ECLI:NL:PHR:2026:362

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
25/01196
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a SvArt. 218 SvArt. 8 EVRMArt. 1 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op verschoningsrecht voor human rights lawyer bij internationale organisatie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland die het klaagschrift van de klager ongegrond verklaarde. De klager, werkzaam als director en legal expert bij een internationale kinderrechtenorganisatie, werd verdacht van ernstige strafbare feiten. Tijdens het onderzoek werden diverse digitale gegevensdragers in beslag genomen. De klager stelde dat hem een (afgeleid) verschoningsrecht toekwam vanwege zijn functie als human rights lawyer, waardoor het beslag onrechtmatig zou zijn.

De rechtbank en rechter-commissaris oordeelden dat de klager geen zelfstandig of afgeleid verschoningsrecht toekomt, omdat hij niet als advocaat of gelijkgestelde beroepsbeoefenaar is ingeschreven en zijn werkzaamheden niet materieel gelijk te stellen zijn aan die van een advocaat. Het beroep op het Engelse recht en het bredere begrip van legal professional privilege werd niet gevolgd, mede omdat het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat van de EU of EER is.

De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en benadrukt dat het verschoningsrecht beperkt is tot beroepsbeoefenaren die op grond van hun ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn en dat een afgeleid verschoningsrecht slechts kan worden aangenomen indien aannemelijk is dat de betrokkene daadwerkelijk als zodanig functioneert. De enkele stelling dat de klager verantwoordelijk is voor advocaten binnen de organisatie is onvoldoende. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep op een (afgeleid) verschoningsrecht wordt afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01196 Bv
Zitting7 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de klager.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 31 maart 2025 het klaagschrift van klager ongegrond verklaard Dit beklag was gericht tegen een op 10 december 2024 op grond van art. 98 lid 3 Sv Pro genomen beslissing van de rechter-commissaris in die rechtbank.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/01195 B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.J.J. Zwaan en J.W.D. Roozemond, beiden advocaat in Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
De klager wordt verdacht van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, zware mishandeling en bedreiging van een vrouw. In het onderzoek naar deze verdenking heeft de politie onder andere twee iPhones, een MacBook en een iPad in beslag genomen. Op 6 augustus 2024 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen dit beslag op grond van art. 552a Sv.
2.2
De enkelvoudige raadkamer heeft dit klaagschrift behandeld op 15 oktober 2024. De raadkamer heeft aldaar de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om een beslissing te nemen op grond van art. 98 Sv Pro. Kort gezegd lag aan deze verwijzing ten grondslag dat de klager zich beroept op een hem toekomend, al dan niet afgeleid, verschoningsrecht.
2.3
Dit heeft geleid tot een beslissing van de rechter-commissaris van 10 december 2024, inhoudende het oordeel dat de klager een dergelijk verschoningsrecht niet heeft. Op 23 december 2024 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen deze beslissing op grond van art. 98 lid 3 en Pro 4 jº 552a Sv.
2.4
De twee klaagschriften zijn (wederom) door de enkelvoudige raadkamer behandeld op 17 maart 2025. Vervolgens heeft de raadkamer op de twee klaagschriften afzonderlijk beslist en beide ongegrond verklaard. Cassatie is ingesteld tegen zowel de beschikking over het klaagschrift tegen het beslag (de samenhangende zaak met kenmerk 25/01195 B) als tegen de beschikking over het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris (deze zaak met kenmerk 25/01196 Bv). Kort gezegd keren de stellers van de middelen zich in de eerste zaak tegen het oordeel van de rechtbank over de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag en in de tweede zaak tegen het oordeel over het verschoningsrecht.

3.Procesverloop

3.1
Op 1 oktober 2024 heeft de raadsman van de klager in een e-mail zijn standpunt over het verschoningsrecht als volgt toegelicht:
“Geachte officier,
In de bijlage bij deze e-mail treft u een verklaring aan van [A] . Daarin wordt verwezen naar de website van [A] ( [internetsite 1] ). Uit deze website blijkt dat cliënt een “human rights lawyer” is. Ik verwijs u ook nog naar een officiële website van de Engelse regering: [internetsite 2] , waaruit kan worden afgeleid dat cliënt verbonden is aan het [A] .
[A] voert regionale en internationale mensenrechtenprocedures. Daarbij wordt gewerkt met eigen in house legal counsel alsook met extern ingehuurde advocaten. Cliënt als human rights lawyer en director betrokken bij deze procedures en heeft daardoor in ieder geval afgeleid verschoningsrecht. Ook de communicatie tussen [A] en de externe advocaten valt onder het verschoningsrecht, omdat [A] (en cliënt als vertegenwoordiger daarvan) cliënt is.
