Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak in het kort
3.Procesverloop
Het verschoningsrechtDe verdedigingDe raadsman heeft in het klaagschrift verder aangevoerd dat de inbeslagneming niet proportioneel is omdat uit het politieverhoor blijkt dat klager zich bezighoudt meer zeer gevoelige mensenrechtenkwesties bij het [A] (hierna: [A] ) in Engeland. Hij is daar directeur en legal expert. Er is mogelijk sprake van een (afgeleid) verschoningsrecht. Klager beschikt over informatie die per definitie juridisch en politiek zeer gevoelig is, zoals onder andere informatie over de conflicten in Oekraïne en Palestina. Het belang van klager om zijn gevoelige gegevens te beschermen moei in dit geval zwaarder wegen dan het belang van strafvordering.
De raadsman heeft ter zitting een verklaring van 5 augustus 2024 van het [A] overgelegd en heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris dient te worden ingeschakeld voordat wordt overgegaan tot het onderzoeken van de digitale gegevensdragers van klager.
Uit het arrest van 8 november 2016 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2537) blijkt dat toepassing van artikel 98 Sv Pro met zich brengt dat het eerst aan de rechter-commissaris is om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van gegevens die zijn opgeslagen op de gegevensdragers. Als de rechter-commissaris beslist dat inbeslagneming (wel) is toegestaan staat daartegen op grond van artikel 98 lid 3 en Pro 4 Sv beklag open op grond van artikel 552a Sv.
De raadkamer overweegt dat klager al een klaagschrift heeft ingediend vóórdat de rechter-commissaris is ingeschakeld Nu klager zich met betrekking tot de gegevens die op de inbeslaggenomen gegevensdragers zijn opgeslagen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen dient de beslissing van de rechter-commissaris daaromtrent eerst te worden afgewacht.
De behandeling van het klaagschrift zal daarom worden aangehouden en de stukken zullen in handen van de rechter-commissaris worden gesteld.
(…)- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde een beschikking te geven op grond van artikel 98. eerste lid, Sv.”
Voor wie de bevoegdheid tot verschoning geldt en geheimhouder is, sluit de regeling aan bij artikel 218 Sv Pro. Hieruit volgt dat bepaalde beroepsuitoefenaars op grond van hun geheimhoudingsplicht een verschoningsrecht toekomt. Uitgangpunt daarvoor is dat degeheimhouding noodzakelijk is en de onbelemmerde uitoefening van dat beroep zwaarder weegt dan waarheidsvinding. Binnen de juridische hulpverlening komt een advocaat dit recht toe. Voor de overige juridische hulpverlening kan dit gelden als men gelijk te stellen is aan een advocaat. Zo wordt dit voor buitenlandse beroepen als bijvoorbeeld sollicitors en barristers wel erkend, maar is de jurisprudentie voor andere juridische beroepen terughoudend. Als niet sprake is van een homogene groep, een wettelijke taak ontbreekt en de beroepsgroep vrij toegankelijk is, wordt het verschoningsrecht in de regel niet aangenomen.
BeoordelingDe vraag die de raadkamer moet beantwoorden is of klager een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt. De raadkamer overweegt het volgende.
In artikel 218 Sv Pro staat dat het verschoningsrecht beperkt is tot hen, die op grond van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn. Het artikel geeft geen verdere opsomming van de categorieën van personen aan wie een beroep op het in die bepaling bedoelde verschoningsrecht toekomt. De wetgever heeft dus de nodige ruimte gelaten voor het al dan niet erkennen van dat recht in concrete situaties. De rechter moet er bij de afweging aan de ene kant voor waken dat een te ruime erkenning de waarheidsvinding in strafzaken ernstig zou kunnen frustreren. Aan de andere kant zijn bepaalde vormen van hulpverlening, waarop mensen die in moeilijke situaties verkeren vertrouwen, zo belangrijk dat het belang van de waarheidsvinding in strafzaken daarvoor moet wijken.
In de loop der jaren is algemeen erkend dat de advocaat, geneeskundige, geestelijke en notaris, in de literatuur ook wel ‘het klassieke kwartet’ genoemd, in elk geval verschoningsgerechtigd zijn. De Hoge Raad is terughoudend met hel toekennen van een verschoningsrecht aan anderen.
