Conclusie
Nummer 24/02048 P
Inleiding
Het middel
Het verweer waarop de klachten betrekking hebben en de inhoud van het arrest
17. Subsidiair: delen door het aantal medeverdachten.
’ In samenhang met de verklaring van [medeverdachte 4] levert dat minimaal een extra verdachte op. In ieder geval i.h.k.v. aannemelijkheid.
’ En zo niet: pondspondsgewijs.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2018, voor zover als inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
. (…)
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De klachten van het middel
zeker nu er daadwerkelijk personen zijn veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de kwekerij” naast de betrokkene. Ook wordt geklaagd over de (onder randnummer 9 weergegeven) overwegingen met betrekking tot de toerekening. Daarbij wordt een beroep gedaan op de voorwaarden die de Hoge Raad heeft geformuleerd voor de toepassing van de regeling voor de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting in artikel 36e lid 7 Sr. Aangevoerd wordt dat het hof het totale voordeel slechts aan de betrokkene heeft toegerekend vanwege de omstandigheid dat niet is vast te stellen of en zo ja hoeveel anderen voordeel hebben genoten en dat het hof bewijsverweren niet had mogen verwerpen op de grond dat het aangevoerde “
niet door objectieve aanwijzingen wordt bevestigd”. [3]
De bespreking van het middel
andere strafbare feiten, te weten de verkoop van geteelde hennepstekken, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan”, voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft verkregen. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is dus niet gebaseerd op een van de strafbare feiten die bewezen zijn verklaard en waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Wat ter terechtzitting is aangevoerd berust, net als de in cassatie aangevoerde klachten, op stellingen die ervan uitgaan dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten (waarvoor de betrokkene is veroordeeld) en die hij zou hebben medegepleegd met zijn partner, zijn neef en [medeverdachte 3] , nog afgezien van de andere “
onbekende personen” die de woning bezochten waar de kwekerij is aangetroffen. Op deze veronderstellingen wijst in het bijzonder de klacht over de toepassing door het hof van de in artikel 36e lid 7 Sr neergelegde regeling. De regeling berust op het geval waarin voordeel is verkregen “
ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd”. [4] Het hof heeft evenwel niet vastgesteld dat die “
andere strafbare feiten” waarop de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel berust, zijn gepleegd door twee of meer personen (en dat volgt ook niet uit de bewijsvoering).
voldoende aanwijzingen bestaan”.
uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting kan volgen dat, noch hoe de winst op enerlei wijze tussen de verdachte en zijn mededaders is verdeeld, te meer gelet op de onderlinge rolverdeling tussen hen”. Anders dan in cassatie wordt aangevoerd, volgt uit deze overweging niet dat het hof het totale voordeel aan de betrokkene heeft toegerekend op de enkele grond dat niet is vast te stellen of en zo ja hoeveel anderen voordeel hebben genoten. Het hof heeft in deze overweging tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene het voordeel heeft behaald en het niet aannemelijk is geworden dat (ook) anderen uit de verkoop van hennepstekken voordeel hebben behaald. [5] Dit wordt bevestigd in de aansluitende overweging dat de enkele stelling van de betrokkene (dat de winst zou moeten worden verdeeld) “
niettegenstaande het feit dat er op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond meerder personen aanwezig waren - bij gebrek aan nadere concretisering zodanig in nevelen gehuld dat een andere verdeling niet aannemelijk is geworden”. Uit de bewoordingen daarvan (“
niet aannemelijk is geworden”) blijkt bovendien dat het hof voor een andere verdeling van het voordeel niet als maatstaf heeft aangelegd of dat wat door de betrokkene wordt aangevoerd “
door objectieve aanwijzingen wordt bevestigd”. De daartegen gericht klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.