Voorts merk ik op dat cliënt het woord lawyer gebruikt. Wij zijn snel geneigd om dat te vertalen naar het Nederlandse woord advocaat. Echter, het woord Lawyer omvat in Engeland en Wales meer dan alleen Sollicitors en Barristers. Ook andere juridische professionals kunnen worden aangeduid als lawyer. De legal professional privilege omvat dientengevolge een grotere groep legal professionals dan alleen de Barristers en Sollicitors.
Cliënt valt wat mij betreft daarom ook gewoon onder het verschoningsrecht, hetgeen beschermt wordt door artikel 8 EVRM Pro. Uit verschillende uitspraken van het EHRM blijkt dat procedures voor geheimhouders moeten zijn voorzien bij wet en dat die procedures ook moeten worden gevolgd omdat anders sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro. In dit geval zijn niet de wettelijke procedures gevolgd die gelden voor geheimhouders. Dat maakt wat mij betreft dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro en dat de inbeslagname al onrechtmatig is.”
3.2
De bedoelde verklaring van [A] van 5 augustus 2024 luidt:
“ [klager] (…) is a Trustee for [A] ( [A] ). More information about his background for this voluntary role on the [A] Council can be found Communications between [A] and [klager] inciude confidential information.”
3.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 15 oktober 2024, waarin het eerste klaagschrift van 6 oktober 2024 aan de orde was, houdt onder andere het volgende in [1] :

Het verschoningsrechtDe verdedigingDe raadsman heeft in het klaagschrift verder aangevoerd dat de inbeslagneming niet proportioneel is omdat uit het politieverhoor blijkt dat klager zich bezighoudt meer zeer gevoelige mensenrechtenkwesties bij het [A] (hierna: [A] ) in Engeland. Hij is daar directeur en legal expert. Er is mogelijk sprake van een (afgeleid) verschoningsrecht. Klager beschikt over informatie die per definitie juridisch en politiek zeer gevoelig is, zoals onder andere informatie over de conflicten in Oekraïne en Palestina. Het belang van klager om zijn gevoelige gegevens te beschermen moei in dit geval zwaarder wegen dan het belang van strafvordering.
De raadsman heeft ter zitting een verklaring van 5 augustus 2024 van het [A] overgelegd en heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris dient te worden ingeschakeld voordat wordt overgegaan tot het onderzoeken van de digitale gegevensdragers van klager.
De officier van justitieDe officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat zij van de zaaksofficier heeft vernomen dat de politie nog bezig is met het onderzoek, dat dit vanwege hetgeen door de verdediging is aangevoerd zorgvuldig moet gebeuren en dat er niet zomaar een kopie kan worden gemaakt van de inhoud van de digitale gegevensdragers. De rechter-commissaris is nog niet betrokken bij de inbeslagneming maar de zaaksofficier zal van het verzoek van de verdediging op de hoogte worden gesteld.
Tussenconclusie ten aanzien van het verschoningsrechtDe raadkamer verwijst met betrekking tot inbeslagneming bij geheimhouders naar artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In het eerste lid is bepaald dat de rechter-commissaris bevoegd is daarover te beslissen.
Uit het arrest van 8 november 2016 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2537) blijkt dat toepassing van artikel 98 Sv Pro met zich brengt dat het eerst aan de rechter-commissaris is om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van gegevens die zijn opgeslagen op de gegevensdragers. Als de rechter-commissaris beslist dat inbeslagneming (wel) is toegestaan staat daartegen op grond van artikel 98 lid 3 en Pro 4 Sv beklag open op grond van artikel 552a Sv.
De raadkamer overweegt dat klager al een klaagschrift heeft ingediend vóórdat de rechter-commissaris is ingeschakeld Nu klager zich met betrekking tot de gegevens die op de inbeslaggenomen gegevensdragers zijn opgeslagen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen dient de beslissing van de rechter-commissaris daaromtrent eerst te worden afgewacht.
De behandeling van het klaagschrift zal daarom worden aangehouden en de stukken zullen in handen van de rechter-commissaris worden gesteld.
Schorsing en verwijzing naar de rechter-commissarisDe raadkamer:
(…)- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde een beschikking te geven op grond van artikel 98. eerste lid, Sv.”