Het verschoningsrecht van een advocaat kan zich uitstrekken tot personen die werkzaamheden voor een advocaat verrichten, zoals een door de advocaat ingeschakelde deskundige aan wie iets wordt toevertrouwd wat onder het verschoningsrecht van de advocaat valt. Deze personen kunnen zich op een afgeleid verschoningsrecht beroepen. Dat klager door (externe of ‘inhouse') advocaten is ingeschakeld als deskundige, is gesteld noch gebleken. Namens klager is wel gesteld, maar niet onderbouwd, dat hij verantwoordelijk is voor de advocaten binnen het [A] . De enkele stelling dat klager ‘verantwoordelijk is’ voor advocaten binnen een organisatie is echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een afgeleid verschoningsrecht.
4.Het middel
director/legal expertwerkzaamheden verrichtte voor en in samenwerking met geheimhouders.
diensverschoningsrecht vallen. Het middel keert zich niet tegen deze vaststelling als zodanig, maar tegen het oordeel over het bestaan van het verschoningsrecht.
legal advice privilege.
legal professional privilegeerkend, dat kan worden vergeleken met het professionele verschoningsrecht van een advocaat in Nederland. Hiervan kunnen twee facetten worden onderscheiden, te weten het
legal litigation privilegeen het
legal advice privilege. Het eerste heeft betrekking op communicatie in het kader van een gevoerde of te voeren gerechtelijke procedure. Het tweede heeft betrekking op juridische adviezen, ook als die geen betrekking hebben op het voeren van een gerechtelijke procedure. [5] Het gaat daarbij steeds om communicatie tussen een cliënt en een
lawyer. Daaronder worden in beginsel alleen begrepen
solicitors, barristers en legal executives(dat zijn leden van het Chartered Institute of Legal Executives). [6]
in-house lawyerbegrijp, in Nederland wordt erkend, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten in HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760:
De Hoge Raad ziet aanleiding enkele opmerkingen te maken over de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden in strafzaken het verschoningsrecht toe kan komen aan een in Nederland of elders ingeschreven advocaat die in dienst is van een werkgever en binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en van wie de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk.
(…)
De kring van advocaten die een beroep kunnen doen op het verschoningsrecht4.4.1
Ook in strafzaken geldt dat aan een advocaat het verschoningsrecht niet kan worden ontzegd op de enkele grond dat hij in dienstbetrekking is. Wel zal moeten blijken dat ten aanzien van de praktijkuitoefening door de onder 4.1 bedoelde advocaat de waarborgen in acht zijn genomen met betrekking tot een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels.
4.4.2
Een advocaat die in Nederland overeenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro staat ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten, kan de praktijk uitoefenen in dienst van een andere werkgever zoals bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onder g, Voda [Verordening op de advocatuur, MvW], zolang de advocaat binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk. Met het oog op een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat zijn deze werkgever en de werknemer (de advocaat) gehouden een professioneel statuut – gelijk aan het daartoe op grond van artikel 5.12 lid 3 Voda opgestelde en in de Regeling op de advocatuur neergelegde model – te ondertekenen, waarin de rechten en verplichtingen van werkgever en werknemer zijn neergelegd. Artikel 5.12 lid 1 Voda stelt het beschikken door de advocaat over dit statuut als (aanvullende) voorwaarde voor het kunnen uitoefenen door de advocaat van de praktijk in dienstverband. Aan deze advocaat komt – in relatie tot de werkzaamheden die hij in verband met de uitoefening van de rechtspraktijk heeft verricht ten behoeve van deze werkgever – alleen het verschoningsrecht toe als hij bij het verrichten van de werkzaamheden over dit statuut beschikt.
4.4.3
Onder de in de Advocatenwet gestelde voorwaarden kunnen andere dan in Nederland ingeschreven advocaten werkzaamheden bij wijze van dienstverrichting uitoefenen, dan wel in Nederland onder de oorspronkelijke beroepstitel permanent werkzaam zijn. Die voorwaarden zijn uitgewerkt in § 2a respectievelijk § 2b van de Advocatenwet. Het gaat hierbij telkens om personen die niet overeenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten als advocaat in Nederland zijn ingeschreven, maar die wel in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland gerechtigd zijn hun beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder de benaming advocaat of een daarmede overeenkomstige benaming in de taal of in een van de talen van de staat van herkomst (artikel 16b respectievelijk artikel 16h lid 1 Advocatenwet).
De verdere voorwaarden voor het bij wijze van dienstverrichting uitoefenen van werkzaamheden door deze andere dan in Nederland ingeschreven advocaten – in artikel 16c Advocatenwet aangeduid als ‘bezoekende advocaten’ – komen erop neer dat de voor in Nederland ingeschreven advocaten geldende beroepsregels in acht moeten worden genomen (artikel 16d lid 2 Advocatenwet en artikel 16f Advocatenwet; in de laatstgenoemde bepaling wordt daarbij bepaald dat deze beroepsregels alleen toepasselijk zijn “voor zover zij kunnen worden nageleefd door een advocaat die niet in Nederland is gevestigd en de naleving ervan objectief gerechtvaardigd is ten einde in Nederland de behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden van advocaten, de waardigheid van het beroep en de inachtneming van de bedoelde regels inzake onverenigbaarheid te verzekeren”). Voor degene die in Nederland onder de oorspronkelijke beroepstitel permanent werkzaam is en die zich daartoe op grond van artikel 16h lid 1 Advocatenwet heeft laten inschrijven, geldt op grond van artikel 16k lid 1 Advocatenwet dat hij voor alle werkzaamheden die hij in Nederland uitoefent aan dezelfde beroeps- en gedragsregels en aan dezelfde voorwaarden is onderworpen als een advocaat die overeenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten in Nederland is ingeschreven.
Een en ander brengt met zich dat een persoon die op grond van § 2a respectievelijk § 2b van de Advocatenwet is gerechtigd in Nederland werkzaamheden te verrichten, moet beschikken over het in artikel 5.12 lid 1 Voda bedoelde statuut, voor zover het daarbij gaat om de uitoefening van de praktijk in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onder g, Voda. Aan die persoon komt – in relatie tot de juridische dienstverlening die hij in zijn hoedanigheid van advocaat heeft verricht ten behoeve van deze werkgever – alleen het verschoningsrecht toe als hij ten tijde van de werkzaamheden over dit statuut beschikt. Aan dit vereiste wordt ook voldaan als deze persoon kan aantonen dat hij beschikt over een naar het recht van het land van herkomst gesloten overeenkomst met de werkgever, die weliswaar niet volledig gelijk is aan het daartoe op grond van artikel 5.12 lid 3 Voda opgestelde en in de Regeling op de advocatuur neergelegde model, maar wel gelijkwaardige garanties biedt voor een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat.
4.4.4
In andere gevallen – dat wil zeggen: gevallen waarin de beroepsbeoefenaar niet in Nederland als advocaat is ingeschreven en ook niet werkzaamheden heeft verricht op de wijze zoals onder 4.4.3 besproken – geldt dat het verschoningsrecht alleen in Nederland kan worden ingeroepen ten aanzien van werkzaamheden als advocaat, als (i) deze buitenlandse advocaat naar het recht van het land van herkomst in relatie tot de betreffende werkzaamheden verschoningsgerechtigd is, en (ii) gesteld dat die werkzaamheden in Nederland zouden zijn verricht door een in Nederland ingeschreven advocaat, het verschoningsrecht eveneens zou kunnen worden ingeroepen. Wanneer het dan gaat om werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onder g, Voda, komt aan de betreffende persoon alleen het verschoningsrecht toe als een overeenkomst bestaat met de werkgever die gelijkwaardige garanties biedt voor een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat als het in artikel 5.12 lid 1 Voda bedoelde statuut. Het is aan de betreffende beroepsbeoefenaar om genoegzaam aan te tonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan en zo nodig zorg te dragen voor de vertaling van de daartoe benodigde stukken.”