Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van een strafbaar feit met betrekking tot hennepteelt.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €28.158,13 en een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd, omdat niet kon worden vastgesteld of en in hoeverre het voordeel mede door anderen was genoten. De Hoge Raad oordeelt dat deze motivering ontoereikend is, omdat het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting alleen is toegestaan indien sprake is van een gemeenschappelijk voordeel waarover iedere mededader kan beschikken.
De Hoge Raad benadrukt dat het uitgangspunt is dat alleen het voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het voordeel als gemeenschappelijk moest worden aangemerkt. Daarom wordt de uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij het opleggen van hoofdelijke betalingsverplichtingen. De uitspraak werd gedaan op 28 februari 2017 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest wegens onvoldoende motivering van de hoofdelijke betalingsverplichting en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.