3.4
De betreffende beslissing van de rechter-commissaris van 10 december 2024 vermeldt onder andere het volgende:
“In aanvulling op het ingediende klaagschrift heeft de raadsman per e-mail op 6 augustus 2024 een verklaring overlegd van [A] . Daarin wordt verwezen naar de website van [A] ( [internetsite 1] ). Uit deze website blijkt dat verdachte een "human rights lawyer" is. De raadsman verwijst ook naar een website van de Engelse regering waaruit kan worden afgeleid dat verdachte verbonden is aan het [A] . [A] voert regionale en internationale mensenrechtenprocedures. Verdachte is als human rights lawyer en director betrokken bij deze procedures en heeft daardoor in ieder geval een afgeleid verschoningsrecht.
De legal professional privilege omvat een grotere groep legal professionals dan alleen de Barristers en Sollicitors en verdachte valt wat de raadsman betreft daarom onder het verschoningsrecht; hetgeen beschermt wordt door artikel 8 EVRM Pro. De procedures voor geheimhouders moeten hier worden gevolgd, omdat anders sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro. In dit geval zijn niet de wettelijke procedures gevolgd die gelden voor geheimhouders. Dat maakt wat de raadsman betreft dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro en dat de inbeslagname al onrechtmatig is. (…) De raadsman verzoekt dan ook om de gegevensdragers terug te geven en deze niet te doorzoeken.
Aanvullend heeft de raadsman op 28 oktober 2024 per e-mail een reactie gestuurd inhoudend dat uit de brief van het [A] en de verwijzing naar de overheidswebsite voldoende de functie van zijn verdachte blijkt.
De officier van justitiestelt dat de strafbare feiten in Nederland zijn begaan. Het Openbaar Ministerie gaat m.b.t. het verschoningsrecht dan ook uit van het Nederlands recht en de Nederlandse rechtspraak. Primair is een beslissing door een rechter-commissaris niet aan de orde, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte geheimhouder is en hij wisselend over zijn functie heeft verklaard. Verder zal het Openbaar Ministerie zich niet verzetten als de rechter-commissaris de gegevensdragers controleert op geheimhouders informatie. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat op de betreffende gegevensdragers informatie staat die het werk van verdachte raken, laat dat onverlet dat het - zoals gezegd - onvoldoende aannemelijk is dat verdachte een geheimhouder is. De conclusie van het Openbaar Ministerie is dan ook dat het onvoldoende aannemelijk is dat er op de betreffende devices daadwerkelijk informatie wordt aangetroffen die onder het verschoningsrecht valt.
BeoordelingHet gaat in dit stadium van de zaak over de vraag of verdachte vanwege zijn beroep als geheimhouder een verschoningsrecht toekomt. In artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de rechter-commissaris beslist over inbeslagneming van brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt van een persoon met bevoegdheid tot verschoning. Voor het uitlezen van gegevensbestanden, als in dit geval de twee telefoons, Ipad en Macbook, geldt dit eveneens.
Voor wie de bevoegdheid tot verschoning geldt en geheimhouder is, sluit de regeling aan bij artikel 218 Sv Pro. Hieruit volgt dat bepaalde beroepsuitoefenaars op grond van hun geheimhoudingsplicht een verschoningsrecht toekomt. Uitgangpunt daarvoor is dat degeheimhouding noodzakelijk is en de onbelemmerde uitoefening van dat beroep zwaarder weegt dan waarheidsvinding. Binnen de juridische hulpverlening komt een advocaat dit recht toe. Voor de overige juridische hulpverlening kan dit gelden als men gelijk te stellen is aan een advocaat. Zo wordt dit voor buitenlandse beroepen als bijvoorbeeld sollicitors en barristers wel erkend, maar is de jurisprudentie voor andere juridische beroepen terughoudend. Als niet sprake is van een homogene groep, een wettelijke taak ontbreekt en de beroepsgroep vrij toegankelijk is, wordt het verschoningsrecht in de regel niet aangenomen.
Gelet op deze maatstaf komt de verdachte naar het oordeel van rechter-commissaris dan ook geen verschoningsrecht toe. Immers, niet gebleken is dat hij ingeschreven is als advocaat of als een gelijk te stellen beroepsuitoefenaar in het buitenland. Uitgaande van zijn functie als directeur en legal expert van [A] kan objectief niet worden aangenomen dat het beroep van verdachte materieel gelijk te stellen is aan dat van een advocaat die als geheimhouder heeft te gelden. Van een afgeleid verschoningsrecht is voor verdachte dan ook geen sprake.
Hieruit volgt dat het beroep van verdachte op het verschoningsrecht niet slaagt. Een beslissing over de teruggave van de betreffende gegevensdragers is om die reden dan ook niet verder aan de rechter-commissaris.
