Conclusie
inktcartridgesbestaat de binnenverpakking uit geseald plastic folie. Hierna zijn voorbeelden van zo’n binnenverpakking getoond.
lasercartridges(ook wel ‘toner’ genoemd) bestaat de binnenverpakking uit een tweedelig plastic omhulsel zoals hierna afgebeeld:
l’Oréal/eBay’ [5] . De desbetreffende overwegingen van het HvJEU (in de punten 74 t/m 83) komen er op neer dat er bij verkoop van een merkproduct zonder buitenverpakking een gegronde reden voor verzet bestaat in twee situaties, te weten:
look and feel’van de buitenverpakking draagt bij aan de reputatie en het imago van de HP-merken, en verhandeling zonder die buitenverpakking doet daar dus afbreuk aan;
Gebruik van oude cartridges (…)kaneen negatieve impact hebben op de printprestaties (…).’
Afhankelijk van hoe oud de onderdelen zijn,kunnenzich er bovendien elektrische problemen optreden (…).’
Gebruik van inktcartridges (ver) na de fabrieksgarantiedatumkandaardoor een negatieve impact hebben op de printervaring van de klant en kan zelfs het printsysteem beschadigen.’
Bij onjuiste opslag (zoals bij te hoge temperaturen)kande toner in de cartridge smelten.’
Oplichtersbedrijf. Stuurt originele HP cartridges in milieu verpakking. Dat wil zeggen dat de originele verpakking er af is gehaald om zo de uiterste verkoop datum van HP ontbreekt. Dan blijken de cartridges ver over de datum te zijn (dus half uitgedroogd). De cartridges van 123inkt droogt snel uit en lekken op den duur met gevaar voor je printer. (…)’.
ver over de datum’ was de conclusie heeft verbonden dat deze uitdroogt (‘
dus half uitgedroogd’). Reeds hierom kan in dit verband aan deze review geen betekenis worden gehecht. Datzelfde geldt, om dezelfde redenen, voor de in punt 143 ID weergegeven (maar niet bij productie 21 bij ID overgelegde) reactie van [reviewer 2], waarin deze onder meer schrijft dat ‘oudere inkt gaat uitdikken’. Ook dit lijkt eerder een algemene observatie dan een concrete constatering. Er is, kortom, door HP niet aannemelijk gemaakt dat er zelfs maar bij één enkele door DR geleverde HP-cartridge sprake was van een mindere kwaliteit, hoewel dat op haar weg lag.
Hoe bewaar ik een ongeopende cartridge?’ van de productie 31-website opgenomen bewaarvoorschriften, en evenmin uit de zinsnede uit de productie 36-website, dat een cartridge ‘
in gesloten verpakking langdurig houdbaar is indien deze op juiste wijze wordt bewaard’. Daaruit kan alleen worden opgemaakt dat bij niet-naleving van de bewaarvoorschriften de kwaliteit zou kunnen verslechteren, maar niet dat die voorschriften bij de bewaring van de door DR geleverde of te leveren HP-cartridges niet zijn of worden nageleefd, en ook niet dat bij niet-naleving daadwerkelijk kwaliteitsverlies optreedt. De zinsnede ‘
over het algemeen kunnen ongeopende inktpatronen tot wel twee jaar worden gebruikt’ onder de tweede kop in de productie 31-website ‘
Hoelang kan ik een ongeopende cartridge bewaren?’ biedt daarentegen op zichzelf beschouwd wel enige steun aan de bedoelde stelling van HP. Die zinsnede – die volgens DR wegens onjuistheid inmiddels is aangepast – wordt echter weer ontkracht door de passage daarna onder de derde kop in die website (‘
Wat als de houdbaarheidsdatum op mijn cartridge verstreken is?’) die er immers op neerkomt dat ook na de houdbaarheidsdatum van kennelijk twee jaar de (ongeopende) cartridge nog prima kan worden gebruikt. Al met al is ook met de productie 31-website en de productie 36-website niet in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de kwaliteit van cartridges daadwerkelijk na verloop van tijd verslechtert.
look and feel’-argument A wordt in herinnering gebracht (zie rov. 4.8) dat blijkens het ‘
l’Oréal/eBay’-arrest van afbreuk aan het imago sprake kan zijn wanneer de buitenverpakking bijdraagt aan de wijze waarop het door of vanwege de merkhouder gecreëerde imago wordt getoond en dat het aan de merkhouder staat om daarvan bewijs te leveren. In punt 78 van dat arrest is – naar het hof begrijpt: met instemming – verwezen naar de punten 71 t/m 74 van de conclusie van de advocaat-generaal (AG), waar het volgende is te lezen:
minder dure cosmetische producten’. De – volgens HP kenmerkende – trapeziumvormige buitenverpakking van de inktcartridges lijkt door de uitsparing aan de bovenkant vooral, of mede, te zijn bedoeld om de cartridge op een in oog springende plaats in een fysieke winkel te kunnen ophangen. Aan de stelling van HP, dat de kwaliteitsuitstraling grotendeels van de buitenverpakking moet komen, doet verder af dat zij daarvoor niet alleen die trapezoïde vorm met veelkleurige print gebruikt (voor de inktcartridges, zie rov. 1.b) maar ook tamelijk standaard rechthoekige vormen in eenvoudig karton (voor bepaalde tonercartridges en haar Instant Ink-cartridges). Dat HP de Instant Ink verpakkingen gebruikt in het kader van een abonnementsdienst, maakt dat niet anders. HP heeft – hoewel dat op haar weg lag – ook niet aangetoond, bijvoorbeeld aan de hand van marktonderzoeken [8] , dat de buitenverpakking bijdraagt aan het imago van de HP-cartridges en dat het verwijderen daarvan (dus) afbreuk doet aan de reputatie van de HP-merken. Dit alles overziend kan argument A niet worden aanvaard.
