Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:471

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/01197
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 27 lid 1 SrArt. 420bis SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep afgewezen inzake medeplegen gewoontewitwassen en hennepteelt

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, medeplegen van gewoontewitwassen en gewoontewitwassen. Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op een niet-gespecificeerde contante omzet van €375.448,05 in de administratie van een vennootschap onder firma (VOF) waarvan verdachte vennoot was.

Het hof achtte het aannemelijk dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf, mede versterkt door aanwijzingen van betrokkenheid bij een hennepkwekerij en drugshandel. De verdachte gaf geen concrete, verifieerbare en niet onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld, waardoor het vermoeden van witwassen standhield. Het hof oordeelde dat verdachte medepleger was vanwege zijn nauwe samenwerking met een medeverdachte en zijn rol binnen de VOF.

In cassatie werd geklaagd over onbegrijpelijke en onjuiste overwegingen, het gebruik van feiten uit andere zaken, de bewijsvoering omtrent de herkomst van het geld, en het oordeel over medeplegen en wetenschap. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld, dat de klachten niet tot vernietiging leiden en dat het cassatieberoep faalt. Ook het verweer dat de VOF failliet was en dat witwassen in een verliesgevend bedrijf onlogisch zou zijn, werd door het hof terecht niet als responsieplichtig verweer aangemerkt.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van gewoontewitwassen en hennepteelt blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01197
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001814-21) wegens:
- feit 1: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”;
- feit 2: “medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken”
- feit 3: “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend [1] , vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel heeft betrekking op de bewezenverklaring van medeplegen van gewoontewitwassen onder feit 2 en valt uiteen in vijf deelklachten die ik achtereenvolgens zal bespreken. Eerst geef ik de inhoud van het arrest weer voor zover van belang voor het bespreken van het middel.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
2.2
Ten laste van de verdachte is onder feit 2 bewezen verklaard dat:
“hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 mei 2015 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen
a. van voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen tot een totaal van € 375.448,05 de werkelijke aard, de herkomst, heeft verhuld
en
b. voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen tot een totaal van € 375.448,05 heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet en gebruik van heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die voornoemde geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf
zulks terwijl verdachte en zijn mededaders van het plegen van voormelde feiten een gewoonte hebben gemaakt”.
2.3
Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmiddelen zoals opgenomen op de pagina’s 29 tot en met 51 van (de bewijsmiddelenbijlage bij) het arrest.
2.4
Het hof heeft over de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen: [2]

Witwassen [A] (zaakdossier 12A, feit 2)
Zoals het hof reeds overwoog is de verdachte vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van witwassen door [A] . Aan het hof ligt thans ter beoordeling voor het impliciet subsidiair tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Niet gespecificeerde omzet in de onderneming [A]
De politie heeft voor de onderzoeksperiode van 1 januari 2010 tot 27 mei 2015 onderzoek gedaan naar (de contante geldstroom in) [A] De verdachte was gedurende de hele periode vennoot van deze onderneming en [medeverdachte 1] was tot 14 juni 2014 vennoot van deze onderneming.
In het onderzoek heeft de politie ten eerste de zakelijke bankrekening van de onderneming geanalyseerd op contante stortingen en contante opnames. Daaruit bleek van 729.096,29 euro aan contante stortingen over de jaren 2009 tot en met 2015, waarvan 106.302,15 euro al in 2009 werd gestort. In de onderzoeksperiode betrof het dus (729.096,29 - 106.302,15 =) 622.794,14 euro. Nader onderzoek leerde dat een bedrag van 344.517,96 euro daarvan kon worden verklaard met privéstortingen (25.175,63 euro), opnamen van de Duitse zakelijke bankrekening (86.900,00 euro) en contant afgerekende facturen (232.442.33 euro).
Bij onderzoek in de administratie bleek dat op de meeste omzetrekeningen reguliere omzet geboekt leek te zijn die verantwoord was per factuur/debiteur. Uitzonderingen daarop waren de omzetrekeningen auto’s (#8000), verhuizing (#8013) en money collect (#8030). Deze boekingen waren niet onderverdeeld naar onderliggende facturen of vrachten, maar alleen als een totaalbedrag verantwoord. Ook werden er geen onderliggende documenten zoals vrachtbrieven of facturen hiervoor in de bedrijfsadministratie aangetroffen. De omvang van deze niet gespecificeerde contante omzet was
375.448,05euro over de jaren 2010 tot en met 2014.
