Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Volgens het proces-verbaal van de zitting van 11 januari 2023 heeft de (waarnemend) raadsman van de verdachte aldaar gesteld dat de dagvaarding niet op de juiste wijze is betekend. De voorzitter heeft vervolgens medegedeeld dat een dagvaarding had moeten worden verzonden naar [a-straat 2] in [plaats] in plaats van het adres [c-straat 1] in [plaats] (het kantooradres van de raadsman).
Op de zitting van 18 april 2023 is gebleken dat een oproeping op het adres [a-straat 2] achterwege is gelaten en is bevolen dat de verdachte daar (alsnog) wordt opgeroepen.
[a-straat 1]” en is bevolen dat de verdachte daar wordt opgeroepen.
aangeboden, maar niet
uitgereiktomdat onduidelijk was of het adres bestond. Na deze tevergeefse poging tot uitreiking is de oproeping uitgereikt aan het OM, waarna een afschrift verzonden is naar het adres [a-straat 1] in [plaats] .
uitgereikt, omdat de koerier niet heeft kunnen vaststellen dat het adres bestaat (op de akte is aangekruist ‘Het is onduidelijk of het vermelde adres bestaat’ met als toelichting: ‘A en B woning, niet duidelijk, geen naambordje’), maakt niet reeds dat het hof daarom gehouden was het onderzoek te schorsen teneinde de oproeping nogmaals te doen aanbieden op het adres [a-straat 1] dan wel een afhaalbericht daar achter te laten, [8] geen rechtsregel verplicht daartoe. [9] Art. 36e lid 2 onder b schrijft daarentegen voor dat als “geen uitreiking heeft kunnen geschieden” de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt aan, in dit geval, het OM. Dat is ook gebeurd. Daarbij wijs ik er ten slotte op dat – anders dan de steller van het middel het arrest kennelijk leest – het hof niet heeft ‘vastgesteld’ dat het adres niet bestaat, maar heeft ‘vastgesteld’ dat de akte van uitreiking zulks vermeldt.