l’Oréal/eBay’-zaak heeft de AG het volgende geschreven:
benzisothiazolinonbevat en daarom in een daarbij behorende gevaarcategorie is ingedeeld, en wel in de lichtste categorie: ‘
kan een allergische huidreactie veroorzaken’;
online-aankopen, en meer in het bijzonder op het in artikel 6:230m lid 1 onder m BW geïmplementeerde voorschrift dat de handelaar voor het sluiten van de overeenkomst informatie moet verstrekken over onder andere commerciële garanties, voor zover van toepassing. DR heeft er hier tegenover terecht op gewezen dat bij
onlineverkoop de informatie op de buitenverpakking geen rol speelt omdat de (potentiële) koper daarmee die informatie niet voor het sluiten van de overeenkomst (leesbaar) onder ogen krijgt. Het weglaten van de buitenverpakking is voor artikel 6:230m lid 1 onder m BW-informatie dus niet relevant, zodat daarop geen reputatie-aantasting is te baseren.
bijvoorbeeld’ producten betreft die ongebruikt retour zijn gekomen, maar daarmee wordt de consument nog niet op de gedachte gebracht dat het ook om (zeer) oude recycle- of opkoopproducten zou kunnen gaan [10] . De verwijzing van DR naar producten die retour zijn gekomen suggereert dat het tamelijk recent geproduceerde producten betreft, terwijl dat lang niet altijd het geval is. In zoverre verstrekt DR BV dus misleidende informatie ten aanzien van de datum van fabricage, waardoor aannemelijk is dat de consument een besluit over de overeenkomst kan nemen (namelijk om de nieuwprijs te betalen), dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193c lid 1 onder b BW). Gelet hierop is vordering III toewijsbaar in dier voege dat DR BV wordt verboden [11] om originele HP-cartridges die zogenaamd retour zijn genomen (maar in feite uit recyclebakken of de opkoop komen) aan te bieden zonder daarbij te vermelden dat deze meerdere jaren, en soms zelfs meer dan tien jaar oud kunnen zijn. Hierbij heeft het hof zich er rekenschap van gegeven dat deze beslissing voor DR BV niet als een verrassing kan komen aangezien zij in haar akte-AP zelf subsidiair heeft voorgesteld om een eventueel op te leggen stakingsgebod te beperken (clausuleren) tot (onder meer) de situatie dat bij de verkoop of levering van HP-cartridges door DR BV niet wordt aangegeven dat de cartridge meerdere jaren oud kan zijn.
Het hoger beroep in het executie kort geding
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdelen 1 en 2klagen over de wijze waarop het hof de ‘herkomst-situatie’ (onderdeel 1) en de ‘imago-situatie’ (onderdeel 2) uit het
l’Oréal/eBay-arrest van het HvJEU heeft getoetst. Volgens
onderdeel 3heeft het hof een onjuist oordeel gegeven over de vraag in hoeverre het ontbreken van wettelijk verplichte informatie leidt tot gegronde redenen voor de merkhouder in de zin van art. 15 lid 2 UMVo Pro. Vervolgens keert het middel zich ook tegen de wijze waarop het hof de rechtsstrijd in hoger beroep heeft afgebakend. Het hof heeft daarbij ten onrechte buiten beschouwing gelaten HP’s vorderingen ten aanzien van de binnenverpakking (
onderdeel 4) en HP’s argumenten ten aanzien van counterfeiting (
onderdeel 5).
Onderdeel 6bevat een voortbouwende klacht.
gegronde redenenheeft om zich te verzetten tegen de verdere verhandeling van de waren. De bepaling noemt als voorbeeld van een gegronde reden dat de toestand van de waren is gewijzigd of verslechterd. Maar ook andere redenen zijn mogelijk [16] . Van een gegronde reden is bijvoorbeeld sprake als het gebruik door een derde van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een merk, de reputatie van dit merk ernstig schaadt of wanneer de derde met dit gebruik de (onjuiste) indruk kan wekken dat er een economische band bestaat tussen de merkhouder en die derde [17] . Het gaat in deze zaak meer specifiek om de vraag of sprake is van een gegronde reden in de situatie waarin de waren eerst met toestemming van de merkhouder in de EER in de handel zijn gebracht en vervolgens door een derde voor wederverkoop worden aangeboden, maar daarbij
zijn ontdaan van hun originele buitenverpakking. Hierover heeft het HvJEU zich uitgelaten in het arrest
l’Oréal/eBay [18] .
l’Oréal/eBayging het om de wederverkoop van luxe cosmeticaproducten en parfums van l’Oréal op het internetplatform van eBay. Enkele van deze producten waren ontdaan van hun buitenverpakking en volgens L’Oréal maakte de verkoop van die uitgepakte waren inbreuk op haar merkenrecht. Het HvJEU oordeelde dat er twee situaties denkbaar zijn voor de merkhouder om zich te verzetten tegen de wederverkoop van waren zonder buitenverpakking. In de
eersteplaats kan het ontbreken van de buitenverpakking het
imago en de reputatievan het merk schaden. Of dit het geval is, moet van geval tot geval worden onderzocht. Van een dergelijke afbreuk
kansprake zijn wanneer de buitenverpakking op gelijke wijze als, of nog meer dan de flacon of de ‘recipiënt’ [19] bijdraagt aan de wijze waarop het door de merkhouder en zijn erkende distributeurs gecreëerde imago wordt getoond of wanneer bepaalde wettelijk vereiste informatie ontbreekt. De merkhouder moet hier bewijs voor leveren [20] . In de
tweedeplaats kan het ontbreken van de buitenverpakking ertoe leiden dat de
herkomstfunctievan het merk wordt aangetast. Het gaat er dan om dat met het verwijderen van de buitenverpakking wezenlijke informatie ontbreekt waarmee de herkomst van het product niet meer is vast te stellen [21] .
