ECLI:NL:PHR:2026:390

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
24/02089
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 36g SvArt. 416 SvArt. 2 Opiumwet
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid betekening oproeping en verstekverklaring verdachte in hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hij niet op de juiste wijze zou zijn opgeroepen. De zaak betreft een veroordeling wegens opzetheling en overtreding van de Opiumwet, met een gevangenisstraf van zes weken.

De oproeping was aangeboden op een adres in Nederland dat als feitelijke woon- of verblijfplaats werd aangemerkt, maar niet uitgereikt omdat onduidelijk was of het adres bestond. Vervolgens werd de oproeping uitgereikt aan het Openbaar Ministerie en een afschrift naar dat adres verzonden. Het hof oordeelde dat de betekening rechtsgeldig was en verleende verstek tegen de verdachte.

In cassatie klaagt de verdachte dat de oproeping niet correct was betekend. De Procureur-Generaal stelt dat het hof terecht het adres als feitelijke verblijfplaats heeft aangemerkt en dat de procedurele stappen conform de wet zijn gevolgd. De Hoge Raad ziet geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid in het oordeel van het hof en verwerpt het cassatieberoep.

De zaak benadrukt de toepassing van artikel 36e Sv omtrent betekening aan de feitelijke woon- of verblijfplaats en de mogelijkheid van verstekverklaring bij niet-verschijnen na rechtsgeldige oproeping.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtsgeldigheid van de betekening en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens verstek.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02089
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2023 door het gerechtshof Den Haag, [1] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer , heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte, omdat hij niet op de juiste wijze zou zijn opgeroepen op het adres [a-straat 1] in [plaats] .
2.2
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam is de verdachte wegens 1. “opzetheling” en 2. “het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van voorarrest. Op 11 april 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter voornoemd. Het adres dat op de appelakte staat vermeld, is [a-straat 2] (dus niet [a-straat 1] ), [postcode 1] [plaats] .
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 oktober 2023 vermeldt onder meer het volgende:
“De verdachte, opgeroepen als:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
BRP-adres: [b-straat 1] , [postcode 2] [geboorteplaats] ,
is niet ter terechtzitting, verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer , die meedeelt dat hij waarneemt voor mr. P.M. Langereis, advocate te Zoetermeer .
De raadsman vraagt of een afschrift van de oproeping is verzonden naar de [a-straat 1] te [postcode 3] [plaats] , zoals door het hof bevolen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 juli 2023.
De voorzitter stelt vast dat de verdachte blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon, gedateerd 3 september 2023, sinds 18 oktober 2020 staat ingeschreven op het adres: [b-straat 1] , [postcode 2] [geboorteplaats] .
Op 4 september 2023 is de oproeping uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, waarna een afschrift daarvan als gewone brief is verzonden naar het op de oproeping vermelde adres in Polen. Voorts is op 4 september 2023 een vertaling van de oproeping verzonden naar dat adres.
Voorts stelt de voorzitter vast dat de akte van uitreiking vermeldt dat de oproeping op 13 september 2023 is aangeboden op de [a-straat 1] te [postcode 3] [plaats] , maar dat de oproeping niet is uitgereikt omdat het onduidelijk is of het vermelde adres bestaat.
Vervolgens is de oproeping met de akte teruggezonden naar de afzender en is op 25 september 2023 de oproeping uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie en is een afschrift verzonden naar het adres: [a-straat 1] te [postcode 3] [plaats] .
De voorzitter stelt vast dat de oproeping in hoger beroep op de juiste wijze is betekend.
De raadsman deelt mede dat hij door de verdachte niet uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
[…]
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. De verschenen raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer , die heeft aangegeven de zaak waar te nemen voor mr. P.M. Langereis, heeft medegedeeld niet door verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.4
Het toepasselijke wettelijk kader luidt voor zover hier van belang als volgt:
- Art. 36e leden 1-3 Sv
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
[…]
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
[…]
2°.indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
[…]
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
[…]
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.
3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
- Art. 36g lid 1 Sv
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”
2.5
Met betrekking tot de rangorde van de adressen merk ik op dat eerst aan artikel 36e lid 3 Sv kan worden toegekomen, nadat is vastgesteld dat de verdachte niet in Nederland is gedetineerd, niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP en van hem evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. [2]
2.6
