ECLI:NL:PHR:2026:349

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
24/02048
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 3 onder C OpiumwetArt. 36e SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt volledige toerekening wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepstekken aan betrokkene

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch betrokkene veroordeeld tot een betalingsverplichting van €7.087,50 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van hennepstekken. Betrokkene stelde dat het voordeel verdeeld moest worden over meerdere medeverdachten, waaronder zijn partner en neef, maar het hof wees dit af wegens gebrek aan concrete aanwijzingen.

De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het voordeel volledig aan betrokkene kan worden toegerekend, omdat niet is vastgesteld dat anderen daadwerkelijk voordeel hebben genoten. De klachten van betrokkene dat het hof een verdeelsleutel had moeten toepassen worden verworpen.

De Hoge Raad benadrukt dat de regeling van artikel 36e lid 7 Sr alleen van toepassing is indien het voordeel is verkregen door twee of meer personen, wat hier niet is vastgesteld. Het cassatieberoep wordt verworpen en de bestreden uitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt volledig aan betrokkene toegerekend.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02048 P

Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Bij arrest van 24 mei 2024 (parketnummer 20-000320-20 (OWV)) [1] heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 7.087,50 en aan hem voor hetzelfde bedrag een betalingsverplichting aan de staat opgelegd. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd heeft het hof bepaald op 141 dagen.
2. Er bestaat samenhang met de hoofdzaak (zaaknummer 24/02047) tegen de betrokkene. Daarin zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel behelst klachten tegen het oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van hennepstekken volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Het verweer waarop de klachten betrekking hebben en de inhoud van het arrest

5. Ter terechtzitting van het hof van 10 mei 2024 is aangevoerd dat het voordeel pondspondsgewijs moet worden verdeeld over de medeverdachten. Daarbij is gewezen op [medeverdachte 1] , de partner van de betrokkene, [medeverdachte 2] , de neef van de betrokkene (drager van dezelfde naam en voorletters), en [medeverdachte 3] .
6. De ter terechtzitting van het hof van 10 mei 2024 overgelegde pleitnota houdt hierover in:

17. Subsidiair: delen door het aantal medeverdachten.
a. Zelfs in het ontnemingsrapport, pag. 490 e.v. wordt gewag gemaakt van 3 verdachten, onder wie tevens [medeverdachte 4] .
b. [medeverdachte 4] is bij vonnis van 26 oktober 2020 -onherroepelijk- veroordeeld voor dezelfde feiten als de rechtbank [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] veroordeelde; het opzettelijk aanwezig hebben van bewezen hoeveelheden hennepplanten.
c. In het strafdossier is [medeverdachte 3] echter ook als verdachte aangemerkt en heeft in die hoedanigheid zelfs een verklaring afgelegd. Anders dan bijvoorbeeld [medeverdachte 5] is hij op 5 meter afstand van het schuurtje aangetroffen ten tijde van de inval. Als voor hem een simpele betwisting volstaat [ik heb er niets mee te maken], geldt dat ook voor [medeverdachte 5] . Het spiegelbeeld geldt evenzeer; wanneer een simpele betwisting niet volstaat, is [medeverdachte 3] betrokkenheid eveneens aannemelijk.
d. De Ovj schreef in het requisitoir: ‘Ook verdachte [medeverdachte 2] is te zien op de beelden. Hij had voor de woning contact met de bestuurder van de Audi welke meerdere malen per dag de Audi parkeerde bij de paardenweide en richting de hennepdrogerij liep.
’ In samenhang met de verklaring van [medeverdachte 4] levert dat minimaal een extra verdachte op. In ieder geval i.h.k.v. aannemelijkheid.
e. Het dossier bevat geen aanwijzingen hoe [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] een huishouden voerden; waren ze in gemeenschap goederen getrouwd; hoe werd het geld gegenereerd en beheerd?
f. Het dossier bevat geen aanwijzingen hoe [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zich verhielden tot elkaar of [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] , laat staan tot de kale man.
g. HR 07-04-2015, ECLI:NL:HR:2015:878. Noot JM Reijntjes: ‘uitgangspunt bij de voordeelsontneming altijd is geweest dat alleen concreet genoten voordeel mag worden ontnomen; het gaat om een maatregel, niet om een straf. Dat voordeel moet dus individueel worden berekend. Zijn er meerdere daders die gezamenlijk voordeel hebben behaald, dan moet eerst worden geprobeerd te schatten wat ieders voordeel in concreto geweest is.
’ En zo niet: pondspondsgewijs.
h. Aldus 35.258,85: 5 = 7.051,77 plus korting i.v.m. RT. Afgerond 5.000 [10 pct p/j]”.
7. In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsman gewezen op de veroordeling in de strafzaak van de neef, de hierboven genoemde [medeverdachte 2] . De betrokkene heeft op dezelfde terechtzitting ontkend iets te weten van hennepteelt en gewezen op de veroordeling van zijn partner wegens in een schuurtje aangetroffen hennep. [2] In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 mei 20224 is een en ander als volgt weergegeven:

Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Ik zou niet weten of mijn neefje [medeverdachte 2] in die kelder onder de schuur op het terrein werkte. Ik wist niets van het bestaan van die kelder. Ik heb daar nooit iets van hennep geroken.
Ik heb nooit iets gemerkt van activiteiten op het terrein rond het chalet die met hennep te maken hebben. Ik ruik niks en ik proef niks. Dit is mij gewoon overkomen. Ik wist er niets van dat er elektriciteit werd gestolen via de aansluitleiding van Enexis buiten het chalet. (…)
Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
(…) U deelt mij mede dat de politie heeft gezien dat er veel voertuigen parkeerden vóór de weide. Het was mijn perceel, maar in de weide kon je geen auto parkeren. Ik heb de geparkeerde auto’s niet opgemerkt en ik heb daar niets van gezegd. U deelt mij mede dat in het chalet kennelijk ook personen kwamen die bij hennepdrogerij zijn gezien. Dat was dan die buurman. (…)
Op verdere vragen van de raadsman verklaart de verdachte als volgt.
Ik heb een tekening gemaakt van hoe het perceel bij het chalet in [plaats] is ingedeeld. Ik leg die tekening aan het hof over. Als ik bij de poort binnenkom, ga ik naar rechts om bij mijn chalet te komen. Mijn buurman slaat daar linksaf.
De voorzitter deelt mede dat zij op de overgelegde tekening een getekende lijn door het midden van de pagina ziet.
Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
De lijn die u noemt, is een denkbeeldige lijn door het moestuintje en de bomen. Rechts van de lijn bevindt zich mijn perceel en links van de lijn het perceel van de buurman. Er is daar geen muur of sloot of iets dergelijks. Het schuurtje dat links boven op de tekening staat, staat op het perceel van de buurman. (…)
Op vragen van de voorzitter omtrent de persoon van de verdachte verklaart deze als volgt.
Hennepteelt zegt mij niets. In het schuurtje is 6 kilogram hennep gevonden en mijn partner [medeverdachte 1] is daarvoor veroordeeld.
De raadsman verklaart als volgt. Het neefje van cliënt is in deze zaak veroordeeld tot een taakstraf. Dat is relevant omdat de rechtbank bewezen heeft verklaard dat hij de feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Dat ligt juridisch gezien moeilijk omdat er dus al twee mensen hiervoor onherroepelijk zijn veroordeeld. Ook het vonnis tegen het neefje is onherroepelijk.
8. Van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen geef ik de bewijsmiddelen weer waarin wordt verwezen naar de betrokkene en andere personen. Ik laat de bewijsmiddelen achterwege die betrekking hebben op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat over de berekening als zodanig niet wordt geklaagd.

1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2018, voor zover als inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 27 januari 2017, ontving de politie een Meld Misdaad Anoniem melding. De inhoud van deze melding wordt hieronder weergegeven.
Melding:
Hennepteelt in [plaats] In [plaats] aan [a-straat 1] is een hennepkwekerij in een woonhuis in het buitengebied. Het bewuste perceel grenst aan een bosperceel dat weer grenst aan bungalowpark [A] . Op meerdere fiets en wandelpaden in het bosperceel hangt gedurende de avond- en nachtelijke uren een forse wietgeur. Ook wordt de woning op bovengenoemd adres regelmatig bezocht door onbekende personen, die hun auto op het parkeerterrein van het bungalowpark zetten.
(...)
Op grond van de ontvangen melding is er een netmeting aangevraagd bij energiebedrijf Enexis. Op 13 februari 2017, gaf fraude inspecteur [naam 1] , door dat de uitgevoerde netmeting positief was voor het genoemde pand [a-straat 1] te [plaats] . Op de netmeting is een verhoogd stroomverbruik te zien dit is weergegeven in de bijgevoegde grafiek. De netmeting heeft gestaan van 09-02-2017 tot en met 13-09-2017(het hof begrijpt: 13-02-2017)
. (…)
5. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 10 mei 2024, voor zover als inhoudende de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep:
Het chalet dat gesitueerd was aan de [a-straat 1] te [plaats] was mijn vakantiewoning. Ik ging daar vooral in de zomermaanden heen. Wij, mijn partner [medeverdachte 1] en ik, verbleven regelmatig in die woning. (...) Mijn partner, [medeverdachte 1] , mijn dochter en ik maakten als enigen gebruik van het chalet.
9. Met betrekking tot de grondslag en de toerekening van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof het volgende overwogen:

Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 mei 2024 onder parketnummer 20-000302-20, veroordeeld ter zake van onder meer - kort weergegeven - het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 9 februari 2017 tot en met 13 april 2017.
De wettelijke grondslag: artikel 36e, derde lid [DA: ik vermoed dat ‘tweede lid’ is bedoeld], van het Wetboek van Strafrecht
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, te weten de verkoop van geteelde hennepstekken, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen. (…)
Toerekening
Het hof heeft in de strafzaak betrokkene onder meer veroordeeld voor het medeplegen van (kortgezegd) de teelt van hennepstekken. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting kan volgen dat, noch hoe de winst op enerlei wijze tussen de verdachte en zijn mededaders is verdeeld, te meer gelet op de onderlinge rolverdeling tussen hen. Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van hennepstekken volledig aan de betrokkene toerekenen. Het hof gaat voorbij aan hetgeen daarover door en namens de verdachte is gesteld. Die enkele stelling is - niettegenstaande het feit dat er op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond meerder personen aanwezig waren - bij gebrek aan nadere concretisering zodanig in nevelen gehuld dat een andere verdeling niet aannemelijk is geworden. Het hof zal aldus het hiervoor vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekenen.

De klachten van het middel

10. Tegen de volledige toerekening van het voordeel aan de betrokkene wordt aangevoerd dat die onjuist, althans onbegrijpelijk is gelet op (i) de vaststellingen van het hof in de hoofdzaak, de bewezenverklaring en de kwalificatie daarvan, (ii) wat ter terechtzitting namens de betrokkene naar voren is gebracht ten aanzien van de betrokkenheid van anderen, en gelet op (iii) het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting moet worden uitgegaan van voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Om deze redenen had het hof een verdeelsleutel moeten toepassen en het voordeel moeten verdelen over meer betrokkenen, “
zeker nu er daadwerkelijk personen zijn veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de kwekerij” naast de betrokkene. Ook wordt geklaagd over de (onder randnummer 9 weergegeven) overwegingen met betrekking tot de toerekening. Daarbij wordt een beroep gedaan op de voorwaarden die de Hoge Raad heeft geformuleerd voor de toepassing van de regeling voor de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting in artikel 36e lid 7 Sr. Aangevoerd wordt dat het hof het totale voordeel slechts aan de betrokkene heeft toegerekend vanwege de omstandigheid dat niet is vast te stellen of en zo ja hoeveel anderen voordeel hebben genoten en dat het hof bewijsverweren niet had mogen verwerpen op de grond dat het aangevoerde “
niet door objectieve aanwijzingen wordt bevestigd”. [3]