l’Oréal/eBayis geen harde regel geformuleerd dat (altijd) sprake is van een gegronde reden als de wederverkoop van een product zonder buitenverpakking ertoe leidt dat bepaalde wettelijk vereiste informatie ontbreekt. Hoewel A-G Jääskinen wel zo’n regel had bepleit voor zover het ging om een Unieregel van productveiligheid of consumentenbescherming [22] , is het HvJEU hem daarin
nietgevolgd. Het ontbreken van dergelijke informatie
kaneen rol spelen bij de ‘imagosituatie’, maar die beoordeling moet per geval worden gemaakt en hierbij heeft het HvJEU slechts opgemerkt dat het ‘mogelijk is’ dat het ontbreken van sommige vereiste informatie [23] afbreuk doet aan het imago van het product [24] . En wat betreft de ‘herkomstsituatie’ moet het specifiek gaan om het ontbreken van wettelijke informatie die betrekking heeft op de functie van het merk om de herkomst van het product aan te geven [25] .
onder 1.1 een klachtgericht tegen het hofoordeel dat HP geen beroep toekomt op de ‘herkomstsituatie’ uit
l’Oréal/eBay. Het hof heeft miskend dat afbreuk aan de herkomstfunctie van het merk gegeven is wanneer bepaalde wettelijk vereiste informatie, zoals de identiteit van de fabrikant, ontbreekt (onder verwijzing naar punt 81 van het arrest). HP heeft toegelicht dat door het verwijderen van de buitenverpakking wettelijk vereiste informatie en wezenlijke informatie ontbreekt (dgv 25-74), zoals informatie over (i) de identiteit en het adres van de fabrikant (dgv 43-49 en bestreden arrest rov. 4.9), (ii) de CE- markering (dgv 36-42), en (iii) de fabrieksgarantie en de einddatum daarvan (dgv 51-64, mva 58-62 en bestreden arrest rov. 4.9). Het hof heeft deze stellingen niet verworpen en heeft niet vastgesteld dat, na het verwijderen van de buitenverpakking, deze wettelijk vereiste en wezenlijke informatie nog steeds op het product aanwezig zou zijn. Miskend is dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de herkomstfunctie van het merk. Daaraan doet niet af hetgeen verder in rov. 4.17 wordt overwogen, namelijk dat ook zonder buitenverpakking duidelijk is dat de door DR aangeboden cartridges geproduceerd zijn door ‘de HP-groep’ en dat de consument zonder veel moeite zal kunnen achterhalen welke precieze HP-entiteit voor de productie en verhandeling van de betreffende cartridge verantwoordelijk is. Ook doet daar niet aan af wat in rov. 4.24 is geoordeeld over de verplichte CE-markering, want ook dat oordeel is onjuist op de gronden van dit onderdeel.
om de herkomst van het productaan te geven, kan sprake zijn van afbreuk aan de herkomstfunctie, zoals hiervoor is besproken in 3.5-3.6. Verder faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. De door HP aangedragen wettelijke informatie die door het verwijderen van de buitenverpakking van de cartridges zou ontbreken, is door het hof beoordeeld, maar de betreffende argumentatie van HP is verworpen. In rov. 4.17 heeft het hof geoordeeld dat ook zonder de buitenverpakking het voor de consument voldoende duidelijk is dat de door DR aangeboden cartridges zijn geproduceerd door HP, zodat de herkomst(garantie)functie niet in het geding is (i) [28] . Het argument van ontbreken van een CE-markering is door het hof verworpen in rov. 4.24 (ii), zij het in de sleutel van reputatieschade, maar met herkomstgarantie heeft een CE-markering niet van doen. En dat de fabrieksgarantie niet meer zichtbaar is, is door het hof verworpen in rov. 4.15 en 4.17 (iii). Onderdeel 1 slaagt dan ook niet.
l’Oréal/eBay, dus of de buitenverpakking bijdraagt aan het imago van het product en dus aan de reputatie van het merk.
Onderdeel 2bevat klachten tegen rov. 4.19 waarin het hof argument A van HP heeft verworpen. Dit argument is door het hof als volgt samengevat: de ‘
look and feel’ van de buitenverpakking draagt bij aan de reputatie en het imago van de HP-merken en verhandeling zonder die buitenverpakking doet daar dus afbreuk aan (rov. 4.9).
l’Oréal/eBayvolgt dat juist in het geval dat de buitenverpakking “
op gelijke wijze als of meer nog dan” het product zelf (c.q. de flacon of de recipiënt) bijdraagt tot het imago van het product, het verwijderen van die verpakking afbreuk doet aan dat imago. Volgens de
klacht onder 2.1heeft het hof dat in rov. 4.19 miskend met de passage dat een cartridge “
geen luxe- of prestigieus product[is]
maar een technisch bepaald onderdeel voor een printer, een tamelijk gewoon kantoorartikel”, terwijl bovendien DR zelf heeft gesteld dat een cartridge geen uitstraling heeft “
anders dan een lelijk ding dat in een printer gebruikt wordt” (cva 17.7, plta hb DR 2.2 (“printercartidges zijn ook géén luxeartikelen, maar – onmogelijke – kantoorartikelen”) en plta hb HP 10). In dit hofoordeel en DR’s standpunt ligt besloten dat het hier dus gaat om een product dat (anders dan de door het HvJEU bedoelde parfums of cosmetische producten) [29] (juist) niet door zijn verschijningsvorm het imago daarvan overbrengt aan het publiek. Integendeel: het gaat om het geval waarin de buitenverpakking “
op gelijke wijze als of meer nog dan” de cartridge bijdraagt tot het imago van dat product. Dat brengt mee dat (juist) het verwijderen van de buitenverpakking van dat product afbreuk doet aan het imago daarvan.