Uit het onderzoek van de politie is niet gebleken waar dit geld vandaan kwam. Gelet op hetgeen de verdachte verweten wordt, namelijk het medeplegen van gewoontewitwassen, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Uitgangspunt
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.
Overwegingen van het hof
Op grond van het vorenstaande, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag van 375.448,05 euro uit enig misdrijf afkomstig is geweest. Dat vermoeden wordt versterkt door de geconstateerde betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij in Duitsland (zaakdossier 8), waarvoor hij bij dit arrest ook wordt veroordeeld. Uit dat zaakdossier blijkt van een grote hennepplantage waarvan de verdachte een van de initiators, en kennelijk ook een van de begunstigden van de opbrengst was. Voorts ziet het hof aanwijzingen voor de betrokkenheid bij drugshandel in diverse afgeluisterde gesprekken, zoals weergegeven in zaakdossier 10B. Zaakdossier 10B beschrijft de vermeende betrokkenheid van onder meer de verdachte bij de productie c.q. handel in drugs dan wel voorbereidingshandelingen daartoe. Hij zal worden vrijgesproken van deelneming aan de criminele Opiumwet-organisatie, maar dat laat onverlet dat het zaakdossier wel degelijk aanwijzingen bevat voor betrokkenheid bij drugshandel.
Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat geldbedrag.
De verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd. Bij de rechter-commissaris op 8 januari 2018 en ter terechtzitting van 26 mei 2021 heeft hij wel verklaringen afgelegd. Die luidden - kort gezegd - dat [A] ook contante omzet genereerde en dat [medeverdachte 1] contante inkomsten genoot uit incassowerkzaamheden, die hij vervolgens aan zijn vader (opmerking hof: de verdachte) gaf ten behoeve van de onderneming en die vervolgens geboekt werden als money collect. Ter terechtzittingen in hoger beroep heeft de verdachte deze laatste verklaring herhaald, maar (daarmee) evenmin een verklaring afgelegd die de redengevendheid van voormelde vaststellingen kan ontzenuwen.
Het hof constateert dat de politie, ook naar aanleiding van de verklaringen van de accountants, reeds onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van de niet gespecificeerde omzet. Daartoe heeft zij de administratie onderzocht, het overige beslag dat gelegd is bij de onderneming en de verdachten, alsmede de digitale bestanden zoals e-mails en telefoontaps. Uit al dat onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat daadwerkelijk sprake was van dergelijke hoeveelheden contante omzet uit verhuizingen of incassowerkzaamheden.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van niet gespecificeerde omzet niet kan worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Immers, is de verklaring ten eerste al niet concreet. De verdachte heeft enkel verklaard dat het om ‘tientallen’ incasso’s per jaar ging en dat hij zo’n 150.000 tot 200.00 euro zou hebben verantwoord in de boeken, hetgeen hij later corrigeerde tot zo’n 110.00 euro, overeenkomstig de totale post ‘money collect’ in de administratie. Overigens kan dat dan weer niet kloppen met de stelling dat onder money collect ook contante inkomsten uit verhuizingen vielen. Om welke bedragen het concreet en per incasso zou gaan, is niet duidelijk geworden. Verder is de verklaring ook volstrekt niet verifieerbaar. Pas ter terechtzitting van 26 mei 2021 is een schriftelijke verklaring overgelegd van [betrokkene 1] gedateerd 25 mei 2021 inhoudende niet meer dan een (feitelijk de-auditu) verklaring dat de verdachte incassowerkzaamheden zou hebben gedaan voor ene inmiddels overleden [betrokkene 2] . Er kan ook anderszins op geen enkele wijze worden afgeleid of daadwerkelijk sprake is van, en zo ja hoeveel, contante inkomsten uit incassowerkzaamheden. Zo zijn er geen notities of agenda’s en dergelijke met bijvoorbeeld data, prijzen en opdrachtgevers overgelegd, aan de hand waarvan een controle zou kunnen plaatsvinden.