De rechter-commissaris zal een afschrift van deze beslissing aan de raadkamer zenden die het onderzoek voor onbepaalde tijd heeft geschorst.
De rechter-commissaris merkt nog op dat deze beslissing is genomen in het kader van het verzoek tot teruggave van de gegevensdragers na de schorsing door de raadkamer. Hier los van staat maar wel nauw mee verweven is, de vraag naar het onderzoek aan de betreffende goederen. De rechter-commissaris wijst op de termijn van 14 dagen van artikel 98 lid 3 Sv Pro (zie ook onder aan deze beslissing) en dat het aan het de officier van justitie is of tot een onderzoek wordt overgegaan die een nadere beslissing van de rechter-commissaris vraagt.”
3.5
Tegen deze beslissing heeft de klager op 23 december 2024 een klaagschrift ingediend. Dit klaagschrift luidt, voor zover relevant, als volgt (met weglating van voetnoten):
“5. Cliënt is van mening dat hij geheimhouder is. Cliënt meent dat hem op grond daarvan verschoningsrecht toekomt. (…)
Verschoningsrecht7. De vraag die in dit klaagschrift voorligt, is of de devices van cliënt in beslag hadden mogen worden genomen en in het verlengde daarvan of deze dienen te worden teruggegeven aan cliënt. (…)
14. Cliënt is, zoals reeds opgemerkt, director en legal Expert bij [A] . [A] is een kinderrechtenorganisatie die op alle fronten bijstand levert ter verbetering van kinderrechten. Dat varieert van onderzoek, advisering tot het verlenen van juridische bijstand aan bijvoorbeeld activisten. Naast de advocaten die [A] zelf in dienst heeft, heeft [A] wereldwijd een zeer uitgebreid netwerk van verschillende advocatenkantoren, waarmee ze samenwerken.
15. De rechter-commissaris heeft beslist dat aan cliënt, in bovengenoemde hoedanigheid, geen verschoningsrecht toekomt. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze beslissing onjuist is.
16. Zoals ik reeds eerder heb opgemerkt is het verschoningsrecht in het Verenigd Koninkrijk ruimer geformuleerd dan in Nederland. In het Verenigd Koninkrijk heb je naast de Litigation privilege ook de Legal Advice Privilege. Daaronder valt niet alleen de communicatie met “externe" lawyers, maar ook de communicatie met inhouse lawyers. Op basis daarvan meent de verdediging dat aan cliënt een zelfstandig functioneel verschoningsrecht komt.
17. Indien uw rechtbank daarover anders denkt, heeft cliënt een afgeleid verschoningsrecht. Ik heb hiervoor reeds de jurisprudentie van de Hoge Raad aangehaald met betrekking tot het afgeleide verschoningsrecht. Ik heb door middel van de website van [A] aan uw rechtbank laten zien dat er bij [A] lawyers werken die daadwerkelijk rechtsbijstand verlenen. Cliënt is als director en legal expert verantwoordelijk voor deze lawyers. Daarmee heeft hij een afgeleid verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft in haar beslissing niet toegelicht waarom het afgeleide verschoningsrecht niet van toepassing kan zijn in onderhavig geval.
18. De verdediging stelt zich derhalve primair op het standpunt dat cliënt functioneel verschoningsgerechtigde is en subsidiair een afgeleid verschoningsrecht heeft. In beide gevallen verzet het verschoningsrecht zich tegen de inbeslagname van de devices.”
3.6
De bestreden beschikking van de rechtbank houdt onder andere het volgende in (met weglating van een voetnoot):

BeoordelingDe vraag die de raadkamer moet beantwoorden is of klager een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt. De raadkamer overweegt het volgende.
In artikel 218 Sv Pro is een verschoningsrecht neergelegd voor degenen die uil hoofde van hun ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Daarmee vormt het professionele verschoningsrecht, dat waarborgt dat de essentiële hulpverleningstaak in onze rechtsstaat kan worden uitgevoerd, een belangrijk onderdeel van ons rechtsstelsel.
In artikel 218 Sv Pro staat dat het verschoningsrecht beperkt is tot hen, die op grond van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn. Het artikel geeft geen verdere opsomming van de categorieën van personen aan wie een beroep op het in die bepaling bedoelde verschoningsrecht toekomt. De wetgever heeft dus de nodige ruimte gelaten voor het al dan niet erkennen van dat recht in concrete situaties. De rechter moet er bij de afweging aan de ene kant voor waken dat een te ruime erkenning de waarheidsvinding in strafzaken ernstig zou kunnen frustreren. Aan de andere kant zijn bepaalde vormen van hulpverlening, waarop mensen die in moeilijke situaties verkeren vertrouwen, zo belangrijk dat het belang van de waarheidsvinding in strafzaken daarvoor moet wijken.