l’Oréal/eBay. Daarin is geoordeeld dat het verwijderen van de buitenverpakking tot afbreuk aan het imago
kanleiden wanneer de buitenverpakking op gelijke wijze als, of meer nog dan de flacon of de recipiënt, bijdraagt aan de wijze waarop het door de merkhouder gecreëerde imago wordt getoond. Het is dus geen harde regel dat als dit het geval is, er per definitie sprake is van afbreuk aan dat imago. Dat blijft een beoordeling die van geval tot geval moet worden onderzocht, hetgeen de klacht miskent. De redenering moet bovendien niet zijn: DR zegt zelf dat een cartridge een “lelijk ding” is, dus dan is het (juist) de verpakking die bijdraagt aan imago of uitstraling (waar ook s.t. DR 3.1 terecht op wijst). Dat volgt niet uit
l’Oréal/eBay.Daarnaast gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft in rov. 4.19 geoordeeld dat een cartridge een gewoon kantoorartikel is en het juist
nietvoor de hand ligt dat het publiek de buitenverpakking daarvan ziet als bijdragend aan het imago dat de merkhouder daarvoor wenst te creëren. Vervolgens heeft het hof de verschillende stellingen van HP onderzocht waarom volgens haar de buitenverpakking wel bijdraagt aan het imago van de HP-cartridges, maar deze zijn verworpen. Daar ketst deze klacht op af.
klacht onder 2.2voert drie sub-klachten aan tegen het oordeel in rov. 4.19 dat het “
niet zonder meer voor de hand ligt” dat de buitenverpakking van een functioneel product zoals een cartridge, net zomin als dat het geval is bij “
minder dure cosmetische producten”, door het publiek wordt gezien als bijdragend aan het imago dat de merkhouder daarvoor wenst te creëren.
eersteis onjuist de daaraan ten grondslag liggende opvatting van het hof dat de verwijdering van de buitenverpakking van alleen of met name luxe- of prestigieuze producten een gegronde reden als bedoeld in art. 15 lid 2 UMVo Pro kan opleveren en/of dat het HvJEU in
l’Oréal/eBayzou instemmen met alle punten 71 t/m 74 uit de conclusie van A-G Jääskinen vóór dat arrest waar rov. 4.19 naar verwijst (
sub-klacht onder 2.2.1). De door het hof in rov. 4.19 geciteerde punten kunnen, zoals het hof kennelijk doet, zo worden opgevat dat de A-G een voor merkhouders restrictieve benadering voorstaat voor de vraag wanneer de verwijdering van een buitenverpakking een art. 15 lid 2 UMVo Pro gegronde reden oplevert. Onder 71 stelt de A-G immers (onderstreping advocaat HP): “
[i]ksluit evenwel niet uitdat in het geval vanproducten als luxe cosmeticade buitenverpakking van het product soms valt aan te merken als een onderdeel van de toestand van het product,vanwege het specifieke ontwerpdat het gebruik van het merk insluit”, en onder 74 wordt gesteld dat “
bijvoorbeeld ... bij minder dure cosmetische producten”het geval zich kan voordoen dat
“de buitenverpakking, zelfs van cosmetische producten, van dien aard is dat de verwijdering ervan noch afbreuk doet aan de functies van het merk als aanduiding van herkomst en kwaliteit van de waar, noch de reputatie ervan schaadt”. Maar het Hof heeft deze restrictieve benadering niet overgenomen. De verwijzing in punt 78 van het arrest naar 71-74 van de conclusie dient alleen ter motivering van het oordeel dat “
de verschijningsvorm van een parfum of cosmetisch product soms ook zonder verpakking op doeltreffende wijze het prestige- en luxe-imago van dat product [kan] weergeven, terwijl in andere gevallen juist het verwijderen van die verpakking afbreuk doet aan dat imago”. En in punt 79 volgt dat “
van een dergelijke afbreuk (…) sprake [kan] zijn wanneer de buitenverpakking op gelijke wijze als of meer nog dan het flacon of de recipiënt bijdraagt tot de wijze waarop het door de merkhouder en zijn erkende distributeurs gecreëerde imago wordt getoond. Ook is mogelijk dat het ontbreken van sommige of alle bij artikel 6, lid 1, van richtlijn 76/768 vereiste informatie afbreuk doet aan het imago van het product”. Het hof heeft miskend dat niet beslissend is of het product waarvan de buitenverpakking wordt verwijderd, een luxe- of prestigieus product is, maar of de buitenverpakking
in verhouding tot het product zelfop gelijke wijze of meer nog bijdraagt aan het gecreëerde imago (HP plta hb 20).
l’Oréal/eBay- leer is hier niet van toepassing. De functie van het citaat van 71-74 uit de conclusie voor
l’Oréal/eBayin rov. 4.19 lijkt mij alleen te zijn (in lijn met punt 78 van het arrest) dat het verwijderen van de buitenverpakking zonder toestemming van de merkhouder niet automatisch een schending van het merkenrecht oplevert wegens imago-afbreuk, maar dat dit van geval tot geval moet worden beoordeeld. Dat heeft het hof vervolgens ook gedaan door in rov. 4.19-4.25 te beoordelen of de door HP aangedragen argumenten hiervoor (voorshands) hout snijden (antwoord: nee).
sub-klacht onder 2.2.2is dat tamelijk banale kantoorartikelen zoals cartridges en ook parfums of cosmeticaproducten kunnen bestaan in “
uiteenlopende gamma’s” (“a wide variety” in de Engelse tekst), zoals
l’Oréal/eBaypunt 78 het formuleert: aan de ene kant budget-producten die vooral concurreren op prijs en aan een andere kant van het spectrum premium-producten die vooral op kwaliteit concurreren. De enkele omstandigheid dat volgens het hof cartridges geen luxe- of prestigieuze producten zijn, maar tamelijk gewone kantoorartikelen, brengt dus niet mee dat het publiek geen onderscheid maakt tussen de verschillende producten in die productcategorie. Onjuist, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk, is dan dat het “
niet zonder meer voor de hand ligt” dat de buitenverpakking van een functioneel product zoals een cartridge, net zomin als dat het geval is bij de “
minder dure cosmetische producten”, door het publiek wordt gezien als bijdragend aan het imago dat de merkhouder daarvoor wenst te creëren.