Het voorgaande maakt dan ook dat het hof van oordeel is dat de verklaring van de verdachte onvoldoende tegenwicht biedt tegen de verdenking om (nieuw) nader onderzoek te rechtvaardigen. Daarenboven is het gevraagde nadere onderzoek zo onbepaald en geeft dit zo weinig concrete aanknopingspunten om te kunnen beoordelen of (een deel van) het voormelde onverklaarbare bedrag een legale en geen criminele herkomst had, dat ook om die reden dit onderzoek niet gerechtvaardigd is. Feitelijk was de verklaring van de verdachte reeds weerlegd in het einddossier. Daarom is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de niet gespecificeerde omzet onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit ook wist. Nu het money collect verhaal naar het oordeel van het hof enkel wordt opgehangen om een draai te geven aan de onverklaarbare contante stortingen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte omdat hij vennoot was in de VOF medepleger was en aldus op de hoogte en verantwoordelijk is voor het totale bedrag aan contante stortingen. Verder blijkt uit het dossier dat de verdachte voor de boekhouder het aanspreekpunt was voor vragen over de administratie. Er waren regelmatig vragen over de niet sluitende kas administratie en die werd dan achteraf op aangeven van de verdachte sluitend gemaakt. De verdachte heeft deze geldbedragen samen met zijn [medeverdachte 1] voorhanden gehad en omgezet en daarvan de herkomst verhuld door die geldbedragen in strijd met de waarheid te doen boeken in de administratie van de VOF.
Gewoonte
Gelet op de totale hoogte van het witgewassen geldbedrag, de frequentie en de periode van ruim vijf jaren, is het hof van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.
Medeplegen
Tevens is het hof van oordeel dat er bij het bewezenverklaarde gewoontewitwassen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] .
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht het hof het onder 8 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen van 352.671,55 euro bewezen.
Het hof merkt bij het bedrag nog het volgende op. Uit het dossier blijkt van in totaal 375.448,05 euro niet gespecificeerde omzet in de onderzoeksperiode van 1 januari 2010 tot 27 mei 2015. De verdachte was gedurende de gehele periode geregistreerd als vennoot zodat de verdachte voor het gehele bedrag in de tenlastegelegde periode verantwoordelijk gehouden kan worden.”
Inleidende opmerkingen
2.5
Het beoordelingsschema dat de Hoge Raad hanteert ten aanzien van het bewijs van de criminele herkomst van een voorwerp wanneer er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen dat voorwerp en een concreet misdrijf, luidt als volgt:
“Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)” [3]
2.6
Dit kader kan als volgt worden vertaald in een stappenschema, dat ik ontleen aan een recente conclusie van A-G Aben. [4]
“Nog eens samengevat (en van een handzame nummering voorzien) geeft de Hoge Raad de feitenrechter bij wijze van beoordelingsschema de volgende handvatten (beoordelingselementen) voor de vraag of de feitenrechter de verdachte het uitblijven van een hem bevrijdende verklaring mag tegenwerpen in zijn overwegingen omtrent het bewijs:
(i). Rechtvaardigen de door het OM aangedragen feiten en omstandigheden ‘het vermoeden’ dat – het niet anders kan zijn dan dat – het betreffende voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is?
(ii). Zo ja, heeft de verdachte ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ gegeven waarin ligt besloten dat het voorwerp niet uit enig misdrijf afkomstig is? In dit verband valt op te merken dat van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat het voorwerp niet uit enig misdrijf afkomstig is.
(iii). Als de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het OM daarnaar nader onderzoek te doen.
(iv). Op basis van de resultaten van dit onderzoek moet worden beoordeeld of de criminele herkomst van het voorwerp bewezen kan worden.”
2.7
Bij de toepassing van het stappenschema kan gebruikgemaakt worden van zogenoemde ‘indicatoren’ of ‘typologieën’, die erop (kunnen) duiden dat sprake is van witwassen. Algemeen aanvaard is dat geldbedragen van behoorlijke omvang in contante coupures, die niet terug zijn te voeren op een aantoonbare bron van inkomsten vermoedens oproepen van witwassen. [5]
2.8
Voor de bespreking van het middel is daarnaast van belang dat de overwegingen van het hof waarover wordt geklaagd van feitelijke aard zijn en in cassatie daarom alleen op hun begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht.
