedure te begrijpen en te volgen(cursivering, D.P.), mogen volgens de aanbeveling (onder 11) geen afstand doen van hun recht op toegang tot een advocaat overeenkomstig de Richtlijn. Volgens de preambule van de aanbeveling (onder 11) strekt dit ertoe het recht van deze verdachten op een eerlijk proces te waarborgen.