l’Oréal/eBay-leer fout zou toepassen lijkt mij niet. Daar gaat de klacht op mank.
sub-klacht onder 2.2.3onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van HP’s essentiële stelling dat haar cartridges dat wel zijn (dgv 23 en 182-183, HP plta ea 34-35 en mva,25 en 32-33) [30] . Die stelling heeft DR weliswaar betwist, maar DR heeft wel degelijk erkend dat HP bekend staat als kwaliteitsproduct (cva 17.7 en mvg 1.5.2).
nietgeoordeeld dat de reputatie van premium cartridgemerken niet of nooit kan worden aangetast door verwijdering van de buitenverpakking. Als gezegd, het hof heeft de verschillende argumenten die HP heeft aangedragen beoordeeld, maar verworpen. Daarmee zijn de klachten van subonderdeel 2.2 tevergeefs voorgesteld.
door de uitsparing aan de bovenkant vooral, of mede, [lijkt] te zijn bedoeld om de cartridge op een in oog springende plaats in een fysieke winkel te kunnen ophangen”. Dat schiet als verwerping van argument A te kort. Waarom dit zou maken dat het publiek die kenmerkende trapeziumverpakking niet (ook) ziet als bijdragend aan het imago, motiveert het hof niet en blijkt ook niet. Als het hof ervan uit is gegaan dat de trapezoïde vorm alleen de driehoekige uitsparing betreft, is dat onbegrijpelijk, omdat de hele buitenverpakking die vorm heeft, zoals het hof in rov. 1.b ook vastelt.
klachten onder 2.4, de passage in rov. 4.19 dat “
[a]an de stelling van HP, dat de kwaliteitsuitstraling grotendeels van de buitenverpakking moet komen, verder [afdoet] dat zij daarvoor niet alleen die trapezoïde vorm met veelkleurige print gebruikt (voor de inktcartridges, zie rov. 1.b) maar ook tamelijk standaard rechthoekige vormen in eenvoudig karton (voor bepaalde tonercartridges en haar Instant Ink-cartridges). Dat HP de Instant Ink verpakkingen gebruikt in het kader van een abonnementsdienst, maakt dat niet anders”. Ten eerste is onbegrijpelijk hoe dit de verwerping van ‘argument A’ kan dragen voor wat betreft HP’s
inktcartridges, nu het hof niet heeft vastgesteld dat HP voor deze cartridges ook een andere buitenverpakking gebruikt dan de trapezoïde vorm met veelkleurige print. In de tweede plaats motiveert het hof niet waarom het gebruik door HP van de Instant Ink verpakkingen in abonnementsdienst-verband dat niet anders zou maken. HP heeft immers gesteld dat het publiek in een winkel of via een webshop niet in aanraking komt met die abonnementsdienstverpakkingen (mva 34 en 38).
3.1 en 3.2is dat anders dan het hof heeft overwogen in rov. 4.21 niet-naleving van een Unieregel van productveiligheid of consumentenbescherming die voorschrijft dat bepaalde informatie wordt verstrekt (nader gespecificeerd in rov. 4.22,
steedseen gegronde reden oplevert voor de merkhouder. In punt 81 van
l’Oréal/eBayis immers in vergelijkbare zin geoordeeld als A-G Jääskinen onder 76 van zijn daaraan voorafgaande conclusie had bepleit. Volgens klacht
3.3klemt dit temeer nu de Europese wetgever de in rov. 4.22 bedoelde vermeldingen niet voor niets verplicht heeft gesteld in de CLP-verordening en in Verordening 1272/2008, maar in het belang van consumentenbescherming. Niet-naleving van deze wettelijke verplichtingen is daarmee op zichzelf al strijdig met de belangen van de consument en in het verlengde daarvan is de handel in merkproducten door een distributeur die deze wettelijke verplichtingen aan zijn laars lapt schadelijk voor de reputatie van het merk.
l’Oréal/eBayis alleen geoordeeld dat ‘steeds’ afbreuk wordt gedaan aan de
herkomstfunctievan een merk wanneer bepaalde wettelijk vereiste informatie
betreffende de identiteit van de fabrikant of van de persoon die voor het in de handel brengen ervan verantwoordelijk is, ontbreekt (zie ook punt 83). Voor de vraag of niet-naleving van een Unieregel van productveiligheid of consumentenbescherming die voorschrijft dat bepaalde informatie wordt verstrekt, leidt tot een art. 15 lid 2 UMVo Pro gegronde reden, heeft het Hof juist, in afwijking van wat de A-G had bepleit, in
l’Oréal/eBaygeen harde regel gegeven, zo is hiervoor besproken in 3.6. Of in zo’n geval sprake is van schade aan het imago van een merk, blijft afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In gelijke zin s.t. DR 4.1-4.2. Onderdeel 3 kan geen doel treffen.