De bespreking van het middel
Eerste deelklacht
2.9
Met het middel wordt op de eerste plaats geklaagd dat het arrest vaststellingen en overwegingen bevat die onjuist of onbegrijpelijk zijn en “kennelijk op een andere medeverdachte betrekking hebben”. Het lijkt erop dat het hof vaststellingen en overwegingen uit de zaak van de [medeverdachte 2] heeft overgenomen maar daarbij niet zorgvuldig (genoeg) is geweest. Tot vernietiging van het bestreden arrest hoeft dat echter niet te leiden. Op een aantal plaatsen wordt gesproken over “feit 8”. Dit betreft een kennelijke verschrijving van het hof, nu de in de schriftuur vermelde overwegingen duidelijk zien op het in de onderhavige zaak onder feit 2 ten laste gelegde. [6] Voor zover wordt geklaagd over de overweging van het hof dat de verdachte
en diens vaderzich als vennoten (ook) schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van witwassen geldt dat deze overweging de motivering van een vrijspraak betreft. [7] Ik begrijp het middel niet zo dat tegen die vrijspraak in cassatie wordt opgekomen. Tot slot wordt geklaagd over de overwegingen van het hof met betrekking tot een versterking van het witwasvermoeden door, onder meer, aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte bij drugshandel in diverse afgeluisterde gesprekken. Daarbij wordt door het hof overwogen dat de verdachte zal worden vrijgesproken van “deelneming aan de criminele Opiumwet-organisatie”. [8] Zoals de steller van het middel terecht opmerkt is dit feit aan de verdachte in de onderhavige zaak niet ten laste gelegd. Nu het witwasvermoeden door het hof reeds wordt afgeleid uit overige omstandigheden (zie de bespreking van de tweede deelklacht, die niet tot cassatie leidt) laat ik dit punt verder onbesproken.
Tweede deelklacht
2.1
De tweede deelklacht betreft de overweging van het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij een hennepkwekerij in Duitsland (waarvoor de verdachte onder feit 1 is veroordeeld). Geklaagd wordt dat de geconstateerde betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij een feit uit maart 2015 betreft, waaruit geen vermoeden kan worden afgeleid wat betreft in de jaren ervoor gepleegde feiten. Nu het hof het vermoeden van witwassen – niet onbegrijpelijk – reeds heeft gebaseerd op de vaststellingen dat boekingen van in totaal € 375.448,05 op een drietal omzetrekeningen in de administratie niet waren onderverdeeld naar onderliggende facturen of vrachten maar alleen als een totaalbedrag verantwoord, dat in de bedrijfsadministratie geen onderliggende documenten zoals vrachtbrieven of facturen werden aangetroffen en dat uit het onderzoek van de politie niet is gebleken waar dit geldbedrag vandaan kwam, en voornoemde betrokkenheid bij drugs gerelateerde aangelegenheden dit vermoeden voor het hof ‘slechts’ heeft versterkt, kan deze klacht niet tot cassatie leiden. Voor de volledigheid (met het oog op de eerste deelklacht) merk ik op dat hetzelfde geldt voor de overweging van het hof met betrekking tot aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte bij drugshandel.
Derde deelklacht
2.11
De derde deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde bedrag uit misdrijf afkomstig is en niet afkomstig is uit de door verdachte genoemde werkzaamheden, zoals incassowerkzaamheden. Aangevoerd wordt dat dit oordeel in strijd is met bewijsmiddel 13, waarin het hof heeft vastgesteld dat uit ‘money collect’ afgedragen geld aan de VOF werd afgedragen.
2.12
Ik stel voorop dat het hof heeft vastgesteld dat (i) op grond van door de politie uitgevoerd onderzoek naar onder meer de boekhouding van de VOF sprake is van een vermoeden dat het bewezenverklaarde geldbedrag uit misdrijf afkomstig is, (ii) dat de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het geldbedrag niet kan worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, zodat (iii) nader onderzoek van het Openbaar Ministerie niet gerechtvaardigd is, en (iv) dat geen andere conclusie mogelijk dan dat de niet gespecificeerde omzet onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
2.13
Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde witwassen onder meer doen steunen op het volgende bewijsmiddel:

13. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting in eerste aanleg van de rechtbank Limburg d.d. 26 mei 2021, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:
U vraagt mij naar ‘money collect.’ (...) Ik gaf dat geld aan mijn vader [verdachte] en ik nam aan dat hij dat verantwoordde. (...)”