In de loop der jaren is algemeen erkend dat de advocaat, geneeskundige, geestelijke en notaris, in de literatuur ook wel ‘het klassieke kwartet’ genoemd, in elk geval verschoningsgerechtigd zijn. De Hoge Raad is terughoudend met hel toekennen van een verschoningsrecht aan anderen.
Rechtshulp kan in beginsel door een ieder worden verleend, zelfstandig of in dienst van een organisatie. Het aanmerken van al deze hulpverleners als verschoningsgerechtigde zou niet stroken met het uitzonderingskarakter van het verschoningsrecht. In beginsel moet aan andere rechtshulpverleners dan aan advocaten en notarissen het verschoningsrecht dan ook worden ontzegd, tenzij is gebleken dat hun beroep materieel is gelijk te stellen aan dat van een advocaat.
Uit de namens klager overgelegde informatie blijkt niet dat hij is ingeschreven als advocaat of als een daaraan gelijk te stellen beroepsbeoefenaar in Engeland (barrister of solicitor). Ook blijkt uit de namens hem overgelegde informatie onvoldoende dat zijn werkzaamheden als directeur en ‘legal expert’ (materieel) zijn gelijk te stellen aan die van een advocaat die als geheimhouder heeft te gelden. De raadkamer is het dan ook met de rechter-commissaris eens dat klager geen zelfstandig verschoningsrecht toekomt.
De raadkamer is evenmin van oordeel dat klager een afgeleid verschoningsrecht heeft. De raadkamer overweegt daartoe het volgende.
Het verschoningsrecht van een advocaat kan zich uitstrekken tot personen die werkzaamheden voor een advocaat verrichten, zoals een door de advocaat ingeschakelde deskundige aan wie iets wordt toevertrouwd wat onder het verschoningsrecht van de advocaat valt. Deze personen kunnen zich op een afgeleid verschoningsrecht beroepen. Dat klager door (externe of ‘inhouse') advocaten is ingeschakeld als deskundige, is gesteld noch gebleken. Namens klager is wel gesteld, maar niet onderbouwd, dat hij verantwoordelijk is voor de advocaten binnen het [A] . De enkele stelling dat klager ‘verantwoordelijk is’ voor advocaten binnen een organisatie is echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een afgeleid verschoningsrecht.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”

4.Het middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor het aannemen van een (afgeleid) verschoningsrecht. In aansluiting hieraan wordt geklaagd dat de rechtbank niet heeft beslist op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, te weten het beroep op verschoningsrecht naar Engels recht en de stelling dat klager als
director/legal expertwerkzaamheden verrichtte voor en in samenwerking met geheimhouders.
Opmerkingen over de procedure en het onderwerp in cassatie
4.2
Voor een goede duiding van reikwijdte van zowel het ingediende cassatiemiddel als de beschikking van de rechtbank, ga ik eerst nader in op het onderscheid tussen enerzijds de gegevensdragers die in beslag zijn genomen en anderzijds de gegevens die zich op deze dragers bevinden. Aan zowel het cassatiemiddel als aan het klaagschrift ligt de opvatting ten grondslag dat het beslag op de gegevensdragers dient te worden opgeheven als de klager een beroep kan doen op een (afgeleid) verschoningsrecht. Dat lijkt mij echter niet juist.
4.3
Art. 98 Sv Pro bevat een regeling voor het leggen van beslag op “brieven of andere geschriften” die onder de geheimhoudingsplicht van een verschoningsgerechtigde vallen (lid 1). Kort gezegd houdt deze regeling in dat dergelijk beslag niet is toegestaan, tenzij deze brieven en geschriften het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben (lid 1 en 5). In de rechtspraak is verder aanvaard dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven de eerbiediging van het verschoningsrecht, ook betreffende datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd. [2] De rechter-commissaris beslist of beslagneming is toegestaan (lid 3) en tegen die beslissing is beklag mogelijk bij de rechtbank (lid 4).