zonder originele binnenverpakkingen van HP-producten met een
gewijzigdebinnen- en/of buitenverpakking. In zoverre zijn die merkenrechtelijke vorderingen van HP in hoger beroep niet meer aan de orde, aldus het hof. Volgens
de klacht onder 4.1berust dit op een onbegrijpelijke uitleg van het vonnis. De voorzieningenrechter heeft zowel ten aanzien van de HP-inktcartridges (rov. 4.15-4.21) als ten aanzien van de HP-lasercartridges (rov. 4.23-4.28) geoordeeld dat HP gegronde redenen heeft voor verzet tegen de verdere verhandeling daarvan. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.29 geoordeeld dat HP geen zelfstandig belang heeft bij afzonderlijke toewijzing van haar vorderingen met betrekking tot de
binnenverpakking, omdat haar vorderingen met betrekking tot het verwijderen van de originele
buitenverpakking worden toegewezen:
binnenverpakking en van HP-producten met
gewijzigdebinnen- en/of buitenverpakking niet zijn afgewezen, maar dat juist de toewijzing van die vorderingen besloten ligt in de toewijzing van HP’s merkenrechtelijke vorderingen voor zover gebaseerd op de verkoop of levering door DR van HP-cartridges zonder originele
buitenverpakking. HP had bij deze stand van zaken geen aanleiding om incidenteel te grieven tegen de door het hof bedoelde ‘afwijzing’ van haar vorderingen. Dus in weerwil van de slotzin van rov. 4.5 en rov. 4.7 waren die merkenrechtelijke vorderingen van HP in hoger beroep wel degelijk aan de orde (als deel van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep), omdat DR’s grieven gegrond zijn bevonden en (anders dan bij de voorzieningenrechter) HP’s merkenrechtelijke vorderingen met betrekking tot de buitenverpakking zijn afgewezen.
afgewezen. In gelijke zin s.t. DR 5.1. Zoals de klacht zelf al aangeeft, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het geen aanleiding ziet om het gevorderde gebod tot het staken van de verkoop van HP-cartridges zonder originele buitenverpakking (‘vordering I’) ruimer te formuleren, zodat dat ook het verbod op handel in HP-cartridges zonder originele of gewijzigde binnenverpakking omvat. In het dictum van het vonnis staat dat de voorzieningenrechter DR gebiedt om de handel in HP-cartridges zonder originele buitenverpakking te staken (rov. 5.2) en dat het meer of anders gevorderde wordt
afgewezen(rov. 5.8).
l’Oréal/eBay(waarin de gegronde reden uitzondering zoals besproken een centrale rol speelt) en heeft stellingen betrokken over de vermeende merkinbreuk van DR die op dit arrest zijn gebaseerd door uitgebreid te betogen dat sprake zou zijn van de gegronde redenen als bedoeld in dat arrest, te weten afbreuk aan het imago van de HP-merken en het ontbreken herkomstinformatie [36] . In dit licht is het goed te volgen dat het hof in rov. 4.3-4.4 heeft geoordeeld dat het voorbijgaat aan het argument van HP dat op de buitenverpakking van de originele HP-cartridges een veiligheidslabel heeft aangebracht waarmee de consument kan controleren of hij te maken heeft met een counterfeit. Het uitgangspunt bij HP’s merkenrechtelijke vorderingen is immers dat het gaat om cartridges die met toestemming van HP in de EER in het verkeer zijn gebracht en dus
geencounterfeit zijn. Het partijdebat verliep ook langs die lijnen en DR heeft daarin ook aangevoerd dat het gaat om uitgeputte HP-cartridges [37] . Daar ketst deze klacht op af.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
onvoorwaardelijkingesteld.
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.6-5.8 en het dictum waarin het hof DR heeft verboden om HP-cartridges die in feite uit recyclebakken of de opkoop komen, aan te bieden zonder te vermelden dat deze jaren oud - soms zelfs meer dan tien jaar oud - kunnen zijn. Ook bevat het klachten tegen de feitenvaststelling in rov. 1.(g).
Onderdeel 2is louter voortbouwend en mist zelfstandige betekenis.
een onderzoek naar de vraag of de wil van de eiser er mede toe strekt dat, indien het meerdere niet kan worden toegewezen, het mindere wordt toegewezen. Dat onderzoek dient zich vanzelfsprekend ook uit te strekken tot de vraag of die wil van eiser kenbaar was voor gedaagde” [43] . Bij de toewijzing van het mindere moet dus duidelijk zijn dat de wederpartij het ook zo heeft begrepen dat wanneer de vordering niet in de gevorderde vorm wordt toegewezen, eiser ook genoegen neemt met het mindere [44] . De uitleg van het dictum is van feitelijke aard en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst [45] .
1.1staan geen klachten; het is een samenvatting van het procesverloop en een toelichting op het belang dat DR meent te hebben bij de klachten. Dat belang zit hem in de bodemprocedure die loopt bij de rechtbank Den Haag. Daarin heeft de rechtbank inmiddels als besproken in de inleiding uitspraak gedaan en ook is onder ogen gezien dat in cassatie de ‘afstemmingsregel’ niet geldt.
om originele HP-cartridges die zogenaamd retour zijn genomen (maar in feite uit recyclebakken of de opkoop komen) aan te bieden zonder daarbij te vermelden dat deze meerdere jaren, en soms zelfs meer dan tien jaar oud kunnen zijn.” Volgens
klacht 1.2is dit verbod ten onrechte opgelegd, omdat dit niet door HP is gevorderd. Deze klacht wordt met de volgende klachten nader onderbouwd.
klacht 1.4heeft het hof geen voorwaardelijk verbod kunnen toewijzen, omdat (i) HP geen voorwaardelijk gebod (c.q. verbod) heeft gevorderd, (ii) HP de specifieke inhoud van de opgelegde voorwaarde ook niet heeft gevorderd en (iii) de inhoud van deze specifieke voorwaarde om die reden ook geen onderdeel van het partijdebat is geweest. Er is hier sprake van ontoereikende motivatie, omdat HP helemaal niet enige voorwaardelijkheid aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, niet wat de inhoud van die voorwaarden zouden moeten zijn, of wat de juridische grondslag daarvoor zou zijn. Daardoor heeft er ook geen partijdebat hierover plaatsgevonden, waarmee een fundamenteel procesrechtelijk beginsel is geschonden.
ontbreekt, of waarbij die binnen- en/of buitenverpakking is
gewijzigd;
uiterste garantiedatum is verlopenen die worden verkocht als retourproducten, milieuproducten, producten met een milieuverpakking of anderszins worden gekenmerkt dat zij een milieuvoordeel zouden opleveren; en
zogezegd retour zijn genomenen die worden verkocht als milieuproducten, producten met een milieuverpakking of anderszins worden gekenmerkt dat zij een milieuvoordeel zouden opleveren.