2.14
Dit bewijsmiddel houdt (niet meer) in (dan) dat de [medeverdachte 1] , gevraagd naar ‘money collect’ – ik begrijp: de omzetrekening ‘money collect’ #8030 – heeft verklaard dat hij geld aan zijn vader (de verdachte) gaf en ervan uitging dat die dit verantwoordde. Uit de bewijsoverwegingen is af te leiden dat het hof de verklaring van de verdachte over de
herkomstvan het geld, waaronder de gestelde incassowerkzaamheden, niet volgt en niet aanmerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Dat oordeel, en het hierop volgende oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde bedrag afkomstig is uit misdrijf, is niet in strijd met het gebruik van bewijsmiddel 13.
Vierde deelklacht
2.15
De vierde deelklacht heeft betrekking op het medeplegen en de wetenschap van de verdachte van de criminele herkomst van de bedragen. Aangevoerd wordt dat het hof het opzet en medeplegen kennelijk slechts heeft afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte vennoot van de VOF was en dat dit onvoldoende is.
2.16
Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft de wetenschap (en in het verlengde daarvan ook het medeplegen) van de verdachte niet enkel afgeleid uit de omstandigheid dat hij een vennoot was van de VOF. Het hof heeft in dat oordeel ook betrokken dat de verdachte voor de boekhouder het aanspreekpunt was voor vragen over de administratie, dat er regelmatig vragen waren over de niet sluitende kasadministratie en dat die dan achteraf op aangeven van de verdachte sluitend werd gemaakt. [9] Het oordeel van het hof dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de geldbedragen acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Dit geldt evenzo voor het oordeel dat sprake is van medeplegen. Het hof heeft geoordeeld dat er bij het bewezenverklaarde gewoontewitwassen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de [medeverdachte 1] . Ook dat oordeel, waartegen (anders dan voornoemde klacht met betrekking tot het opzet) geen specifieke klacht is geformuleerd, acht ik begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Vijfde deelklacht
2.17
Tot slot wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging waarin is aangevoerd dat de VOF financieel gezien in zwaar weer verkeerde en het niet aannemelijk is dat een vennoot met die wetenschap bedragen afdraagt/laat afdragen aan de VOF, hetgeen als een contra-indicatie voor het (bewijs van) opzet moet worden beschouwd. Volgens de steller van het middel had het hof gelet op de inhoud van dit argument en de indringendheid daarvan hierop wel moeten reageren, te meer nu het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de VOF daadwerkelijk in 2015 is gefailleerd.
2.18
Het proces-verbaal van de zittingen van het hof houdt het volgende in:
“De raadsman deelt mede:
(…) Mijn cliënt is failliet gegaan. Volgens het Openbaar Ministerie is er geld witgewassen door dit in de VOF te stoppen. Het is erg onlogisch om witgewassen geld in een bedrijf te stoppen dat failliet aan het gaan is. Ook daar zal ik bij mijn pleidooi op terug komen. Volgens mijn cliënt heeft de boekhouder meer geld uitgegeven. Bij het faillissement is alles van mijn cliënt afgenomen.” [10]
2.19
De ter zitting van 16 januari 2025 voorgedragen en overgelegde pleitnota van de raadsman houdt het volgende in:

Algemeen.
Het blijft wonderlijk dat [verdachte] in 2015 zijn verhuisbedrijf moet opgeven vanwege een faillissement omdat hij een
betrekkelijk lage vorderingniet kan voldoen.
Maar al jaren loopt hij met zijn bedrijf op het randje van omkiepen, worden verzekeraars met contante bedragen zoet gehouden (blijkt uit het dossier) om de broodnodige verzekering niet te geroyeerd te krijgen, en staat hij regelmatig op de faillissementsrol.
Er ging veel contant bij [A] . [betrokkene 3] verklaart dat zelfs zij als accountants contant werden betaald. Er werd heel veel contant betaald door debiteuren, (blz 79 vonnis). Hij stortte dat contante geld af. Zijn boekhouding liep soms 1 jaar achter (blz 79)
Graag wilde hij zijn bedrijf na faillissement nog voortzetten maar hij kon de financiën niet opbrengen en - erger nog - het zakelijk faillissement werd gevolgd door een privé faillissement. Tal van spullen werden verkocht waaronder ook dierbare zaken. Een curator die alles doornam: en dat alles bij iemand die al dat geld zou hebben witgewassen? Failliet gaan - zakelijk en privé - voor 24.000,- concurrente schuldeisers? Het wordt wel een heel raar verhaal als we moeten geloven dat hij zoveel extra inkomsten zou hebben.