4.4
Deze procedure dient ook te worden gevolgd in het geval van gegevens ten aanzien waarvan een beroep wordt gedaan op een verschoningsrecht en die zijn vastgelegd of die zich bevinden op in beslag genomen gegevensdragers. Als een klaagschrift is ingediend tegen dit beslag, dient de beklagrechter daarom eerst de rechter-commissaris te vragen een beslissing ex art. 98 lid 3 Sv Pro te nemen. [3] Zo niet, dan is de officier van justitie gehouden een vordering bij de rechter-commissaris in te dienen om een beslissing ex art. 98 lid 3 Sv Pro te nemen als dit noodzakelijk is met het oog op het waarborgen van het verschoningsrecht. Dat zal met name het geval zijn als de filtering van gegevens niet mogelijk is zonder inhoudelijke kennisneming van die gegevens. [4]
4.5
De beoordeling van het beroep op een (afgeleid) verschoningsrecht strekt zich dus niet uit tot de gegevensdrager als geheel, maar enkel tot de gegevens die zich daarop bevinden en die al dan niet onder de geheimhoudingsplicht van de verschoningsgerechtigde vallen. In dat licht bezien hebben de rechter-commissaris en de rechtbank kennelijk vastgesteld dat bij gebreke aan een (afgeleid) verschoningsrecht van de klager, zich ook geen gegevens kunnen bevinden op de dragers die onder
diensverschoningsrecht vallen. Het middel keert zich niet tegen deze vaststelling als zodanig, maar tegen het oordeel over het bestaan van het verschoningsrecht.
4.6
De stellingen van de klager zouden evenwel zo begrepen kunnen worden dat zich op de dragers mogelijk ook gegevens bevinden die vallen onder het verschoningsrecht van een advocaat en die de klager niet onder zich heeft als (afgeleid) verschoningsgerechtigde, maar als medewerker van de organisatie die de cliënt is van deze advocaat, dat wil zeggen de ontvanger is van diens rechtsbijstand. De rechtbank heeft het klaagschrift kennelijk niet aangemerkt als ook tegen kennisneming van deze gegevens te zijn gericht. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.
4.7
De opmerking van de rechter-commissaris in diens beslissing “dat het aan de officier van justitie is of tot een onderzoek wordt overgegaan die een nadere beslissing van de rechter-commissaris vraagt”, zou in het licht kunnen worden geplaatst van de genoemde stellingen van de klager. Deze stellingen, in de door mij genoemde zin begrepen, zouden immers de plicht met zich kunnen brengen voor de officier van justitie om een vordering aan de rechter-commissaris te doen om een nadere beslissing te nemen over de gegevens, met het oog op het waarborgen van het verschoningsrecht van de bedoelde advocaat.
Het eigen verschoningsrecht naar Engels recht
4.8
De klager heeft bij de rechtbank aangevoerd dat hij als “human rights lawyer” de functie van “director en legal expert” heeft bij een in Engeland gevestigde internationale kinderrechtorganisatie. Naar Engels recht kunnen volgens de klager ook binnen een organisatie werkzame “inhouse lawyers” een beroep doen op een verschoningsrecht op grond van
legal advice privilege.
4.9
In het rechtsstelsel van Engeland en Wales wordt het
legal professional privilegeerkend, dat kan worden vergeleken met het professionele verschoningsrecht van een advocaat in Nederland. Hiervan kunnen twee facetten worden onderscheiden, te weten het
legal litigation privilegeen het
legal advice privilege. Het eerste heeft betrekking op communicatie in het kader van een gevoerde of te voeren gerechtelijke procedure. Het tweede heeft betrekking op juridische adviezen, ook als die geen betrekking hebben op het voeren van een gerechtelijke procedure. [5] Het gaat daarbij steeds om communicatie tussen een cliënt en een
lawyer. Daaronder worden in beginsel alleen begrepen
solicitors, barristers en legal executives(dat zijn leden van het Chartered Institute of Legal Executives). [6]
4.1
Over de vraag onder welke voorwaarden het eventuele verschoningsrecht van een buitenlandse advocaat in dienstbetrekking, zoals ik een
in-house lawyerbegrijp, in Nederland wordt erkend, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten in HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760:
“4.1
De Hoge Raad ziet aanleiding enkele opmerkingen te maken over de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden in strafzaken het verschoningsrecht toe kan komen aan een in Nederland of elders ingeschreven advocaat die in dienst is van een werkgever en binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en van wie de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk.
(…)
De kring van advocaten die een beroep kunnen doen op het verschoningsrecht4.4.1
Ook in strafzaken geldt dat aan een advocaat het verschoningsrecht niet kan worden ontzegd op de enkele grond dat hij in dienstbetrekking is. Wel zal moeten blijken dat ten aanzien van de praktijkuitoefening door de onder 4.1 bedoelde advocaat de waarborgen in acht zijn genomen met betrekking tot een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels.