De bespreking van het middel

11. Voor de beoordeling van de klachten is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene door middel van of uit de baten van “
andere strafbare feiten, te weten de verkoop van geteelde hennepstekken, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan”, voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft verkregen. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is dus niet gebaseerd op een van de strafbare feiten die bewezen zijn verklaard en waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Wat ter terechtzitting is aangevoerd berust, net als de in cassatie aangevoerde klachten, op stellingen die ervan uitgaan dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten (waarvoor de betrokkene is veroordeeld) en die hij zou hebben medegepleegd met zijn partner, zijn neef en [medeverdachte 3] , nog afgezien van de andere “
onbekende personen” die de woning bezochten waar de kwekerij is aangetroffen. Op deze veronderstellingen wijst in het bijzonder de klacht over de toepassing door het hof van de in artikel 36e lid 7 Sr neergelegde regeling. De regeling berust op het geval waarin voordeel is verkregen “
ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd”. [4] Het hof heeft evenwel niet vastgesteld dat die “
andere strafbare feiten” waarop de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel berust, zijn gepleegd door twee of meer personen (en dat volgt ook niet uit de bewijsvoering).
12. Het oordeel dat de betrokkene het wederrechtelijk voordeel uit de verkoop van geteelde hennepstekken in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak daadwerkelijk zelf heeft behaald, is niet onbegrijpelijk gelet op wat het hof als grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangemerkt en gelet op wat ter terechtzitting is aangevoerd. Het laatste licht ik toe.
13. Wat ter terechtzitting is aangevoerd heeft in essentie betrekking op de feiten die in de hoofdzaak aan de betrokkene ten laste zijn gelegd en door het hof in de hoofdzaak uiteindelijk ook bewezen zijn verklaard. De betrokkene is in de hoofdzaak naast de hier niet relevante gekwalificeerde diefstal van elektriciteit veroordeeld wegens het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en aanwezig hebben van 6304 hennepstekken en het medeplegen van het aanwezig hebben van ongeveer 463 kilogram hennep. In essentie is aangevoerd dat de betrokkene van niets wist en niets te maken had met de aangetroffen hennepkwekerij, hennepstekken en hennep.
14. Niet is aangevoerd dat de partner van de betrokkene, zijn neef, [medeverdachte 3] of andere onbekende personen de gekweekte stekken hebben verkocht of dat zij daarvoor zijn veroordeeld. Ook is niet aangevoerd dat daarvoor “
voldoende aanwijzingen bestaan”.
15. In zoverre falen de klachten die zijn gericht tegen het oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van hennepstekken volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend.
16. Onbegrijpelijk wordt het oordeel niet in het licht van de overwegingen met betrekking tot de toerekening. Deze overwegingen plaats ik in de sleutel van de vraag of het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van hennepstekken volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend terwijl de hiertegen aangevoerde bezwaren ervan uitgaan dat de overwegingen betrekking hebben op de toepassing door het hof van de in artikel 36e lid 7 Sr neergelegde regeling. Ik wijs op de overweging van het hof dat “
uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting kan volgen dat, noch hoe de winst op enerlei wijze tussen de verdachte en zijn mededaders is verdeeld, te meer gelet op de onderlinge rolverdeling tussen hen”. Anders dan in cassatie wordt aangevoerd, volgt uit deze overweging niet dat het hof het totale voordeel aan de betrokkene heeft toegerekend op de enkele grond dat niet is vast te stellen of en zo ja hoeveel anderen voordeel hebben genoten. Het hof heeft in deze overweging tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene het voordeel heeft behaald en het niet aannemelijk is geworden dat (ook) anderen uit de verkoop van hennepstekken voordeel hebben behaald. [5] Dit wordt bevestigd in de aansluitende overweging dat de enkele stelling van de betrokkene (dat de winst zou moeten worden verdeeld) “
niettegenstaande het feit dat er op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond meerder personen aanwezig waren - bij gebrek aan nadere concretisering zodanig in nevelen gehuld dat een andere verdeling niet aannemelijk is geworden”. Uit de bewoordingen daarvan (“
niet aannemelijk is geworden”) blijkt bovendien dat het hof voor een andere verdeling van het voordeel niet als maatstaf heeft aangelegd of dat wat door de betrokkene wordt aangevoerd “
door objectieve aanwijzingen wordt bevestigd”. De daartegen gericht klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Slotsom

17. De in het middel aangevoerde klachten falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het met vrijwel hetzelfde parketnummer (zonder OWV) gepubliceerde arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1381 is niet het arrest in de voorliggende zaak.
2.Uit het cassatieberoep dat is ingesteld in de hoofdzaak tegen de partner van betrokkene (nr. 22/02232) blijkt dat zij in eerste aanleg is veroordeeld wegens (feit 1) “
3.Onder verwijzing naar HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2019:469.
4.In de door E.J. Hofstee in
5.Vgl. HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:335, rov. 2.5, dat betrekking heeft op een vergelijkbare overweging die ten grondslag was gelegd aan de toepassing in die zaak van de regeling in art. 37e lid 7 Sr, wat in de voorliggende zaak niet aan de orde is.