De gedachte dat er in het bedrijf bedragen zouden worden witgewassen - en dit is toch echt de stelling van justitie - doet vreemd aan. Witwassen door crimineel geld in een verliesgevend bedrijf te stoppen? Een bedrijf waar de particuliere personen nauwelijks geld van ontvangen? Wat ben je dan aan het witwassen?
Justitie probeert de suggestie te wekken dat [verdachte] zich alleen maar zou beroepen op zijn zwijgrecht en geen verklaring zou hebben gegeven voor geconstateerde contante stortingen.
Dat is niet waar. Bij de rechter-commissaris hebben zowel [verdachte] als ook [medeverdachte 1] een verklaring afgelegd. Maar niet zij alleen: ook de accountants zijn in het onderzoek en deels bij de RC nog eens gehoord. Overigens al in 1999 werd een verklaring gegeven voor de kas verschillen: en die verklaring is ook de verklaring voor de periode waar we nu over spreken. De belangrijkste post: verhuizingen die contant werden afgerekend. Daarnaast zijn er wat inkomsten geweest uit money collect incasso's door [medeverdachte 1] . Dit is niet iets wat [verdachte] verzint voor deze procedure:
DIT LIEP AL ZO VANAF 1999. Zo staat het in de boeken en zo wordt ook door de accountants verklaard.
(…)
Eindconclusie 12A.
Er is geen sprake van witwassen van crimineel geld. [verdachte] (375.488,05), [medeverdachte 1] dienen te worden vrijgesproken. Het gaat om omzet die gewoon gestort is als money collect en deels om enkele betalingen van incasso werkzaamheden van [medeverdachte 1] en natuurlijk ook de auto's.”
2.2
Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat niet ieder ter terechtzitting ingenomen standpunt bij niet-aanvaarding noopt tot een gemotiveerde verwerping. Van een motiveringsplicht is wel sprake wanneer de rechter afwijkt van een ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt aangemerkt een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.
2.21
De klacht in onderhavige zaak ziet op het verzuim te responderen op “het verweer van de verdediging waarin is aangevoerd dat de VOF financieel gezien in zwaar weer verkeerde en het niet aannemelijk is dat een vennoot met die wetenschap bedragen afdraagt/laat afdragen aan de VOF”. Hierover kan ik kort zijn. Het aangevoerde is door het hof kennelijk niet opgevat als een responsieplichtig verweer. Dat oordeel is, in het licht van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk. Het in de schriftuur bedoelde verweer kwalificeert niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De omstandigheid dat het hof (een klein onderdeel van) een faillissementsverslag van de V.O.F. als bewijsmiddel heeft gebezigd maakt dit niet anders.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard.
2.Pagina 11 e.v. van het arrest.
3.HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:441. Zie ook, onder meer, HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167.
4.Conclusie van A-G Aben van 18 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:234.
5.Zie onder meer het overzicht van witwasindicatoren van het Anti Money Laundering Center, het kennis- en expertisecentrum van de FIOD (versie augustus 2025).
6.De in de schriftuur bedoelde overwegingen betreffen een overweging op pagina 6, onder het cursieve kopje “Verbeterde lezing feit 2” en een overweging op pagina 7 onder het onderstreepte kopje “Vrijspraak van het als feit 2 primair tenlastegelegde”.
7.De overweging waarop de steller van het middel het oog heeft staat op pagina 7, eveneens onder het onderstreepte kopje “Vrijspraak van het als feit 2 primair tenlastegelegde”.
8.Bedoeld worden de overwegingen van het hof op pagina 12, onder het cursieve kopje “Overwegingen van het hof” (zie ook randnr. 2.4).
9.Het hof heeft hiermee kennelijk het oog gehad op de bewijsmiddelen 9, 10 en 11.
10.Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzittingen van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, vierde meervoudige kamer voor strafzaken, op 13 januari 2025, 16 januari 2025, 27 januari 2025, 30 januari 2025 en 28 maart 2025, p. 7.