nader te clausulerenin die zin dat zij de HP-cartridges wel mag verkopen
als zij nadere informatie geeft over de herkomst en leeftijd van de als milieuproducten verkochte cartridges(dgv hb DR 3.1-3.2). HP heeft zich in eerste instantie tegen deze clausulering verzet (mva/mvg inc 86-93), maar zich later toch bereid getoond om hierover mee te denken met DR (prod. 23 hb DR). HP heeft op haar beurt incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van de vorderingen II en III. Zij heeft hiertegen gegriefd met ‘grief 1’, waarbij zij heeft benadrukt dat DR verboden moet worden om niet transparant te zijn over de herkomst en leeftijd van de retour genomen producten die zij onder het mom van milieuverpakking verkoopt met de term ‘retouren’ (mva/mvg inc 111-112). Het hof heeft vervolgens vordering I afgewezen. In het incidenteel appel heeft het hof overwogen dat HP’s grief 1 in wezen uiteenvalt in twee argumenten: (i) het gebruik van de term ‘milieuproduct’ door DR is misleidend en (ii) het is misleidend naar consumenten dat DR niet transparant is over de leeftijd van de retour genomen producten. Het eerste argument heeft het hof verworpen, maar het tweede argument geaccepteerd, waardoor vordering III is toegewezen, maar wel met de voorwaarde dat DR de cartridges slechts mag verkopen met de vermelding dat het om oude producten gaat. Daarbij heeft het hof overwogen dat een dergelijke voorwaarde niet als een verrassing kan komen voor DR, aangezien zij dat zelf heeft voorgesteld (rov. 5.4-5.8).
Kraaiende hanen) en een grote mate van vrijheid heeft bij het treffen van voorzieningen in kort geding, zoals hiervoor is besproken, is de wijze waarop het hof vordering III heeft toegewezen naar ik meen niet in strijd met enige rechtsregel of onbegrijpelijk. Daar strandt klacht 1.4 op. Dat HP een gebod heeft gevorderd in plaats van een verbod is irrelevant; het komt in wezen op hetzelfde neer in dit geval. Dat HP zelf geen voorwaarde heeft gevorderd, is ook geen onoverkomelijk beletsel, omdat de rechter bevoegd is om het mindere toe te wijzen (zeker in kort geding). Uit het partijdebat volgt dat HP ook bereid was om met het mindere (verbod onder voorwaarde) genoegen te nemen. Nu DR zelf heeft voorgesteld om aan een eventueel op te leggen verbod een voorwaarde te verbinden, kan ook niet worden gezegd dat hier geen partijdebat over heeft plaatsgevonden of dat deze beslissing voor DR als een verrassing is gekomen. In wezen is het enige ‘probleem’ dat de door DR voorgestelde voorwaarde zag op het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod dat op merkenrechtelijke grondslag was toegewezen. Gelet op de vrijheid van de rechter bij het treffen van voorzieningen in kort geding acht ik dat hier niet voldoende voor cassatie.. Vordering I en vordering III zien in wezen op hetzelfde eindresultaat: HP wil voorkomen dat DR de (tweedehands) HP-cartridges kan verkopen op de wijze zoals zij doet/deed. Vervolgens heeft DR voorgesteld dat een dergelijk verbod nader geclausuleerd wordt, zodat zij haar handel in alternatieve vorm kan voortzetten. Daar is de rechter bij aangesloten. De klacht treft dan geen doel; in vergelijkbare zin s.t. HP 40-43.
nietkunnen gebruiken als basis voor toewijzing van een verbod op grond van onrechtmatige daad.
klacht 1.6ziet onderdeel (i) op zowel vordering II en III en onderdeel (ii) slechts op vordering II. Nu het hof onderdeel (i) heeft verworpen, heeft het daarmee vordering II en III afgewezen en is het onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd dat het op grond van onderdeel (ii) vordering III toch heeft toegewezen.
zogezegd retour zijn genomen’. Het hof sluit hier duidelijk bij aan in zijn formulering van onderdeel (ii) in (in cassatie onbestreden) rov. 5.4 (onderstreping A-G):
“[dat] voor het publiek onvoldoende duidelijk is wat bedoeld wordtmet de term ‘retouren’en het daarbij in ieder geval niet denkt aan cartridges die ter recycling zijn aangeboden of aan 10 jaar oude cartridges die via opkopers bij DR terecht zijn gekomen, terwijl het voor de consument veel verschil maakt of het product inderdaad een ‘retour’ is dan wel uit een recyclebak komt en al een lang en onbekend leven heeft gehad.” Dit komt ook overeen met hoe HP onderdeel (ii) in hoger beroep naar voren heeft gebracht (mva /mvg inc 111-112). Anders gezegd in de woorden van s.t. HP 46: de ouderdom van de verkochte cartridges, alsmede de informatie die DR daarover verstrekt, is dus ook (zelfstandig) onderdeel van onderdeel (ii) van HP’s incidentele grief 1. Van een onbegrijpelijk oordeel is dan ook geen sprake.
klacht 1.7heeft het hof iets anders toegewezen dan door HP met vordering III is gevorderd. Het hof heeft DR B.V. verboden om originele HP-cartridges die zogenaamd retour zijn genomen aan te bieden zonder daarbij te vermelden dat deze meerdere jaren oud kunnen zijn. Vordering III is echter beperkt tot het ten onrechte claimen van milieuvoordelen, waarover het hof in rov. 5.5 bovendien ook al heeft beslist dat dit niet toewijsbaar is. Op de in de klachten 1.2-1.4 aangegeven gronden is dat in strijd met art. 19, 23 en 24 Rv en verder ontoereikend gemotiveerd, omdat niet is aangegeven op welke gronden het hof tot dit oordeel is gekomen.
klacht in 1.8richt zich tegen de gronden waarop het hof vordering III heeft toegewezen. Volgens de klacht zijn deze gronden onjuist en heeft het hof een zevental essentiële stellingen van DR hierbij onbesproken gelaten. Zij komen er in essentie allemaal op neer dat de kwaliteit van de cartridges in het verloop van de tijd niet op achteruit gaat en DR een levenslange garantie biedt op de verkochte ‘milieuproducten’.
