De rechtbank Rotterdam had op 8 mei 2024 de vordering van het Openbaar Ministerie toegewezen tot onttrekking aan het verkeer van een Skoda Kodiaq met verborgen ruimte waarin een grote som geld was aangetroffen. Dit geld was betrokken bij een transactie wegens witwassen. De belanghebbende, eigenaar van de auto, voerde aan dat de verborgen ruimte niet gebruikt was voor strafbare feiten en dat het geld een legale herkomst had.
De rechtbank oordeelde dat de auto was vervaardigd, bestemd en gebruikt om een strafbaar feit te plegen, en dat het ongecontroleerde bezit van de auto met verborgen ruimte in strijd was met het algemeen belang. De Hoge Raad stelt in cassatie dat voor onttrekking aan het verkeer vereist is dat het voorwerp in verband staat met een begaan strafbaar feit en dat dit verband voldoende gemotiveerd moet zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat de motivering van de rechtbank onvoldoende is omdat het enkel aannemen van een vermoeden op basis van de verborgen ruimte en het accepteren van een transactie niet volstaat om vast te stellen dat het witwassen daadwerkelijk is begaan. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.