De Hoge Raad heeft bepaald dat de vraag of een uit de stukken van het geding blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats zou kunnen gelden, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Wat betreft de appeldagvaarding kan als feitelijke woon- of verblijfplaats onder meer worden aangemerkt het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen. [3] De enkele omstandigheid dat van de verdachte in de BRP geen woon- of verblijfplaats bekend is, sluit niet uit dat het adres in de appelakte is vermeld met het oog op betekening van gerechtelijke mededelingen. [4]
2.7
Als de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt terwijl de dagvaarding op wettige wijze is uitgereikt, kan de rechter – behalve als sprake is van duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Indien aan de stukken of het verhandelde op de terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, moet het onderzoek op de terechtzitting – dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen – worden geschorst om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing moet in de regel plaatshebben als de verplichting tot vertaling van de dagvaarding niet is nageleefd. [5] Een andere reden om tot schorsing over te gaan kan gelegen zijn in de omstandigheid dat er uit het dossier een ander adres van de verdachte blijkt, waarnaar geen (afschrift van de) oproeping is verstuurd. [6]
2.8
Aan de hiervoor genoemde terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2023 zijn drie eerdere zittingen van het hof voorafgegaan, te weten op 11 januari 2023, 18 april 2023 en 18 juli 2023. Samengevat en voor zover hier relevant vermelden alle processen-verbaal als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] .
Volgens het proces-verbaal van de zitting van 11 januari 2023 heeft de (waarnemend) raadsman van de verdachte aldaar gesteld dat de dagvaarding niet op de juiste wijze is betekend. De voorzitter heeft vervolgens medegedeeld dat een dagvaarding had moeten worden verzonden naar [a-straat 2] in [plaats] in plaats van het adres [c-straat 1] in [plaats] (het kantooradres van de raadsman).
Op de zitting van 18 april 2023 is gebleken dat een oproeping op het adres [a-straat 2] achterwege is gelaten en is bevolen dat de verdachte daar (alsnog) wordt opgeroepen.
Op de zitting van 18 juli 2023 is gebleken dat er “opnieuw niet is gedagvaard op het adres dat is opgegeven door de verdachte, te weten:
[a-straat 1]” en is bevolen dat de verdachte daar wordt opgeroepen.
2.9
Zoals hiervoor weergegeven heeft de voorzitter ter terechtzitting van 11 oktober 2023 geconstateerd dat op de informatiestaat SKDB van 3 september 2023 als adres van de verdachte een adres in Polen staat vermeld, alwaar hij sedert 18 oktober 2020 staat ingeschreven. Vastgesteld is dat op 4 september 2023 de dagvaarding aan het OM is betekend en met een vertaling naar het bekende adres in Polen is verzonden.
2.1
Het hof heeft daarnaast het adres [a-straat 1] in [plaats] kennelijk aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte (in Nederland) als bedoeld in art. 36e lid 1 sub b aanhef en onder 2 Sv, zodat de oproeping op dat adres diende te worden betekend. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. [7] Blijkens de vaststellingen van het hof is de oproeping op het adres [a-straat 1] in [plaats]
aangeboden, maar niet
uitgereiktomdat onduidelijk was of het adres bestond. Na deze tevergeefse poging tot uitreiking is de oproeping uitgereikt aan het OM, waarna een afschrift verzonden is naar het adres [a-straat 1] in [plaats] .
2.11
Het vorenstaande brengt mee dat ’s hofs oordeel dat de betekening rechtsgeldig is, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Dat de oproeping niet is
uitgereikt, omdat de koerier niet heeft kunnen vaststellen dat het adres bestaat (op de akte is aangekruist ‘Het is onduidelijk of het vermelde adres bestaat’ met als toelichting: ‘A en B woning, niet duidelijk, geen naambordje’), maakt niet reeds dat het hof daarom gehouden was het onderzoek te schorsen teneinde de oproeping nogmaals te doen aanbieden op het adres [a-straat 1] dan wel een afhaalbericht daar achter te laten, [8] geen rechtsregel verplicht daartoe. [9] Art. 36e lid 2 onder b schrijft daarentegen voor dat als “geen uitreiking heeft kunnen geschieden” de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt aan, in dit geval, het OM. Dat is ook gebeurd. Daarbij wijs ik er ten slotte op dat – anders dan de steller van het middel het arrest kennelijk leest – het hof niet heeft ‘vastgesteld’ dat het adres niet bestaat, maar heeft ‘vastgesteld’ dat de akte van uitreiking zulks vermeldt.
2.12
Gelet op hetgeen ik hiervoor uiteengezet heb, heeft het hof niet ten onrechte verstek verleend tegen de verdachte, zodat het middel tevergeefs is voorgesteld.

3.Afronding

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 22-001041-22.
2.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.19.
3.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.24 en HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:919.
4.HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3320.
5.HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:962.
6.HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:506, rov. 2.10.
7.Raadpleging van het politieproces-verbaal van verhoor van de verdachte leert dat de verdachte heeft verklaard te wonen op dit adres.
8.Overigens is in zekere zin tegemoetgekomen aan de kennelijke wens van de steller van het middel om een afhaalbericht te doen achterlaten op het adres, nu naar dat adres een afschrift van de oproeping is gestuurd nadat de oproeping aan het OM was betekend.
9.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.18 onder verwijzing naar rov. 3.14.