Conclusie
Betalingen aan [eiseres]
reeds in2018/2019 door [betrokkene 1] gebonden zou zijn geweest kosten te dragen ter hoogte van € 77.659,40 die door [B] B.V. zijn betaald ter zake van werkzaamheden door derden ten behoeve van derden, onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1klaagt over miskenning van art. 150 Rv Pro indien het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] de bewijslast van haar in rov. 3.2 weergegeven stelling heeft.
Onderdeel 2bevat rechts- en motiveringsklachten gericht tegen rov. 3.5 en 3.12 en heeft twee subonderdelen. De klacht in het eerste subonderdeel is dat als het hof in rov. 3.5 heeft geoordeeld dat [eiseres] het bestaan van de door haar gestelde mondelinge afspraak had moeten staven met (bewijs)stukken om te worden toegelaten tot bewijslevering, dit onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het tweede subonderdeel klaagt dat het oordeel uit rov. 3.12 dat de stelling van [eiseres] over de mondelinge afspraak in 2018/2019 onvoldoende onderbouwd is en daarom niet wordt toegekomen aan bewijslevering onjuist en/of onbegrijpelijk is.
het verweer daartegenvan [eiseres] , namelijk dat de (overigens in het zicht van het faillissement gedane) betalingen berusten op een mondelinge afspraak tussen broer en zus [betrokkene 1] stammend uit 2018/2019 en definitief geworden in 2019,
onvoldoende handen en voetenheeft gekregen. Om die reden wordt niet toegekomen aan bewijslevering. Anders gezegd: de zaak blijft bij het hof steken in de stelplicht-/gemotiveerde betwistingsfase. Dat maakt meteen duidelijk dat de klachten tevergeefs zijn voorgesteld. Het hof heeft de (stelplicht en) bewijslast niet bij [eiseres] gelegd (waar onderdeel 1 op afketst). Ook gaat het niet om toelating tot (tegen)bewijslevering van de kant van [eiseres] of het ontoelaatbaar passeren van haar bewijsaanbod/onterecht niet toelaten tot tegenbewijslevering, omdat de zaak bij het hof al strandt in de stelplicht-/betwistingsfase en het hof vanwege de onvoldoende gemotiveerd geoordeelde betwisting van de onverschuldigdheid van de betaling door [eiseres] (het hof motiveert uitgebreid waarom de gestelde rechtsgrond, de mondelinge afspraak tussen broer en zus niet aannemelijk is geworden/ongeloofwaardig voorkomt) helemaal niet aan de bewijsfase toekomt (waar onderdeel 2 zijn Waterloo in vindt). Ik zou het hierbij kunnen laten, maar zal de klachten nu in meer detail bespreken.
zonder rechtsgrondaan [eiseres] is betaald, wordt betwist door [eiseres] (zie rov. 4.7.3 en 4.7.6 vonnis en rov. 3.2-3.3). [eiseres] heeft daar tegen in gebracht dat aan de betalingen een mondelinge afspraak uit 2018/2019 tussen [betrokkene 4] en zijn zus [betrokkene 1] ten grondslag ligt, die werd geconcretiseerd in 2019. Dat deze mondelinge afspraak is gemaakt, wordt gemotiveerd ontkracht door de curator (zie rov. 3.7.4 vonnis en rov. 3.4). Wij bevinden ons hier juridisch in de stelplicht (curator: er is sprake van onverschuldigde betaling, daar lag geen rechtsgrond aan ten grondslag)/gemotiveerde betwistingsfase ( [eiseres] : er was een mondelinge afspraak op grond waarvan is betaald).
omkeringvan de bewijslast valt in het arrest al helemaal niet te lezen [9] . Terzijde: dat in dit geval op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op de curator de stelplicht en bewijslast rust, betekent niet dat de curator – als de stelplicht/betwistingsdrempel zou worden overschreden, wat in deze zaak dus juist
nietzo is – een ‘negatief feit’ zou moeten bewijzen (dat de mondelinge afspraak
nietis gemaakt), maar dat de curator bewijs van feiten en omstandigheden moet leveren waaruit moet worden afgeleid dat de gestelde mondelinge afspraak tussen broer en zus [betrokkene 1] niet is gemaakt [10] . De bewijsopdracht aan de curator, zo daar aan toegekomen zou worden, wat zich, het zij herhaald, in deze zaak niet voordoet, zou dan in dat geval betrekking kunnen hebben op de facturen die door [eiseres] zijn verstuurd. Daarmee is de mondelinge afspraak immers door [eiseres] onderbouwd [11] .
ten tijde van de factuurdata (23 september 2021) nog niet bestond(sic). Het hof heeft daar verder de onweersproken feiten bij betrokken dat de desbetreffende facturen niet zijn aangetroffen in de administratie van [A] , maar op verzoek van de curator pas op 14 februari 2022 door [eiseres] zijn verstrekt, waarna in rov. 3.9 wordt geoordeeld dat dit alles
erop duidt dat de facturen achteraf (later dan zou moeten blijken uit de factuurdata) zijn opgemaakten om die reden niet kunnen dienen als onderbouwing voor de gestelde mondelinge afspraak. Het hof heeft verder in rov. 3.5 (en rov. 3.8) overwogen dat die mondelinge afspraak verder op geen enkele wijze is gedocumenteerd, waarna het hof in rov. 3.12 gelet op alle omstandigheden heeft geoordeeld dat de mondelinge afspraak onvoldoende is onderbouwd en dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Procesrechtelijk betekent dit: de zaak blijft naar het gemotiveerde oordeel van het hof steken in de stelplicht-/betwistingsfase. Aangezien de betwisting in de vorm van de gestelde mondelinge afspraak tussen broer en zus [betrokkene 1] van jaren terug verder nergens uit blijkt en de curator heeft gewezen op feiten en omstandigheden die onvoldoende zijn weersproken door [eiseres] die temeer aanwijzingen vormen tegen het bestaan van de gestelde afspraak, is hier geen sprake van zodanig toereikende gemotiveerde betwisting noodzakelijk om in de bewijsleveringsfase terecht te komen. Van miskenning van de bewijslastverdeling, in de zin dat het hof de bewijslast ten onrechte op [eiseres] zou hebben gelegd, vanuit welke veronderstelling onderdeel 1 vertrekt, is dan ook geen sprake. Daar strandt onderdeel 1 al op.