Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan meerdere strafbare feiten, waaronder het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften, het niet voeren van een verplichte administratie en het opmaken van valse facturen. Het hof volstond met een opgave van bewijsmiddelen omdat de verdachte het bewezenverklaarde had bekend en in hoger beroep alleen een strafmaatverweer voerde.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht kon volstaan met een opgave van bewijsmiddelen op grond van art. 359, derde lid, Sv, gezien de duidelijke bekentenis en de procesopstelling van de verdachte. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte aannam dat een niet-onherroepelijke veroordeling uit 2017 in de strafoplegging kon worden betrokken, maar dat dit gebrek van ondergeschikt belang is omdat ook onherroepelijke veroordelingen uit 2009 en 2014 zijn meegewogen.
De strafoplegging van twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt gemotiveerd door de ernst van het feit, de duur van het handelen, de rol van de verdachte als belastingadviseur en de eerdere veroordelingen. De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt het arrest van het hof, waarbij het hof zorgvuldig heeft gewogen en de verdachte de gelegenheid heeft gehad zijn strafmaatverweer te voeren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van twaalf maanden voor de verdachte.