Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
fair balance-vereiste van artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM en in het bijzonder dat, in het geval artikel 370 lid 2 Fw Pro het nemen van regres na homologatie in de weg zou staan, dit een inbreuk op het eigendomsrecht oplevert. De wetgever heeft de inbreuk op het recht van (in dit geval) de bank, zoals vastgelegd in artikel 370 lid 2 Fw Pro, noodzakelijk geacht voor het algemeen belang; voorkomen dat de schuldenaar na homologatie alsnog insolvent raakt door uitwinning van regresvorderingen. Het ligt dan op de weg van ABN aannemelijk te maken dat, vanwege de concrete omstandigheden van dit specifieke geval een disproportionele inbreuk dreigt. Dergelijke concrete omstandigheden zijn niet gesteld, noch gebleken, zodat het beroep op artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM niet slaagt.
no creditor worse off-beginsel). ABN AMRO zou in dit geval slechter af zijn, omdat zij zich bij een faillissement van Noodlebar c.s. op de geblokkeerde creditsaldi zou kunnen verhalen (rov. 4.7-4.8.6).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
no creditor worse off-beginsel. De rechtbank kan een verzoek tot homologatie daarom afwijzen als een schuldeiser of aandeelhouder op basis van het akkoord slechter af is dan bij vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement (art. 384 lid 3 Fw Pro). Voorts geldt de
absolute priority rule, inhoudende, kort gezegd, dat bij de verdeling van de waarde die met het dwangakkoord wordt gerealiseerd, niet ten nadele van een klasse die niet heeft ingestemd met het akkoord, kan worden afgeweken van de rangorde bij verhaal op het vermogen van de schuldenaar volgens de wet of een contract, tenzij voor de afwijking een redelijke grond bestaat en de betrokken schuldeisers of aandeelhouders door de afwijking niet in hun belang worden geschaad (art. 384 lid Pro 4, onder b, Fw). [16] Het
no creditor worse off-beginsel is een belangrijk gezichtspunt bij de uitleg van de WHOA. [17]
deal certainty’.Daarbij is onder meer gedacht aan onzekerheid over de vraag of het akkoord dat voorligt in aanmerking komt voor homologatie door de rechter. Zoals blijkt uit de tekst art. 378 lid 1 Fw Pro, bevat die bepaling een niet-limitatieve opsomming van de kwesties die kunnen worden voorgelegd. [18]
third party releasegenoemd. [20] De toelichting op deze bepaling was echter veel beperkter over de bedoeling daarvan. Volgens de toelichting was die bedoeling namelijk (uitsluitend?) om tegemoet te komen aan de wens om de herstructurering van een groep in een keer af te wikkelen. Opgemerkt werd:
debt-for-equity-swap»). Dit is geregeld in de eerste zin van het tweede lid.
no creditor worse off-beginsel en de eveneens hiervoor in 3.6 genoemde
absolute priority rule. Zoals hiervoor in 3.17 laatste alinea al opgemerkt, kan de regresnemer in het stelsel van de WHOA niet stemmen over een akkoord, niet opkomen tegen de homologatie van een akkoord en dus (in die stadia) geen beroep doen op dit beginsel en deze regel, doordat hij normaal gesproken niet bij een akkoord is betrokken. Er zijn auteurs die deze uitkomst mede in strijd met art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM achten. [56]
no creditor worse off-beginsel, de
absolute priority ruleen overigens een stelsel waarin met de schuldeisers in beginsel overleg plaatsvindt, zij stemrecht hebben en zij zich bij de rechter tegen een homologatie van een akkoord kunnen verzetten – is zodanig groot dat een andere conclusie moeilijk te trekken lijkt. Het gaat als gezegd om de ontneming van een wezenlijke vermogenswaarde aan de derde. Daar komt bij dat het geval dat een regresvordering is gesecureerd door zekerheidsrechten, vrij veel voorkomt en het dus om een wezenlijk maatschappelijk belang gaat. Niet goed valt in te zien dat die waarde van rechtswege zou vervallen op grond van art. 370 lid 2 Fw Pro, in afwijking van al het voorgaande, zeker niet nu daaraan geen enkel woord is gewijd in de toelichting op deze bepaling. [61]
no creditor worse off-beginsel –, ligt het voor de hand dat toekomstige regresvorderingen die voortvloeien uit reeds bestaande rechtsverhoudingen, in afwijking van genoemd uitgangspunt dat een WHOA-akkoord alleen betrekking kan hebben op bestaande vorderingen, wel in een akkoord kunnen worden betrokken. Daarbij valt erop te wijzen dat de ratio van dat uitgangspunt is dat de mogelijkheid om toekomstige vorderingen te kunnen wijzigen een veel te grote aantasting van de rechten van wederpartijen bij overeenkomsten kan betekenen. [65] Die ratio speelt niet bij toekomstige regresvorderingen die voortvloeien uit reeds bestaande rechtsverhoudingen.
in kracht van gewijsde gegaanvonnis en die op grond van het gezag van gewijsde in
een ander gedingbindende kracht toekomt tussen partijen (art. 236 lid 1 Rv Pro). De passage waarin de kwalificatie voorkomt, gaat uitsluitend over de bindende werking die een bindende eindbeslissing in de procedure zélf heeft, als de uitspraak waarin zij is gegeven nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, wat dus ook de bindende werking is waar art. 378 lid 9 Fw Pro het oog op heeft. [81]
deal certaintyweinig terecht. Dit zou in belangrijke mate afbreuk doen aan de werking van de WHOA als effectief instrument om ondernemingen in staat te stellen hun schulden te herstructureren.
deal certaintyin het algemeen in het gedrang zou komen, valt niet in te zien. Voor zover dat in deze specifieke zaak achteraf bezien wel het geval zou zijn, bestaan daarvoor goede gronden, zoals uit het voorgaande volgt. Overigens blijkt niet, zoals ABN AMRO bij herhaling in de stukken heeft opgemerkt, dat haar regres op de aan haar verpande creditsaldi tot moeilijkheden voor Noodlebar c.s. heeft geleid.