De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens medeplegen van diefstal van een lokportemonnee. De verdediging stelde primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het Tallon-criterium en subsidiair dat bewijs moest worden uitgesloten. De verdediging voerde aan dat het lokmiddel, een openstaande portemonnee met zichtbaar geld in een tas op een koffer bij de ingang van een Albert Heijn, niet in het normale straatbeeld paste en de verdachte tot ander handelen had gebracht dan waarop zijn opzet was gericht.
Het hof oordeelde dat het lokmiddel rechtmatig was ingezet, dat het Tallon-criterium niet was geschonden en dat het openbaar ministerie ontvankelijk was. Het hof baseerde dit op de waarnemingen van de verbalisanten, de videobeelden en de bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte en een medeverdachte hadden gezamenlijk de portemonnee weggenomen en waren daarna samen de winkel uitgelopen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat het gebruik van lokmiddelen niet onrechtmatig is indien de verdachte niet tot ander handelen wordt gebracht dan waarop zijn opzet reeds was gericht en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet worden geschonden. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat het lokmiddel paste in het normale straatbeeld niet onbegrijpelijk of onjuist.
Ambtshalve merkt de procureur-generaal op dat het hof een fout maakte bij de duur van vervangende hechtenis, maar dat dit eenvoudig door de bevoegde rechter kan worden hersteld. De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep faalt en het arrest van het hof in stand blijft.