4.4.2
Een advocaat die in Nederland overeenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro staat ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten, kan de praktijk uitoefenen in dienst van een andere werkgever zoals bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onder g, Voda [Verordening op de advocatuur, MvW], zolang de advocaat binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk. Met het oog op een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat zijn deze werkgever en de werknemer (de advocaat) gehouden een professioneel statuut – gelijk aan het daartoe op grond van artikel 5.12 lid 3 Voda opgestelde en in de Regeling op de advocatuur neergelegde model – te ondertekenen, waarin de rechten en verplichtingen van werkgever en werknemer zijn neergelegd. Artikel 5.12 lid 1 Voda stelt het beschikken door de advocaat over dit statuut als (aanvullende) voorwaarde voor het kunnen uitoefenen door de advocaat van de praktijk in dienstverband. Aan deze advocaat komt – in relatie tot de werkzaamheden die hij in verband met de uitoefening van de rechtspraktijk heeft verricht ten behoeve van deze werkgever – alleen het verschoningsrecht toe als hij bij het verrichten van de werkzaamheden over dit statuut beschikt.
4.4.3
Onder de in de Advocatenwet gestelde voorwaarden kunnen andere dan in Nederland ingeschreven advocaten werkzaamheden bij wijze van dienstverrichting uitoefenen, dan wel in Nederland onder de oorspronkelijke beroepstitel permanent werkzaam zijn. Die voorwaarden zijn uitgewerkt in § 2a respectievelijk § 2b van de Advocatenwet. Het gaat hierbij telkens om personen die niet overeenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten als advocaat in Nederland zijn ingeschreven, maar die wel in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland gerechtigd zijn hun beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder de benaming advocaat of een daarmede overeenkomstige benaming in de taal of in een van de talen van de staat van herkomst (artikel 16b respectievelijk artikel 16h lid 1 Advocatenwet).
De verdere voorwaarden voor het bij wijze van dienstverrichting uitoefenen van werkzaamheden door deze andere dan in Nederland ingeschreven advocaten – in artikel 16c Advocatenwet aangeduid als ‘bezoekende advocaten’ – komen erop neer dat de voor in Nederland ingeschreven advocaten geldende beroepsregels in acht moeten worden genomen (artikel 16d lid 2 Advocatenwet en artikel 16f Advocatenwet; in de laatstgenoemde bepaling wordt daarbij bepaald dat deze beroepsregels alleen toepasselijk zijn “voor zover zij kunnen worden nageleefd door een advocaat die niet in Nederland is gevestigd en de naleving ervan objectief gerechtvaardigd is ten einde in Nederland de behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden van advocaten, de waardigheid van het beroep en de inachtneming van de bedoelde regels inzake onverenigbaarheid te verzekeren”). Voor degene die in Nederland onder de oorspronkelijke beroepstitel permanent werkzaam is en die zich daartoe op grond van artikel 16h lid 1 Advocatenwet heeft laten inschrijven, geldt op grond van artikel 16k lid 1 Advocatenwet dat hij voor alle werkzaamheden die hij in Nederland uitoefent aan dezelfde beroeps- en gedragsregels en aan dezelfde voorwaarden is onderworpen als een advocaat die overeenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten in Nederland is ingeschreven.
Een en ander brengt met zich dat een persoon die op grond van § 2a respectievelijk § 2b van de Advocatenwet is gerechtigd in Nederland werkzaamheden te verrichten, moet beschikken over het in artikel 5.12 lid 1 Voda bedoelde statuut, voor zover het daarbij gaat om de uitoefening van de praktijk in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onder g, Voda. Aan die persoon komt – in relatie tot de juridische dienstverlening die hij in zijn hoedanigheid van advocaat heeft verricht ten behoeve van deze werkgever – alleen het verschoningsrecht toe als hij ten tijde van de werkzaamheden over dit statuut beschikt. Aan dit vereiste wordt ook voldaan als deze persoon kan aantonen dat hij beschikt over een naar het recht van het land van herkomst gesloten overeenkomst met de werkgever, die weliswaar niet volledig gelijk is aan het daartoe op grond van artikel 5.12 lid 3 Voda opgestelde en in de Regeling op de advocatuur neergelegde model, maar wel gelijkwaardige garanties biedt voor een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat.