Voor de gemiddelde consument is de ouderdom van een product –ook wanneer die, zoals in dit geval (zie rov. 4.15), geen invloed heeft op de kwaliteit– van belang in die zin dat aannemelijk is dat hij niet bereid is de nieuwprijs te betalen voor een oud product”. Ook klacht 1.8 is tevergeefs.
1.9zijn verschillende klachten opgenomen tegen de passage in rov. 5.6 “
dat door HP bij herhaling is gesteld dat DR de HP-cartridges zonder buitenverpakking als nieuw en voor de nieuwprijs verkoopt, en dat dit door DR niet is betwist”.
1.1staat een reeks klachten tegen de motivering in rov. 5.6 dat “
[v]oor de gemiddelde consument [..] de ouderdom van een product – ook wanneer die, zoals in dit geval (zie rov. 4.15), geen invloed heeft op de kwaliteit – van belang [is] in die zin dat aannemelijk is dat hij niet bereid is de nieuwprijs te betalen voor een oud product”.
klachten in 1.11op de volgende passage in rov. 5.6: “
De verwijzing van DR naar producten die retour zijn gekomen suggereert dat het tamelijk recent geproduceerde producten betreft, terwijl dat lang niet altijd het geval is. In zoverre verstrekt DR BV dus misleidende informatie ten aanzien van de datum van fabricage, waardoor aannemelijk is dat de consument een besluit over de overeenkomst kan nemen (namelijk om de nieuwprijs te betalen), dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193c lid 1 onder b BW)” met opnieuw een reeks klachten:
HP in eerste aanleg aangevoerde argumenten op basis van de artikelen 6:162 en 6:163a-j BW[...] in het voorgaande weerlegd”.
het voorgaande” doelt het hof op wat het in rov. 5.11 overweegt, omdat het daar ingaat op de toepasselijkheid van “
artikelen 6:162 en 6:163a-j BW” als grondslag voor vordering I. Ook subonderdeel 1.11 treft dus geen doel.
in feite uit recyclebakken of de opkoop komen”.
zogenaamdretour zijn genomen, maar in feite uit recyclebakken of van opkopers komen. Ook subonderdeel 1.12 faalt zodoende. In gelijke zin s.t. HP 61-62.
in 1.13, ten slotte, de volgende twee klachten.
eerste klachtkomt het door het hof opgelegde verbod neer op een ‘spreekgebod’ dat in strijd is met de vrijheid van meningsuiting als gewaarborgd in art. 10 EVRM Pro, art. 19 IVBPR Pro, art. 7 Gw Pro en art. 11 en Pro art. 52 lid 3 EU Pro Handvest. De vrijheid van meningsuiting mag alleen worden ingeperkt conform de voorwaarden van art. 10 lid 2 EVRM Pro. De door het hof opgelegde spreekplicht is niet bij wet voorzien, nu art. 6:167 en Pro 6:196 BW slechts voorzien in het achteraf rectificeren van een voorafgaand aan het rectificatiebevel plaatsgevonden “
onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard” waarvoor degene die moet rectificeren “
jegens een ander aansprakelijk is”. Ook dient de spreekplicht geen van de in art. 10 lid 2 EVRM Pro genoemde openbare belangen en is daarvoor ook niet noodzakelijk.
tweede klacht, tot feitelijk onjuiste en misleidende mededelingen van DR, waardoor het evenzeer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. Voor de uit recyclebakken of uit opkoop afkomstige cartridges heeft het hof alleen maar overwogen dat deze zeer oud kunnen zijn, maar niet dat dit altijd voor alle cartridges die hieruit komen geldt. Dit betekent dat het moeten meedelen dat uit recyclebakken of uit opkoop afkomstige HP-cartridges meerdere jaren of soms zelfs meer dan tien jaar oud kunnen zijn, feitelijk onjuist en misleidend is in die gevallen waarin dat niet het geval is. Daarmee dwingt het hof DR om onrechtmatige, misleidende mededelingen te doen wat resulteert in een misleidende handelspraktijk (art. 6:193c lid 1 onder b BW) en misleidende reclame (art. 6:194 lid 1 onder Pro b BW). De opgelegde remedie is daarmee rechtens ondeugdelijk, in strijd met het evenredigheidsbeginsel en er ontbreekt een daartoe strekkende rechtsplicht bij het opgelegde gebod.
die bij de wet zijn voorzien” en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van “
de rechten en vrijheden van anderen”. Het hof heeft geoordeeld dat DR een misleidende handelspraktijk heeft begaan (art. 6:193c lid 1 onder b BW) en dat die bepaling dient ter bescherming van consumenten (zie ook rov. 5.7). Ook geldt dat de kortgedingrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is deze te geven (art. 254 lid 1 Rv Pro), zodat het opgelegde verbod wel degelijk bij wet is voorzien. Hierbij roep ik ook in herinnering dat het
DR zelfis geweest die heeft voorgesteld om een eventueel op te leggen verkoopverbod nader te clausuleren met een soortgelijke mededeling als in het arrest opgelegd.
kunnenzijn. Dit is helemaal geen ‘spreekplicht’ die leidt tot het uiten van onwaarheden, want dat betekent niet dat alle cartridges categorisch zeer oud zijn. Dit is ook in lijn met de feitenvaststelling van het hof in rov. 1.g. Van een feitelijk onjuiste of misleidende mededeling is helemaal geen sprake.
onderdeel 2behoeft geen afzonderlijke bespreking.