4.4.4
In andere gevallen – dat wil zeggen: gevallen waarin de beroepsbeoefenaar niet in Nederland als advocaat is ingeschreven en ook niet werkzaamheden heeft verricht op de wijze zoals onder 4.4.3 besproken – geldt dat het verschoningsrecht alleen in Nederland kan worden ingeroepen ten aanzien van werkzaamheden als advocaat, als (i) deze buitenlandse advocaat naar het recht van het land van herkomst in relatie tot de betreffende werkzaamheden verschoningsgerechtigd is, en (ii) gesteld dat die werkzaamheden in Nederland zouden zijn verricht door een in Nederland ingeschreven advocaat, het verschoningsrecht eveneens zou kunnen worden ingeroepen. Wanneer het dan gaat om werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onder g, Voda, komt aan de betreffende persoon alleen het verschoningsrecht toe als een overeenkomst bestaat met de werkgever die gelijkwaardige garanties biedt voor een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat als het in artikel 5.12 lid 1 Voda bedoelde statuut. Het is aan de betreffende beroepsbeoefenaar om genoegzaam aan te tonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan en zo nodig zorg te dragen voor de vertaling van de daartoe benodigde stukken.”
4.11
Omdat het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat is van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, bestaat voor advocaten in dienstbetrekking uit Engeland en Wales slechts een verschoningsrecht onder de voorwaarden van rov. 4.4.4 van dit arrest. [7] De eerste voorwaarde daarvoor is dat het gaat een “buitenlandse advocaat” die werkzaamheden verricht “als advocaat”.
4.12
De rechtbank heeft dan ook geenszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat niet is gebleken dat de klager “is ingeschreven als advocaat of als een daaraan gelijk te stellen beroepsbeoefenaar in Engeland (barrister of solicitor)” en dat ook niet is gebleken dat klagers “werkzaamheden als directeur en ‘legal expert’ (materieel) zijn gelijk te stellen aan die van een advocaat die als geheimhouder heeft te gelden.” Gelet op het uiteengezette toetsingskader heeft de rechtbank haar beslissing dat de klager geen verschoningsrecht toekomt en dat diens verweer moet worden verworpen, ook toereikend gemotiveerd.
Het afgeleide verschoningsrecht
4.13
Tegen het oordeel van de rechtbank dat de klager ook geen afgeleid verschoningsrecht toekomt, voeren de stellers van het middel als eerste aan dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij zou hebben overwogen dat uitsluitend personen die als deskundige werkzaamheden verrichten voor een advocaat een afgeleid verschoningsrecht toekomt.
4.14
Deze klacht berust echter op een onjuiste lezing van de beschikking en kan daarom niet slagen. De rechtbank geeft het werken als deskundige immers alleen als voorbeeld, waar zij overweegt: “Het verschoningsrecht van een advocaat kan zich uitstrekken tot personen die werkzaamheden voor een advocaat verrichten, zoals een door de advocaat ingeschakelde deskundige aan wie iets wordt toevertrouwd wat onder het verschoningsrecht van de advocaat valt.” Vervolgens heeft de rechtbank niet alleen onderzocht of de klager kan worden aangemerkt als een door een advocaat ingeschakelde deskundige, maar is zij ook ingegaan op de andere door de klager genoemde grondslag voor het bestaan van een afgeleid verschoningsrecht.
4.15
Over die betreffende overweging in de beschikking gaat de laatste klacht van het middel. Het oordeel van de rechtbank dat het voor een afgeleid verschoningsrecht onvoldoende is dat de klager verantwoordelijk is voor de advocaten binnen een organisatie, is volgens de klager onbegrijpelijk.
4.16
Echter ook deze klacht berust op een onjuiste lezing van de beschikking. De rechtbank heeft immers niet beslist dat het ‘verantwoordelijk zijn voor advocaten’ niet een afgeleid verschoningsrecht in het leven zou kunnen roepen. Het oordeel van de rechtbank houdt in dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat de klager daadwerkelijk verantwoordelijk is voor advocaten. De rechtbank overweegt immers dat het slechts een niet-onderbouwde stelling is dat de klager deze verantwoordelijkheid heeft en dat een dergelijke enkele stelling onvoldoende is. Over dit aannemelijkheidsoordeel zelf wordt niet geklaagd, zodat ook dit onderdeel van het middel niet kan slagen.

5.Afronding

5.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het proces-verbaal vermeldt dat de klager niet is verschenen, maar zwijgt over de aanwezigheid van een officier van justitie en een advocaat. Uit de inhoud van het proces-verbaal is hun aanwezigheid echter wel af te leiden.
2.O.a. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.2.3.
3.Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960 en HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223.
4.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:377.
5.N.A.M.E.C. Fanoy,
6.Ibidem, p. 340.
7.Volgens de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds,